ECLI:NL:RBNHO:2025:15944

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/15/372760 / KG ZA 25-780
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over beëindiging maatschap en toegang tot advocatenkantoor

Partijen zijn vennoten in een maatschap waarin een advocatenpraktijk wordt uitgeoefend. Eind november 2025 zegden de meerderheid van de vennoten de samenwerking met eiser op, met ingang van 1 januari 2026, en verboden hem het kantoor te betreden. Eiser vorderde in kort geding onbelemmerde toegang en voortzetting van zijn praktijk.

De maatschapsovereenkomst bepaalt dat opzegging schriftelijk en met een termijn van zes maanden tegen het einde van het kalenderjaar moet plaatsvinden, tenzij overwegende belangen een afwijking rechtvaardigen. De opzeggers stelden dat de samenwerking onherstelbaar was verstoord en dat er compliance- en integriteitsrisico’s waren, waardoor een verkorte opzegtermijn gerechtvaardigd was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat opzegging door meerderheid mogelijk is, maar dat de opzegging niet in strijd mag zijn met redelijkheid en billijkheid. De opzeggers hadden het bemiddelingstraject geen reële kans gegeven en onvoldoende onderbouwd waarom de drastische stappen noodzakelijk waren. De rechter achtte de aanpak onaanvaardbaar gezien de lange samenwerking van 32 jaar.

De voorzieningenrechter gebiedt de opzeggers eiser onbelemmerde toegang tot het kantoor te verlenen en zijn praktijk voort te laten zetten onder voorwaarden, met een traject gericht op ordentelijke afbouw van de maatschapsband binnen een jaar. Tevens worden dwangsommen opgelegd en proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: De voorzieningenrechter gebiedt de opzeggers eiser onbelemmerde toegang tot het kantoor te verlenen en zijn advocatenpraktijk voort te laten zetten onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/372760 / KG ZA 25-780
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
te [plaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats 3],
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 4],
3.
[gedaagde 3] B.V.,
te [plaats 4],
4.
[gedaagde 4] B.V.,
te [plaats 1],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de opzeggers,
advocaten: mrs. J.H. Lemstra en J.M. Blanco Fernández.
De zaak in het kort
Partijen zijn vennoten in een maatschap waarin de advocatenpraktijk wordt uitgeoefend. Eind november 2025 hebben gedaagden de samenwerking met eiser opgezegd tegen 1 januari 2026 en hem verboden het kantoor na die datum nog te betreden. In deze kortgedingprocedure vordert eiser gedaagden te veroordelen om hem in staat te stellen zijn advocatenpraktijk onder de naam [bedrijf 1] ongestoord voort te kunnen zetten en hem de onbelemmerde toegang tot het kantoor te blijven verlenen.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe, onder beperkingen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7
- het verwijzingsvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 15 december 2025
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 48
- de aanvullende producties 8 t/m 15 van [eisers]
- de door de voorzieningenrechter opgevraagde informatie over de SPR van de opzeggers
- de mondelinge behandeling van 22 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [betrokkene 6] namens [eisers]
- de pleitnota van [betrokkene 5] namens de opzeggers.
1.2.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- [betrokkene 6] voornoemd
- de opzeggers: [gedaagde 1], [gedaagde 2] (via telefoonverbinding), [gedaagde 3] en [gedaagde 4], bijgestaan door mrs. Lemstra, Blanco Fernández voornoemd en I.E. Samuels.
Tevens zijn verschenen:
- [betrokkene 1] (vennoot van de maatschap)
- [betrokkene 2] (beoogd toetredend vennoot bij de maatschap per 1 januari 2026)
- [betrokkene 3] (kantoordirecteur)
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] is sinds 1988 als advocaat werkzaam op het kantoor van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Sinds 1994 is [eisers] vennoot van de maatschap [bedrijf 1] (hierna ook: de Maatschap).
2.2.
De Maatschap bestaat op dit moment uit zes vennoten: [eisers], de opzeggers en de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. met als bestuurder [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1])
2.3.
Op 8 oktober 2024 hebben de vennoten van de maatschap een herziene maatschapsovereenkomst gesloten waarbij alle eerdere maatschapsovereenkomsten zijn komen te vervallen (hierna: de maatschapsovereenkomst).
2.4.
In de maatschapsovereenkomst staat, voor zover van belang:
Bestuur, beheer en vertegenwoordiging
6.4.
Iedere vennoot is bevoegd om namens de maatschap beheerhandelingen te verrichten.
6.5.
Tot het namens de maatschap verrichten van niet-beheer handelingen zijn uitsluitend de gezamenlijke vennoten bevoegd.
Defungeren van een vennoot
Artikel 9.
9.1
Onverminderd hetgeen de wet ter zake bepaalt, eindigt de maatschap:
a) door de opzegging van de maatschap door of aan een Vennoot.
(...)
9.2
In geval de maatschap door of aan een Vennoot is opgezegd, eindigt de maatschap
uitsluitend ten aanzien van die vennoot en wel met ingang van de dag volgend op die waartegen de maatschap is opgezegd.
9.3
Opzegging van de maatschap geschiedt schriftelijk, uitsluitend tegen het einde van een kalenderjaar en met inachtneming van een termijn van ten minste 6 maanden, tenzij gezien overwegende belangen van de maatschap, respectievelijk van de betrokken Vennoot, de tijdsduur tussen opzegging en uittreden aldus kennelijk onredelijk kort of lang is, in welk geval wordt opgezegd met inachtneming van een termijn en tegen de dag als gezien die belangen redelijk is.
(...)
9.5
Indien de maatschap eindigt op één der wijzen als vermeld in artikel 9.1. onder a (…) en de maatschap door de overblijvende Vennoten wordt voortgezet, is het de Vennoot ten aanzien van wie de maatschappij is geëindigd gedurende een jaar niet toegestaan juridische werkzaamheden, hoe ook genaamd of waaruit dan ook bestaande, hetzij tegen betaling, hetzij om niet, te verrichten voor of ten behoeve van relaties van de maatschap en/of ten behoeve van aan dezen gelieerde ondernemingen, alsook om een samenwerking aan te gaan met (voormalige) werknemers van de maatschap. (...)
Artikel 12
Alle geschillen voortvloeiende uit deze overeenkomst of de uitvoering daarvan tussen twee of meer Vennoten dan wel tussen de maatschap en haar (gewezen) Vennoten (. ..) zullen worden onderworpen aan het oordeel terzake van drie door de betrokken partijen daartoe gezamenlijk te noemen arbiters, of, indien zij daaraan de voorkeur geven, van een enkele arbiter. Indien tussen paftijen geen overeenstemming wordt bereikt over de persoon van de arbiter(s) binnen een maand nadat een partij te kennen heeft gegeven een geschil aanwezig te achten, zal (zullen) deze op verzoek van de meest gerede partij worden aangewezen door de Deken van Orde van Advocaten te 's-Gravenhage. (...)
2.5.
Tussen enerzijds [eisers], anderzijds de opzeggers, zijn de verhoudingen geleidelijk aan verslechterd. In de conclusie van antwoord wordt dat proces, samengevat, als volgt beschreven:
Na het vertrek van wat oudere vennoten kende de maatschap vanaf 2019 een nieuwe samenstelling. Dit leidde tot een veranderde dynamiek en zorgde voor de nodige spanningen binnen het samenwerkingsverband. Diverse medewerkers ondervonden problemen in de communicatie met [eisers]. De opzeggers onderkennen dat [eisers] door de jaren heen een grote (financiële) bijdrage aan de maatschap heeft geleverd. Vanaf 2020 trad [eisers] via zijn holdingvennootschap [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]) ook steeds vaker op als adviseur in financiële dienstverlening en vastgoedontwikkeling.
In de periode van eind 2023 tot eind mei 2024 was [eisers] afwezig vanwege een burn-out. Na zijn terugkeer ontstonden (opnieuw) problemen in de samenwerking, met name met de jongere vennoten en de kantoordirecteur; de communicatie tussen [eisers] en de kantoordirecteur stokte, [eisers] trad solistisch op in het kader van een kapitaalpositie en verschillende vennoten gaven aan spanningen in de samenwerking en gevoelens van onveiligheid te ervaren. In 2024 en 2025 deden zich twee compliance incidenten voor. [eisers] verzocht de accountant om de omzet van [bedrijf 3] mee te nemen in de Vision Planner waardoor financiële gegevens van [bedrijf 1] beïnvloed zouden worden door niet-advocatuurlijke werkzaamheden en [eisers] drong er bij een senior medewerker op aan dat hij optrad tegen een kantoorcliënt, die door tussenkomst van [eisers] een financiering had gekregen vanuit het netwerk dat [eisers] via [bedrijf 3] bediende. Op 10 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enkele vennoten en [eisers] waarin hij geconfronteerd werd met de moeilijkheden die de maten ervaarden in de samenwerking.
2.6.
Om dit probleem te adresseren heeft de Maatschap op 15 oktober 2025 besloten een bemiddelingstraject te starten. Daartoe is opdracht gegeven aan de oud-Deken van de Orde van Advocaten in Amsterdam, [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]). Deze heeft in zijn opdrachtbevestiging onder meer het volgende laten weten:
“Ik ben graag bereid om de opdracht van de maatschap te aanvaarden om te onderzoeken
wat de beste route is om te komen tot een aanvaardbare oplossing van de kwesties die
binnen de maatschap van jullie kantoor spelen. Moet dat mediation zijn, bemiddeling,
onafhankelijk en onpartijdig voorzitten van een of meer maatschapsvergaderingen,
bindend of niet- bindend advies? We kwamen er op uit dat ik pas een antwoord op deze
vraag kan geven na een inventariserend onderzoek. Dat onderzoek bestaat uit het houden
van interviews met alle leden van de maatschap (...)
In de reeks gesprekken zullen de onderstaande vragen (...) aan de orde komen en wat
verder nog relevant lijkt.
  • i)
  • ii)
  • iii)
mogelijkheid van een senior partnerregeling.”
Deze vragen waren door de Maatschap aangereikt. [betrokkene 4] heeft met ieder van de zes vennoten het inleidende gesprek gevoerd.
2.7.
Vanaf oktober 2025 heeft [gedaagde 4] overleg gevoerd met [eisers] over een Senior Partner Regeling (hierna: SPR). De SPR zou – kort gezegd – inhouden dat [eisers] met ingang van 1 januari 2026 stille vennoot van de Maatschap zou worden en zich niet meer zou bemoeien met de besluitvorming.
2.8.
In een e-mail van 5 november 2025 heeft [betrokkene 3] voornoemd aan [eisers] (en [betrokkene 1]) laten weten dat hij een dagelijks groeiend gevoel van onveiligheid ervaart.
2.9.
In een e-mail van 11 november 2025 heeft [betrokkene 2], die met instemming van de Maatschap aankoerste op toetreding tot de Maatschap per 1 januari 2026, zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en bericht dat hij hoopte dat op korte termijn een duurzame oplossing zou zijn bereikt voor het ontstane conflict binnen de maatschap. Op 18 november 2025 heeft [betrokkene 2] vervolgens laten weten dat hij vóór 21 november 2025 een definitieve oplossing wilde zien en toetreding daarvan afhankelijk maakte.
2.10.
De opzeggers hebben in een intern overleg, waarbij [eisers] niet aanwezig was, afgesproken dat [eisers] de SPR kon aanvaarden tot 19 november om 10:00 uur waarna het aanbod zou komen te vervallen. Deze termijn is door [gedaagde 4] aan [eisers] kenbaar gemaakt in een WhatsAppbericht van 19 november 2025 om 02:45 uur.
2.11.
In een bericht van 24 november 2025 heeft [eisers] aan [gedaagde 4] laten weten dat hij instemt met het voorstel voor een SPR.
2.12.
In een op 25 november 2025 zonder verdere uitleg aan [eisers] overhandigde brief hebben de opzeggers aan [eisers] de samenwerking c.q. Maatschap opgezegd tegen 1 januari 2026. De brief vermeldt dat de samenwerking structureel is vastgelopen en dat er geen vertrouwen meer is in herstel op korte of lange termijn. Het gedrag van [eisers] wordt door de opzeggers ervaren als dominant, onvoorspelbaar en sociaal onveilig. Als redenen voor de opzegging worden verder genoemd: de spanningen/onrust binnen kantoor, geen voortgang op onderwerpen die voor de toekomst van kantoor essentieel zijn, de onstabiele besluitvorming, het niet tijdig accepteren van de SPR-regeling en de omstandigheid dat [betrokkene 2] heeft aangegeven dat zij toetreding tot de Maatschap afhankelijk is van herstel van rust en duidelijkheid binnen de Maatschap vóór 21 november 2025. In de brief is [eisers] dringend verzocht vanaf 1 januari 2026 niet meer onaangekondigd op het kantoor van [bedrijf 1] te komen.
2.13.
Diezelfde dag, binnen één uur nadat [eisers] de opzeggingsbrief had ontvangen, hebben de opzeggers aan de medewerkers van [bedrijf 1] de volgende e-mail gestuurd:
Beste collega's, hierbij informeer ik jullie dat [eiser 2] met ingang van 1 januari 2026 het kantoor zalverlaten. We zijn dankbaar voor hetgeen [eiser 2] in de afgelopen decennia voor ons kantoor heeft betekend en willen graag op passende wijze afscheid van hem nemen. Over dit
afscheid wordt later meer bekendgemaakt. Wij staan in contact met [eiser 2] over de praktische afwikkeling.
2.14.
[eisers] heeft zeer emotioneel op de opzegging gereageerd, onder meer door zich tegenover medewerkers op kantoor in afkeurende bewoordingen over de opzeggers uit te laten.
2.15.
De opzegging van de Maatschap aan [eisers] is op de agenda gezet voor de vergadering van 11 december 2025. Voorafgaand aan deze vergadering heeft [eisers] in een e-mail aan de vennoten zijn overwegingen over de opzegging uiteengezet. Het besluit is met vier stemmen vóór aangenomen.
2.16.
Op 16 december 2025 heeft [betrokkene 2] een e-mail aan [eisers] gestuurd (met cc aan de overige vennoten, de kantoordirecteur, [betrokkene 5] en [betrokkene 6]) waarin hij reageert op de ontstane situatie. Verder geeft [betrokkene 2] aan dat als de door [eisers] in kort geding gevraagde voorzieningen worden toegewezen hij niet (langer) wil toetreden in de Maatschap, omdat er dan te veel onzekerheid is over het voortbestaan van de Maatschap en kantoor.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert, samengevat:
I. a. de opzeggers te verbieden om [eisers] de ongestoorde toegang tot het kantoor van [bedrijf 1] te belemmeren;
b. de opzeggers te verbieden [eisers] te beperken in de ongestoorde uitoefening van zijn advocatenpraktijk binnen [bedrijf 1];
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van deze verboden met een maximum van € 250.000,-;
II. de opzeggers te gebieden het bemiddelingstraject bij [betrokkene 4] conform de opdrachtbrief van 15 oktober 2025 te continueren;
III. de opzeggers te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na dagtekening van dit vonnis.
3.2.
[eisers] stelt dat de opzegging geen rechtsgevolg heeft, omdat een besluit van de Maatschap ontbreekt. Als de opzeggingsbrief als een opzegging zou moeten worden gezien, dan treedt het door de opzeggers beoogde rechtsgevolg niet in. Opzegging van de Maatschap kan op grond van de maatschapsovereenkomst uitsluitend tegen het einde van het kalenderjaar met inachtneming van een termijn van tenminste zes maanden. Geen sprake is van overwegende belangen van de Maatschap die een kortere opzegtermijn rechtvaardigen. De redelijkheid en billijkheid vereisen dat het bemiddelingstraject een reële kans wordt gegeven en dat bij de opzegging rekening wordt gehouden met de duur van de samenwerking van meer dan 30 jaar.
3.3.
De opzeggers voeren verweer. Zij voeren aan dat het besluit tot opzegging met meerderheid van stemmen kon worden genomen en dat ook geen vergadering vereist was voor een rechtsgeldig besluit. De opzeggers betogen dat sprake is van zwaarwegende belangen van de maatschap die een verkorte opzegtermijn rechtvaardigen, omdat de samenwerking binnen de maatschap structureel is ontwricht en zich concrete en reële compliance- en integriteitsrisico’s manifesteerden. Deze risico’s noopten tot ingrijpen en vormden een directe bedreiging voor de continuïteit en reputatie van het kantoor. Zij wijzen er ook op dat [eisers] in 2020 al heeft gezegd dat hij in 2022 weg zou gaan en later ook heeft gezegd “als de overige maten vinden dat ik weg moet, dan ga ik weg”. Wanneer vier van de vijf overige vennoten dan in juli 2025 zeggen dat het moment is aangebroken, dat moet die opzegging ook kunnen worden geëffectueerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Formeel
4.1.
In artikel 9.1 sub a van de onderhavige vennootschapsovereenkomst is bepaald dat de Maatschap aan een vennoot kan opzeggen. Het gevolg van die opzegging is dat de Maatschap uitsluitend eindigt ten aanzien van de vennoot aan wie is opgezegd.
Uit HR, 13 juni 1969, NJ 1969, 384 (Warderink Vinke) volgt dat een dergelijk beding voor haar geldigheid niet de opzeggingsgronden behoeft te specificeren. Ook behoeft bij de opzegging geen reden te worden opgegeven. De opzegging mag echter niet in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die de vennoten jegens elkaar in acht hebben te nemen.
4.2.
De opzegging heeft hier - in tweede instantie, in een maatschapsvergadering - plaatsgevonden doordat vier van de vijf overblijvende vennoten de samenwerking met [eisers] (opnieuw, ditmaal na kennisneming van de opvattingen daaromtrent van [eisers]) hebben opgezegd. [eisers] heeft betoogd dat voor een dergelijk opzeggingsbesluit unanimiteit is vereist. De voorzieningenrechter deelt die opvatting niet. Het zou de slagvaardigheid van de maatschap in turbulente tijden te zeer beperken en nopen tot de drastische koers doordat de meerderheid dan zou worden gedwongen haar toevlucht te nemen tot collectieve opzegging aan de Maatschap, die wel tot ontbinding en daarmee tot vereffeningsnoodzaak zou leiden. Een redelijke(r) uitleg van de overeenkomst brengt dan ook mee dat in gevallen waarin de overige maten in meerderheid van opvatting zijn dat voorzetting van de samenwerking met de vennoot aan wie is opgezegd geen begaanbare weg is, de mogelijkheid van opzegging aan die vennoot open moet staan.
4.3.
Deze rechtsopvatting brengt mee dat in de in de overeenkomst voorgeschreven arbitrageprocedure de vraag centraal staat of die opzegging en de daardoor teweeggebrachte gevolgen - die afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden van het geval en door maatwerk op allerlei wijzen kunnen worden gemitigeerd - blijven binnen de door de redelijkheid en billijkheid gestelde grenzen.
Deze vraag staat daarmee ook in dit kort geding centraal.
Materieel
4.4.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter bij de betrokkenen geïnformeerd naar hun ervaringen en bevindingen wat betreft de ontstane verstoring van samenwerking tussen de [eisers] en de opzeggers, om een beter beeld te kunnen krijgen van de situatie. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben zich (onder meer) omtrent hun ervaringen met [eisers] uitgelaten en daarbij antwoord gegeven op door de voorzieningenrechter gestelde vragen.
4.5.
[gedaagde 1] heeft verklaard dat in juli 2025 al tegen [eisers] is gezegd dat de samenwerking onherstelbaar was beschadigd. Het vertrouwen was volledig weg en het was vooral op verzoek van [betrokkene 1] dat is besloten nog te onderzoeken of de verhoudingen zo ernstig waren verstoord dat herstel niet meer mogelijk was. Het bemiddelingstraject van [betrokkene 4] moet meer gezien worden als scheidingsbemiddeling dan als relatietherapie.
De sfeer is sinds september verder verslechterd; in oktober 2025 konden vergaderingen niet meer doorgaan. Het bestuur van de maatschap werd vleugellam. Na inzet van [betrokkene 4] deden zich opnieuw incidenten voor, waarbij de SPR ook niet van de grond kwam. Toen hebben de opzeggers met elkaar besloten dat het niet meer gaat goedkomen en dat het niet zinvol is om nog langer de schijn op te houden dat dit wel zou kunnen gebeuren.
4.6.
[gedaagde 2] heeft, ondersteund door [gedaagde 3], aangegeven het niet meer vol te houden en knettergek te worden van [eisers]. Elke dag dat [eisers] langer verbonden is aan kantoor is voor hem reden om te vertrekken. Het vertrouwen is weg. Het kantoorbelang heeft voor [gedaagde 2] geleid tot het zetten van de stap tot opzegging aan [eisers]. Als [gedaagde 2] gedwongen wordt in een samenwerking met [eisers] door te gaan, dan zal hij zelf vertrekken.
4.7.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij het door de anderen geschetste beeld niet herkent en hun verklaringen zwaar overtrokken vindt. Het besluit tot opzegging kwam voor (ook) [betrokkene 1] volkomen onverwachts. Dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aangaven dat de samenwerking voor hen onmogelijk was geworden kwam destijds als een totale verrassing. Zoiets moet bespreekbaar worden gesteld, maar dat is tot op de dag van vandaag niet gebeurd. Het enige wat gedaan is, is de opdrachtverstrekking aan [betrokkene 4]. [eisers] wordt sociale onveiligheid verweten, maar die is veeleer ontstaan door de wijze waarop (tijdens kantooruren) is opgezegd. De wijze waarop [eisers] zich manifesteert wordt onder de overige medewerkers (niet-vennoten) niet als problematisch ervaren. Die ervaren de manier waarop de Maatschap met [eisers] omgaat als problematisch.
4.8.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij al anderhalf jaar toewerkt naar zijn toetreding tot de maatschap. De samenwerking ligt helemaal in duigen. Toen [betrokkene 2] in 2020 bij het kantoor kwam had [eisers] een e-mail gestuurd binnen kantoor dat hij zijn carrière zou gaan afbouwen. [eisers] heeft relaties overgedragen aan [betrokkene 2] en dat was een mooie kans. In de zomer van 2025 merkte [betrokkene 2] dat de relatie van [eisers] met de Maatschap niet lekker liep, dat was tot die tijd voor hem niet duidelijk. [betrokkene 2] werd daarna bekend met het traject met [betrokkene 4] en de SPR. Dit maakte zijn toetreding onzeker, omdat [betrokkene 2] niet kan leven met de gedachte dat [eisers] na 1 januari 2026 nog op kantoor rondloopt. Hij heeft inmiddels zijn toetreding afhankelijk gemaakt van de opzegging aan [eisers] en herkent zich niet in het beeld zoals door [betrokkene 1] geschetst.
4.9.
De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting voorgehouden dat het belang van [eisers] niet alleen betreft de voorzetting van de mogelijkheid om de advocatuur uit te oefenen en cliënten te bedienen, het ziet ook op voorkoming van het diffamerende beeld dat hij er door de maatschap op een termijn van drie weken is uitgezet. Dat is een belang dat gelet op de duur van het verblijf van [eisers] binnen dit maatschapsverband het nodige gewicht behoort te krijgen en dat bij de door de maatschap voorgestane wijze van vertrek in de verdrukking dreigt te komen.
4.10.
Dit is vervolgens aanleiding geweest voor schorsing van de zitting waarna de opzeggers zich op de gang hebben beraden en, in overleg met mr. Van Borsboom, de ruimte voor oplossingen die rechtdoen aan de betrokken belangen hebben verkend.
Dat heeft geleid tot de volgende terugkoppeling.
Terugkoppeling
4.11.
De opzeggers hebben als compromis voorgesteld dat [eisers] het kantoor zowel intern als extern op 1 juli 2026 zal verlaten. In de tussentijd kan [eisers] zijn praktijk voortzetten onder de naam van [bedrijf 1], met herbevestiging van compliance afspraken.
Als voorwaarde geldt dat [eisers] zijn praktijk niet voert binnen de kantoormuren, met dien verstande dat hij één dag per week vergaderfaciliteiten van [bedrijf 1] kan gebruiken.
De juridische opzegging wordt verschoven naar 1 februari 2026, zodat partijen in de tussentijd een gesprek kunnen voeren over het juridisch en financieel ontvlechten van de maatschapsband. Tot 1 februari 2026 zal [eisers] geen betrokkenheid hebben bij maatschapsbesluiten en om conflicten te voorkomen zal ieder contact verlopen via de voorzitter van de maatschap. Deze punten zullen in een gesprek op 23 of 24 december 2025 aan [eisers] worden toegelicht, waarbij de tien punten worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
4.12.
[betrokkene 6] heeft aangegeven dat het niet haalbaar is om op de voorgestelde wijze – vóór de kerstdagen en zonder ruimte voor overleg – een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Hij heeft met [eisers] gesproken en er lijkt een bereidheid te zijn om afspraken te maken die moeten leiden tot beëindiging van de samenwerking per eind 2026. Tot die tijd zal [eisers] geen actief lid zijn van de maatschap, in de geest van de SPR. [eisers] is ook bereid af te spreken dat hij niet bij medewerkers zal binnenlopen op kantoor, maar wenst zijn advocatenpraktijk wel vanuit kantoor te blijven uitoefenen, zodat hij ook met medewerkers kan overleggen over lopende zaken.
Beoordeling
4.13.
Partijen hadden een bemiddelingstraject afgesproken. De opzeggers hebben dit traject echter geen reële kans gegeven. [betrokkene 4] heeft immers niet meer kunnen doen dan met alle vennoten een inleidend gesprek voeren.
4.14.
De opzeggers hebben ook niet goed kunnen uitleggen wat er sinds de opdrachtverlening aan [betrokkene 4] is voorgevallen dat de veel krassere aanpak nu begrijpelijk zou kunnen maken. De voorzieningenrechter blijft bij zijn indruk dat de opstelling van [betrokkene 2], al dan niet met de maatschap afgestemd, een belangrijke reden is geweest om het tempo waarin op slaking van de maatschappelijke band wordt aangestuurd aanzienlijk op te voeren.
De voorzieningenrechter acht het begrijpelijk dat wordt gehecht aan het belang om een goede advocaat als vennoot in de maatschap te kunnen opnemen, maar dit belang mag niet prevaleren boven het belang om een oude maat op ordelijke wijze te laten uittreden.
Dat geldt temeer nu het de opzeggers na de brieven van [eisers] van 11 december 2025 en van [betrokkene 2] van 16 december 2025 duidelijk moet zijn geweest dat hier mogelijk sprake was van misverstanden en in ieder geval van een toetreder die in directe concurrentie trad met een zittende maat voor een plekje in de maatschap. De managing partner had in dit gegeven aanleiding moeten zien om met beiden overleg te voeren om te zien of er een arrangement denkbaar was waarin aan beide belangen op verantwoorde wijze recht kan worden gedaan. De genoemde brief van [eisers] van 11 december 2025 bood onder punt 6 voldoende handreiking om dit te onderzoeken. Van die handreiking is geen gebruik gemaakt.
4.15.
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] moeite hebben met de aanwezigheid van [eisers] (op de huidige voet), maar daarmee is nog niet gezegd dat die aanwezigheid de zeer stevige kwalificaties in de conclusie van antwoord rechtvaardigen. Het door [betrokkene 1] – maat en generatiegenoot – geschetste beeld van [eisers] en van de situatie binnen de maatschap verdient niet per sé minder geloof dan het beeld wat daarvan in de conclusie van antwoord wordt geschetst. Het eenzijdig negatieve karakter daarvan heeft een iets te hoog karaktermoord gehalte om geloofwaardig te zijn.
4.16.
Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de drastische stappen die de opzeggers voorstaan zonder dat daaraan een behoorlijk onderzoek door een onpartijdige buitenstaander is voorafgegaan, veel te ver gaan.
Dat geldt ook als het niet nemen van die stappen leidt tot het vertrek van de vennootschapsdirecteur en de niet-toetreding van [betrokkene 2].
Dat zou wellicht anders zijn wanneer het de uitstoting van een vennoot zou betreffen die niet meer dan een paar jaar tot de Maatschap heeft behoord, maar waar het gaat om een vennoot met een (naar onweersproken is gebleven: zeer productief) verleden in de Maatschap van 32 jaar is de gekozen aanpak onaanvaardbaar.
Zijn er interventies door de voorzieningenrechter nodig, en zo ja welke?
4.17.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie binnen de Maatschap zodanig is dat er veel te zeggen valt voor een traject dat erop is gericht om, aansluitend bij de leeftijd en de ambities van [eisers] te komen tot afbouw van de maatschapsband tussen [eisers] en [bedrijf 1]
op termijn.[eisers] lijkt dat zelf ook te beseffen.
Dat traject moet voorzien in een uitwerking van afspraken omtrent het gebruik van naam en faciliteiten van de Maatschap (waaronder ook kantoorruimte en de inschakeling van medewerkers) door [eisers] gedurende dat jaar, op zodanige wijze en afstand dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • het eindpunt is het geheel uittreden van [eisers] uit de maatschap
  • het traject moet getrokken worden door [betrokkene 4] of, indien deze weigert of niet beschikbaar is, door een andere door de opzeggers voor te stellen bemiddelaar die het vertrouwen van [eisers] heeft,
  • met een aanpak die:
o geschikt is om op korte termijn het vertrouwen van de diverse betrokkenen in de effectiviteit van het bestuur en de veiligheid van het werkklimaat binnen [bedrijf 1] te herstellen;
o recht doet aan de professionele standaarden en behoeften van [eisers] als advocaat en de eventuele wens tot voortzetting van zijn praktijk op een andere voet c.q. locatie;
o recht doet aan het streven naar een respectvol afscheid – op termijn – van [eisers] als advocaat die werkzaam is onder de naam [bedrijf 1].
De voorziening zal dienovereenkomstig worden gegeven.
4.18.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.19.
De opzeggers zijn overwegend in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
131,20
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.130,20
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt de opzeggers om [eisers] op welke manier dan ook de ongestoorde toegang tot het kantoor van [bedrijf 1] te belemmeren,
5.2.
verbiedt de opzeggers om [eisers] op enigerlei wijze te beperken in de ongestoorde uitoefening van zijn advocatenpraktijk binnen [bedrijf 1],
5.3.
veroordeelt de opzeggers om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,
5.4.
bepaalt dat deze veroordeling sub 5.1 t/m 5.3 geldt voor een termijn van drie maanden en na die tijd alleen voortduurt indien
door toedoen van de opzeggershet hiervoor onder 4.17 omschreven traject niet is doorlopen.
5.5.
bepaalt dat [eisers] aan de veroordeling sub 5.1 t/m 5.3 alleen rechten kan ontlenen indien hij, daartoe uitgenodigd door de Maatschap, het hiervoor omschreven traject accepteert en zich constructief opstelt om te komen tot een uitwerking daarvan die voldoet aan de hiervoor omschreven voorwaarden,
5.6.
veroordeelt de opzeggers in de proceskosten van € 2.130,20, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de opzeggers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt de opzeggers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
1589