De rechtbank Noord-Holland behandelde een verzetzaak tussen ex-partners met geschillen over hun gezamenlijke woning en kinderalimentatie. Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen overeenstemming over de woning, waardoor de rechtbank de vorderingen met betrekking tot de woning als ingetrokken beschouwde en de procedure hierover beëindigde.
De alimentatievordering van de man werd in reconventie ingesteld, maar de vrouw voerde aan dat deze vordering niet via dagvaarding, maar via een verzoekschriftprocedure moest worden ingediend. De rechtbank oordeelde dat alimentatievorderingen dwingend via verzoekschrift moeten worden behandeld en verwees de zaak in reconventie naar het team Familie & Jeugd van de rechtbank, waar de procedure zal worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure.
Partijen stemden hiermee in en gaven aan een mediationtraject te willen starten om ook andere geschillen op te lossen. De rechtbank bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en sprak geen proceskostenveroordeling uit. Het vonnis werd op 28 mei 2025 uitgesproken door rechter P.M. Wamsteker.