De verdachte verzocht de rechter-commissaris om vier getuigen te horen in verband met de doorzoeking van zijn auto, omdat hij stelt dat hij slechts toestemming gaf voor rondkijken en niet voor een doorzoeking. De rechter-commissaris wees dit verzoek af. De verdediging maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat het noodzakelijk was de verbalisanten te confronteren en nadere vragen te stellen.
De rechtbank beoordeelde het bezwaar en stelde vast dat de processen-verbaal van de verbalisanten, die op ambtseed en -belofte zijn opgemaakt, al gedetailleerd de toestemming en reikwijdte van het onderzoek beschrijven. De verdachte heeft tijdens verhoren niets gezegd over het ontbreken van toestemming voor de doorzoeking. De rechtbank vond dat de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van de getuigen een toegevoegde waarde heeft voor de strafzaak.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de rechter-commissaris terecht het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland te Haarlem.