Eisers, buren sinds 2016, klaagden over geluidsoverlast door verbouwingswerkzaamheden en nachtelijke leefgeluiden van gedaagde, waaronder gitaarspel en televisie. Eisers stelden dat de hinder onrechtmatig was en hun woongenot ernstig beperkte, mede door een gevoelige gezondheidssituatie. Gedaagde betwistte de overlast en voerde aan dat hij maatregelen had genomen, zoals het gebruik van een koptelefoon.
De kantonrechter overwoog dat hinder tussen buren toelaatbaar is zolang deze niet onrechtmatig is. De beoordeling hing af van aard, ernst, duur van de hinder en omstandigheden van het geval. Eisers konden slechts een beperkt aantal incidenten onderbouwen met videobeelden die niet aantoonden dat sprake was van structurele of opzettelijke overlast.
De rechter concludeerde dat de stelplicht en bewijslast bij eisers lagen en dat onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren gesteld voor onrechtmatige hinder. Hoewel hinder subjectief ervaren kan worden, was de onderbouwing niet toereikend. De vorderingen werden daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden gesteld vanwege het ontbreken van kosten bij gedaagde.