De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Guadeloupe naar Amsterdam via Parijs, waarbij de eerste vlucht vertraagd was uitgevoerd. Zij stelden dat deze vertraging leidde tot het missen van de aansluitende vlucht en een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming, waarop zij compensatie van € 800,- vorderden op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder betwistte dat de vertraging van de eerste vlucht de oorzaak was van het missen van de aansluiting, en stelde dat ondanks de vertraging van 1 uur en 16 minuten nog voldoende overstaptijd van 2 uur en 4 minuten overbleef, inclusief de reistijd tussen de twee luchthavens in Parijs. De passagiers konden niet overtuigend aantonen dat de vertraging daadwerkelijk tot het missen van de aansluitende vlucht heeft geleid.
De kantonrechter oordeelde dat het aan de passagiers was om te bewijzen dat de vertraging van de eerste vlucht de oorzaak was van de gemiste aansluiting en de uiteindelijke vertraging op de eindbestemming. Gezien de betwisting door de vervoerder en het ontbreken van bewijs, kon het verzoek niet worden toegewezen.
De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd. De beschikking is in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor hoger beroep.