Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
135,00(plus de kosten van betekening zoals
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak vordert een 48-jarige zoon voortzetting van de huurovereenkomst van de woning waarin hij sinds zijn geboorte woont, nadat zijn moeder, de oorspronkelijke huurder, is overleden. De zoon stelt dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en daarom recht heeft op voortzetting van de huur.
De verhuurder betwist het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en vordert ontruiming van de woning. De kantonrechter beoordeelt uitsluitend het criterium van duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat de overige voorwaarden niet ter discussie staan.
Uit de feiten blijkt dat de zoon en zijn moeder weliswaar samenwoonden, maar dat dit niet automatisch een duurzame gemeenschappelijke huishouding betekent. De zoon heeft onvoldoende concrete en onderbouwde bewijsstukken overlegd die aantonen dat sprake was van financiële verwevenheid, taakverdeling, wederzijdse zorg en sociale activiteiten die kenmerkend zijn voor een duurzame huishouding.
Ook de intentie om duurzaam samen te wonen is niet aannemelijk gemaakt, mede door contra-indicaties zoals het feit dat de zoon zich zes jaar geleden als woningzoekende inschreef. De kantonrechter concludeert dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst moet worden afgewezen en wijst de tegenvordering tot ontruiming toe. De zoon moet de woning voor 1 september 2025 verlaten en de huur tot die datum betalen.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de woning moet uiterlijk 1 september 2025 worden ontruimd.