Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:2317

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
11352688 \ EJ VERZ 24-334
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:202 BWArt. 4:206 lid 6 BWArt. 4:209 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van de vereffening van nalatenschap wegens onvoldoende baten

Verzoekster heeft namens de enige erfgenaam een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap van een overledene, omdat de goederen inmiddels zijn verkocht en de opbrengst niet toereikend is om alle schuldeisers te voldoen.

De nalatenschap is beneficiair aanvaard en de vereffening dient te geschieden volgens de wettelijke voorschriften. Uit het dossier blijkt dat de onroerende zaak is verkocht voor €60.000,-, waarvan de opbrengst ten goede is gekomen aan de preferente schuldeiser, die nog steeds niet volledig is voldaan. Andere schuldeisers kunnen evenmin worden betaald en er zijn geen overige goederen meer om te gelde te maken.

De kantonrechter constateert dat de schulden en kosten van de vereffening de baten ruimschoots overtreffen, waardoor opheffing van de vereffening gerechtvaardigd is. Tevens stelt hij de reeds gemaakte vereffeningskosten vast op €1.774,65, exclusief griffierecht. De opheffing dient digitaal gepubliceerd te worden in de Staatscourant en inschrijving in het boedelregister plaats te vinden.

Uitkomst: De kantonrechter beveelt opheffing van de vereffening wegens onvoldoende baten en stelt de vereffeningskosten vast op €1.774,65.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./repnr.: 11352688 \ EJ VERZ 24-334
Uitspraakdatum: 6 maart 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoekster], verbonden aan Notariskantoor [naam 2] te [plaats 2]
verzoekende partij
verder te noemen: verzoekster
inzake
de nalatenschap van [naam 1],
geboren op [geboortedatum] te [plaats 1] en overleden op [datum] te [plaats 2] ,
laatstelijk gewoond hebbende te
[plaats 2].

1.Het procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend, bij de griffie ontvangen op 15 oktober 2024.
1.2.
Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling op een zitting.

2.De feiten

2.1.
De nalatenschap van [naam 1] is door de enige erfgenaam beneficiair aanvaard.
2.2.
In een beschikking van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2023 is een eerder verzoek van verzoekster tot opheffing van de vereffening afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge de beneficiaire aanvaarding door de erfgenaam dient de nalatenschap van [naam 1] op grond van het bepaalde in artikel 4:202 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) overeenkomstig de in Boek 4, titel 6, afdeling 3 (artikelen 4:202 tot en met 4:226 BW) gegeven voorschriften te worden vereffend.
3.2.
Verzoekster heeft namens de erfgenaam een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening met als reden dat de goederen van de nalatenschap inmiddels te gelde zijn gemaakt, dat er naast de voldoening van de preferente schuldeiser geen middelen meer zijn om de concurrente crediteuren te voldoen en dat er geen middelen zijn om de kosten van de verdere vereffening te dragen. Ter onderbouwing heeft verzoekster gesteld dat de onroerende zaak is verkocht voor een bedrag van € 60.000,- en dat de gehele opbrengst ten goede is gekomen aan de separatist. De separatist is thans nog de grootste schuldeiser, maar zij kan niet geheel voldaan worden. Ook de andere schuldeisers kunnen niet voldaan worden. Er zijn verder geen goederen meer die te gelde gemaakt kunnen worden. Er is dus een andere situatie dan ten tijde van het indienen van het eerder gedane verzoek tot opheffing van de vereffening.
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het voorgaande voldoende blijkt dat de schulden ruimschoots de baten overtreffen en dat voorts ook de uitvaartkosten en de vereffeningkosten de baten overtreffen. Ook is de onroerende zaak inmiddels verkocht en er zijn geen goederen meer die te gelde gemaakt kunnen worden om de schulden te voldoen. Gelet op die – gewijzigde -omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding om de opheffing van de vereffening te bevelen.
3.4.
De benoeming van de vereffenaar is ingevolge de verplichting uit hoofde van artikel 4:206 lid 6 BW Pro gepubliceerd in de Staatscourant. De opheffing van de vereffening dient de vereffenaar op dezelfde wijze bekend te maken.
3.5.
De kantonrechter zal de griffier opdragen voor inschrijving van deze beslissing in het boedelregister zorg te dragen.
3.6.
Verzoekster heeft verzocht om de vereffeningskosten vast te stellen op € 1.908,65. In dit bedrag is een post opgenomen van € 134,- voor het griffierecht vanwege de beneficiaire aanvaarding. De kantonrechter stelt op grond van artikel 4:209 lid 2 BW Pro de reeds gemaakte vereffeningskosten vast op € 1.774,65 aangezien de kosten voor het griffierecht voor beneficiaire aanvaarding hieronder niet worden begrepen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
beveelt de opheffing van de vereffening en stelt het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast op € 1.774,65;
4.2.
bepaalt dat de opheffing digitaal dient te worden gepubliceerd in de Staatscourant door de vereffenaar;
4.3.
draagt de griffier op onverwijld een afschrift van deze beschikking aan te bieden bij het boedelregister van de rechtbank Noord-Holland.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter