Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:1992

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
C/15/360835 / JU RK 25-36
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling minimale omgangsregeling na ondertoezichtstelling voor twee minderjarigen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 4 februari 2025 een beschikking gegeven over de vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken en omgangsregeling voor twee minderjarige kinderen na een langdurige ondertoezichtstelling.

De kinderen wonen bij hun moeder en zijn sinds september 2022 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling duurt nog tot 27 maart 2025. De gezinsvoogdijinstantie (GI) heeft verzocht om een minimale omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader de kinderen wekelijks op zondag van 11.00 tot 15.00 uur kan zien, met de mogelijkheid om gemiste momenten in te halen. De omgang vindt plaats op een neutrale locatie, niet bij de vader thuis, tenzij begeleid door hulpverlening.

De vader is sinds het uit elkaar gaan van de ouders in 2018 wisselend in contact met de kinderen geweest, waardoor de omgang lange tijd stil lag. Recent is het contact met hulpverlening weer opgestart en verloopt dit liefdevol en positief voor de kinderen. De vader wil beide kinderen wekelijks zien maar voelt zich snel overvraagd.

De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk om een minimale omgangsregeling vast te stellen die de ouders houvast biedt na het einde van de ondertoezichtstelling. De regeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en biedt ruimte voor onderling overleg en begeleiding door hulpverlening om de omgang verder vorm te geven.

Uitkomst: Er is een wekelijkse omgangsregeling op zondag van 11.00 tot 15.00 uur vastgesteld op een neutrale locatie, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360835 / JU RK 25-36
Datum uitspraak: 4 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] als vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
1.4.
[de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven in een apart gesprek met de kinderrechter. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
De kinderen wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft de kinderen bij beschikking van 27 september 2022 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 27 maart 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij de kinderen en de vader wekelijks omgang hebben op zondag van 11.00 uur tot 15.00 uur. Als de omgang in de vakanties geen doorgang kan hebben vanwege verblijf van de kinderen elders, zullen de gemiste omgangsmomenten worden ingehaald. De ouders stemmen zelf een dag en tijd af.
Verder heeft de GI verzocht vast te leggen dat:
- de omgang plaatsvindt op een neutrale locatie, niet bij de vader thuis;
- wanneer de vader de omgang toch thuis wil laten plaatsvinden, zal de hulpverlening de opstart daarvan begeleiden.
De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Als onderbouwing van het verzoek is namens de GI naar voren gebracht dat de
vader sinds de ouders in 2018 uit elkaar zijn gegaan ambivalent is geweest in het contact met de kinderen. Het lukte hem niet om de afgesproken omgang of belafspraken na te komen, hij verscheen niet altijd op sport, en stelde de kinderen teleur als hij de afspraken niet nakwam. De omgangsregeling lag al sinds de start van de GI in 2022 stil. De vader vond de omgangsregeling uit het ouderschapsplan voor hem niet haalbaar. De kinderen hebben lange tijd veel onduidelijk gehad en zijn in het contact met hun vader vaak teleurgesteld.
De GI heeft ingezet op begeleid contactherstel. De GI vond begeleiding nodig om de spanning bij de kinderen te verminderen als ze na lange tijd weer bij de vader thuis zouden komen, en om hem te ondersteunen en zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij hem. Na ruim twee jaar ondertoezichtstelling heeft de GI de vader in september 2024 een ultimatum gesteld om tot omgang te komen. De GI vindt dat de kinderen duidelijkheid verdienen, ook al is het mogelijk de duidelijkheid dat omgang niet lukt.
Na de deadline van het ultimatum is de omgang in oktober 2024 eindelijk op gang gekomen met hulpverlening van [hulpverlener] . De omgang vindt plaats op een neutrale locatie in plaats van bij de vader thuis, waar hij ook geen omgang wil tot hij een nieuwe woning heeft. [hulpverlener] ziet een gezonde en liefdevolle interactie tussen de vader en de kinderen, waarbij vooral [de minderjarige 2] snel nabijheid zoekt. Het contact doet de kinderen goed. [de minderjarige 1] is sinds er structurele omgang is rustiger thuis, en [de minderjarige 2] verheugt zich op de omgang met de vader en komt blij terug. Daarom is de GI van mening dat het noodzakelijk is om een passende en haalbare omgang vast te leggen waar het gezin op kan terugvallen. De vader durft ook steeds meer zijn rol als opvoeder te pakken en is ook blij met het herstelde contact.
Er is omgang op dinsdag en donderdag geweest, maar dit wordt moeilijker als [de minderjarige 1] naar de middelbare school gaat en als de vader weer werk vindt. Daarom zijn de ouders samen uitgekomen op omgang op de zondag. De vader heeft echter aangegeven dat hij niet weet hoe hij de zondag moet invullen. Hij vindt het lastig beide kinderen tegelijk te hebben. Hij wil hen namelijk graag aandacht geven en voelde zich in het verleden overvraagd. Wel wil hij graag beide kinderen elke week zien.
De GI is zich ervan bewust dat het moeilijk is een omgang vast te leggen die nog in ontwikkeling is. Aan de andere kant wil de GI de kinderen en de ouders voor het afsluiten van de ondertoezichtstelling houvast geven waarop zij kunnen voortborduren. Aan de invulling van de omgang kan worden gewerkt met de hulpverlening, die ook na het afsluiten van de ondertoezichtstelling betrokken blijft. De GI is voornemens af te schalen naar het vrijwillige kader, zodat de ouders zelf de regie over de omgang hebben. Beide ouders gaan de hulpverlening aan en weten elkaar nu te vinden voor afstemming over de omgangsmomenten. Als het minder goed loopt tussen de ouders, is het noodzakelijk dat er een minimale omgangsregeling is vastgesteld.
3.3.
Op de zitting is namens de GI aanvullend naar voren gebracht dat de verzochte omgangsregeling minimaal is, omdat het van belang is de vader niet te overvragen. Het is nu nog onduidelijk hoe de regeling in de praktijk zal lopen. De ouders zijn wel in staat zo nodig met elkaar te overleggen

4.De standpunten

4.1.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de kinderen graag duidelijkheid willen over wanneer zij hun vader zien.
4.2.
De moeder is van mening dat er een omgangsregeling moet worden vastgesteld, zodat in elk geval vaststaat dat de vader en de kinderen elkaar eens in de week zien. De vader wil beide kinderen ook elke week zien. Omdat [de minderjarige 1] na de zomer van 2025 naar de middelbare school gaat, is omgang op de dinsdag en/of de donderdag niet meer mogelijk. Dat de kinderen ook vakanties bij de vader doorbrengen, is volgens haar niet haalbaar.
De vader heeft haar aangegeven dat hij niet weet of hij weer aan het werk zal gaan. Daarnaast zegt hij al vier jaar dat hij een nieuwe woning zal zoeken, maar is daar nog steeds geen zicht op.
4.3.
De mening van de vader is onbekend. Uit de stukken en wat de GI en de moeder op de zitting naar voren hebben gebracht, blijkt dat de vader wel wekelijks contact wil met de kinderen, maar dat het belangrijk is hem hierin niet te overvragen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter beoordeelt of het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. De vader is lang wisselend geweest in zijn contact met hen. Hierdoor heeft de omgang lang stilgelegen en zijn de kinderen vaak teleurgesteld. Sinds kort is het contact weer opgestart. Gebleken is dat dit contact goed verloopt en liefdevol is en dat zowel de kinderen als de vader hier baat bij hebben.
Verder is naar voren gekomen dat er in de omgang niet teveel van de vader verwacht kan worden, omdat hij anders wordt overvraagd. Daarom acht de kinderrechter het in het belang van de kinderen om een minimale omgangsregeling vast te stellen. De ouders kunnen op deze regeling terugvallen als het, met ondersteuning van de hulpverlening van [hulpverlener] , niet lukt om de omgang uit te breiden. De kinderrechter zal dan ook de regeling vaststellen zoals de GI heeft verzocht. In principe zal de omgang plaatsvinden op zondag van 11.00 uur tot 15.00 uur, maar het staat de ouders vrij in onderling overleg te bepalen dat dit op een andere dag zal plaatsvinden. De duur van het contact zalin elk geval vier uur aaneengesloten zijn.
De kinderrechter merkt daarbij wel op dat het aan de moeder is om in te schatten of het in het belang van de kinderen is om erop te staan dat de vader een gemist omgangsmoment inhaalt, dit in verband met zijn draagkracht.
5.2.
De kinderrechter overweegt verder dat de ondertoezichtstelling binnenkort eindigt. De kinderrechter wijst er echter op dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat een omgangsregeling in het kader van 1:265g van het Burgerlijk Wetboek van kracht blijft nadat de ondertoezichtstelling is geëindigd. Dit is ook de insteek gebleken van de GI en de moeder.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de kinderen:
- dat zij wekelijks omgang hebben op zondag van 11.00 uur tot 15.00 uur, of in onderling overleg tussen de ouders op een andere dag in elk geval aaneengesloten vier uur;
- als de wekelijkse omgang op zondag in de vakanties geen doorgang kan hebben vanwege verblijf van de kinderen elders, de gemiste omgangsmomenten zullen worden ingehaald. De ouders stemmen zelf een dag en tijd af. De moeder zal inschatten of het in het belang van de kinderen is om erop te staan dat de vader het gemiste omgangsmoment inhaalt;
- dat de omgang plaatsvindt op een neutrale locatie, niet bij de vader thuis;
- wanneer de vader de omgang toch bij hem thuis wil laten plaatsvinden, zal de hulpverlening de opstart daarvan begeleiden;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 door mr. F.W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Alexander als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.