Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:4533

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
15/233319-21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte medeplegen poging moord wegens gebrek aan bewijs

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 25 april 2025 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van poging moord op 11 april 2021 te Den Helder. De tenlastelegging betrof het met voorbedachten rade schieten op het slachtoffer bij diens woning.

De officier van justitie en de verdediging vorderden beiden algehele vrijspraak vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte een strafrechtelijk relevante rol had, noch als schutter noch anderszins. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was de zaak te behandelen.

Na beoordeling van het dossier en de zitting concludeerde de rechtbank dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij het schietincident. De benadeelde partij had een immateriële schadevergoeding van €5.000,- gevorderd, maar deze werd afgewezen omdat het ten laste gelegde feit niet bewezen was.

De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen poging moord wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/233319-21 (P)
Uitspraakdatum: 25 april 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 april 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van Loon en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2021 te Den Helder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm, beraad en rustig overleg:
- naar de woning van die [het slachtoffer] aan de [adres A] is/zijn gegaan en/of
- (vervolgens) op het raam heeft/hebben geklopt en/of
- de voordeur heeft/hebben opengebroken/opengetrapt (waardoor die [het slachtoffer] naar de voordeur werd gelokt en/of naar buiten is gekomen) en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op/in de richting van die [het slachtoffer] (terwijl die [het slachtoffer] buiten was) en/of de woning van die [het slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij (
de rechtbank begrijpt: hij) op of omstreeks 11 april 2021 te Den Helder, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal (terwijl die [het slachtoffer] buiten was) met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) af te vuren op/in de richting van die [het slachtoffer] en/of de woning van die [het slachtoffer].

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Standpunten van partijen

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot algehele vrijspraak, omdat er geen bewijs is dat de verdachte een feitelijk uitvoerder (als schutter) is geweest en er daarnaast onvoldoende bewijs is dat de verdachte een andere strafrechtelijk relevante rol heeft gehad bij het schietincident op 11 april 2021.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens betoogd dat algehele vrijspraak dient te volgen, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
3.3
Algehele vrijspraakDe rechtbank is van oordeel dat algehele vrijspraak moet volgen, omdat het primair en subsidiaire tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde op de zitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte strafrechtelijk relevante betrokkenheid heeft gehad bij het schietincident zoals ten laste gelegd, noch als feitelijk uitvoerder noch anderszins.

4.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte (primair en subsidiair) is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.E. van der Veen, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.P. van Os
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 april 2025.