ECLI:NL:RBNHO:2025:3010

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
11375464
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagier krijgt compensatie wegens geannuleerde vlucht door storende passagier

De passagier had een vervoersovereenkomst met EasyJet Europe voor een vlucht van Amsterdam naar Kopenhagen op 11 december 2022, die door de vervoerder werd geannuleerd vanwege een storende passagier op een eerdere vlucht.

De passagier vorderde compensatie van €250, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder voerde aan dat sprake was van buitengewone omstandigheden waardoor compensatie niet verschuldigd zou zijn.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder niet had onderbouwd dat alle redelijke maatregelen waren genomen om de vertraging te beperken, wat vereist is bij een beroep op buitengewone omstandigheden. Daarom werd de compensatie toegewezen, evenals de gevorderde incassokosten en proceskosten.

De kantonrechter veroordeelde de vervoerder tot betaling van in totaal €290 plus wettelijke rente over €250, proceskosten en nakosten. Tevens werd een certificaat voor de Europese procedure voor geringe vorderingen aan de beschikking gehecht.

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van compensatie, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan de passagier wegens annulering van de vlucht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11375464 \ CV FORM 24-7611
Uitspraakdatum: 12 maart 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker]wonende te [plaats] (Denemarken)
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. C.E. Dupain (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelt dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een storende passagier op de voorafgaande vlucht EJU7926. De kantonrechter overweegt dat, ongeacht of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder niet heeft onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te beperken. Het verzoek van de passagier wordt daarom toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 25 oktober 2024;
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 januari 2025.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem op 11 december 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Kopenhagen Airport (Denemarken), met vlucht EC7923 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat voor toepassing van de Verordening onder meer is vereist dat de passagier beschikt over een bevestigde boeking voor de vlucht. [2] De vervoerder betwist de door de passagier gestelde boeking voor vlucht EJU7924. De kantonrechter oordeelt echter dat sprake is van een kennelijke verschrijving, nu de passagier onder meer de boekingsbevestiging en boardingpass voor vlucht EJU7923 als productie 1 bij het vorderingsformulier heeft overgelegd. Daarmee is sprake van een bevestigde boeking in de zin van de Verordening.
4.3.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [3]
4.4.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder niet heeft onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagier op de eindbestemming te beperken. Dit had wel op zijn weg gelegen, nu de stelplicht en eventuele bewijslast hiervan op de vervoerder rusten. [4]
4.5.
Dit betekent dat ook als de annulering het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, de vervoerder de passagier moet compenseren. Daarom zal de door de passagier verzochte hoofdsom worden toegewezen. De over de hoofdsom verzochte wettelijke rente is als onvoldoende gemotiveerd weersproken eveneens toewijsbaar.
4.6.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.
4.8.
Op verzoek van de passagier zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015, aan deze beschikking worden gehecht.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 290,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 vanaf 11 december 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 87,00 aan griffierecht en € 82,00 aan salaris gemachtigde;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 3 lid 2 van Pro de Verordening.
3.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
4.Artikel 150 Rv Pro.