ECLI:NL:RBNHO:2025:2316
Rechtbank Noord-Holland
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beklag tegen onjuiste invordering rijbewijs na opmaken proces-verbaal rijden onder invloed
De klager werd verdacht van rijden onder invloed met combinatiegebruik van alcohol, cannabis en cocaïne. Op 10 oktober 2024 werd het proces-verbaal opgemaakt en op 7 december 2024 werd het rijbewijs ingevorderd. De officier van justitie besloot het rijbewijs 14 maanden in te houden. De klager diende een beklag in tegen de invordering van het rijbewijs.
De rechtbank behandelde het beklag op 17 februari 2025 en oordeelde dat de invorderingsbevoegdheid op grond van artikel 164 WVW Pro beperkt is tot het moment van opmaken van het proces-verbaal. Omdat de invordering pas na het opmaken van het proces-verbaal plaatsvond, was deze onjuist.
De rechtbank wees het standpunt van het Openbaar Ministerie af dat het rijbewijs tot sluiting van het dossier mocht worden ingevorderd en verklaarde het beklag gegrond. Het rijbewijs moet aan de klager worden teruggegeven. Verdere inhoudelijke verweren werden niet behandeld. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.
Uitkomst: Het beklag wordt gegrond verklaard en het rijbewijs wordt aan de klager teruggegeven wegens onjuiste invordering.