Op 21 augustus 2024 heeft de verdachte in Den Helder opzettelijk een ontploffing veroorzaakt door zwaar vuurwerk aan te steken en aan de voordeur van een woning te plakken. Deze ontploffing veroorzaakte aanzienlijke schade aan de deurpost en voordeur, waaronder verbrijzeling en een gat in de deur. Hoewel er geen concreet gevaar voor personen was, ontstond er gemeen gevaar voor goederen en gevoelens van onveiligheid bij omwonenden.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte bekennende was en dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren. De verdediging voerde aan dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kon worden, maar dit deel van de tenlastelegging werd niet bewezen verklaard. De rechtbank kwalificeerde de feiten als opzettelijk een ontploffing teweegbrengen met gemeen gevaar voor goederen en opzettelijke vernieling van enig goed van een ander.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel werden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, aanmelding voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het vinden en behouden van dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. De rechtbank verklaarde deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar vanwege het ontbreken van gevaar voor de lichamelijke integriteit van personen.
De strafmaat werd bepaald op basis van de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en het reclasseringsadvies, waarbij rekening werd gehouden met de instabiele leefsituatie en schulden van de verdachte. De verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke delicten. De rechtbank bepaalde tevens dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de straf.