H&H FINANCIËLE PLANNING VOORBURG B.V. en [gedaagde] waren partners in een samenwerking die in 2018 begon en in september 2020 eindigde. H&H vorderde betaling van kosten die tijdens de samenwerking waren gemaakt, terwijl [gedaagde] stelde dat H&H hem nog geld verschuldigd was en vorderde vergoeding voor overgenomen klanten die hij had ingebracht.
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] aan H&H een bedrag van €18.075,27 plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten moest betalen. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat H&H gehouden is de waarde van het door [gedaagde] ingebracht klantenbestand en verzekeringsportefeuille te vergoeden, maar omdat de waarde niet kon worden vastgesteld, werd verwezen naar een schadestaatprocedure.
Verder werd geoordeeld dat H&H onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van [gedaagde] aan te schrijven na het einde van de samenwerking, wat schade veroorzaakte die eveneens vergoed moet worden. [Gedaagde] kon het deskundigenonderzoek niet betalen vanwege financiële problemen en het ontbreken van een advocaat belemmerde zijn proceshandelingen niet.
De rechtbank wees de vorderingen van [gedaagde] tot omzetschade af wegens gebrek aan bewijs, maar erkende zijn recht op vergoeding van de waarde van het klantenbestand en de verzekeringsportefeuille. Beide partijen werden veroordeeld in proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.