Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst per 30 april 2024 zou eindigen. Eiser stelde echter dat mondeling was afgesproken dat de einddatum 31 mei 2024 zou zijn en vorderde loonbetaling over mei 2024.
De kantonrechter stelde vast dat de schriftelijke overeenkomst leidend is en dat eiser onvoldoende concrete onderbouwing gaf voor een afwijkende mondelinge afspraak. Daarnaast oordeelde de kantonrechter dat er geen mededelingsplicht voor werkgever bestond omtrent de gevolgen voor de WW-uitkering bij ondertekening na 1 april 2024.
Eiser had voldoende bedenktijd en gelegenheid tot juridisch advies, en zijn beroep op dwaling werd daarom verworpen. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.