Eiseres heeft op 15 februari 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder heeft de beslistermijn met zes maanden verlengd tot uiterlijk 15 februari 2025, maar heeft niet binnen die termijn beslist. Eiseres stelde verweerder op 7 april 2025 in gebreke, waarna verweerder op 13 juni 2025 een dwangsom van € 1.442 toekende wegens het uitblijven van een besluit.
Eiseres stelde vervolgens op 19 mei 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder binnen twaalf weken na het indienen van het verweerschrift op 6 juni 2025 alsnog een besluit moet nemen. De rechtbank legt een dwangsom van € 100 per dag op, met een maximum van € 15.000.
Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van € 453,50 en wordt het betaalde griffierecht van € 53 aan haar vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.