Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15905

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 8368
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet MRBArt. 22 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994Art. 35 Wet MRBArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 72 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag en boete MRB wegens gebruik geschorste auto zonder APK-keuring

Eiser gebruikte zijn geschorste auto op de openbare weg zonder dat op die dag een APK-keuring plaatsvond, waarop de Belastingdienst een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een boete oplegde. Eiser beriep zich op een vrijstelling voor ritten ten behoeve van een APK-keuring, maar de rechtbank oordeelde dat deze vrijstelling niet van toepassing was omdat de keuring niet op de dag van constatering had plaatsgevonden.

De naheffingsaanslag werd wettelijk verplicht geacht over een periode van vier aaneengesloten kwartalen, ondanks dat feitelijk slechts twee dagen gebruik was gemaakt van de weg. De rechtbank vond deze naheffing onevenredig, maar kon deze niet verminderen vanwege de wettelijke regeling zonder mogelijkheid tot tegenbewijs.

De boete werd gematigd tot nihil vanwege de geringe ernst van de overtreding en de omstandigheden van eiser, die de regels wilde naleven maar door hoge reparatiekosten niet kon voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling. Het beroep tegen de rekening MRB werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag MRB blijft in stand, de boete wordt gematigd tot nihil en het beroep tegen de rekening MRB is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 15 augustus 2024 aan eiser over het tijdvak 22 juni 2023 tot en met 21 juni 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd van € 2.412 (de naheffingsaanslag) en een boete van € 1.206 (de boetebeschikking).
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.379 en de boetebeschikking verminderd tot € 237.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 te Haarlem.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden drs. [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is sinds 2014 houder van een [automerk] , type [type] met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto is geschorst vanaf 2 maart 2023.
2. Op 11 juni 2024, omstreeks 16:30 uur, is via camerabeelden geconstateerd dat met de auto gebruikgemaakt werd van de weg op de A2, rechterzijde, ter hoogte van hectometerpaal 72.4, Vianen.
3. Met dagtekening 1 juli 2024 is aan eiser een ‘vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking’ gestuurd. Aan eiser is de gelegenheid geboden om vóór 22 juli 2024 te reageren op de vooraankondiging. Verweerder heeft de reactie op 25 juli 2024 ontvangen. Toen waren de naheffingsaanslag en boetebeschikking al aangemaakt in het systeem van verweerder. Daarom heeft verweerder de reactie in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking.
4. In de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.379. Daarnaast is de boetebeschikking in verband met de financiële omstandigheden van eiser gematigd tot € 237 (10% van de nageheven belasting).
5. Eiser heeft een rekening MRB over de periode 22 juni 2024 tot 22 september 2024 ontvangen van € 608 (de rekening MRB).

Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de rekening MRB in stand kunnen blijven. Meer specifiek is in geschil of eiser zich kan beroepen op een vrijstelling in verband met een APK-keuring (artikel 72, lid 1, aanhef en onder m, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB)).

7. Eiser betoogt dat hij met zijn geschorste auto gebruik mocht maken van de weg, omdat hij de auto voor een APK-keuring naar de garage heeft gebracht en voor ritten ten behoeve van een APK-keuring een vrijstelling van MRB geldt. Ook voert eiser aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom niets is gedaan met zijn betoog dat sprake is van een geoorloofde APK-rit. Eiser concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de rekening MRB.
8. Volgens verweerder zijn de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht opgelegd, omdat met de auto is gebruikgemaakt van de weg tijdens een schorsing van het kenteken. De vrijstelling voor de APK-keuring is niet van toepassing omdat op de dag van de constatering weggebruik geen APK-keuring heeft plaatsgevonden en eiser bovendien niet via de kortste route naar de keuringslocatie is gereden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beroep tegen de rekening MRB is niet mogelijk en dat beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Beoordeling van het geschil
De naheffingsaanslag
Wettelijk kader
9. Aan het schorsen van de tenaamstelling van een kenteken zijn voorwaarden verbonden. Eén van de voorwaarden is dat geen gebruik van de auto wordt gemaakt op de openbare weg (§ 6, Hoofdstuk IV, van de Wegenverkeerswet 1994). Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB wordt tijdens een schorsing voor dat motorrijtuig geen motorrijtuigenbelasting geheven. Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder m, van de Wet MRB en artikel 22 van Pro het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (UB) geldt een vrijstelling voor motorrijtuigenbelasting als tijdens een schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt met het oog op een te verrichten APK-keuring. Deze vrijstelling geldt “op de dag waarop dat motorrijtuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs aan een keuring wordt onderworpen” en deze wordt verleend “indien bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig op de desbetreffende dag aan een keuring zal worden onderworpen”.
10. De vraag is of eiser een geslaagd beroep op de vrijstelling voor een APK-keuring toekomt. Eiser heeft verklaard dat hij de auto die dag naar de garage heeft gereden met het oog op het laten uitvoeren van een APK-keuring. In de garage werd echter vastgesteld dat de auto eerst voor € 1.800 aan reparaties nodig had voordat goedkeuring mogelijk was. Omdat eiser die kosten niet direct kon betalen, heeft hij ervoor gekozen de APK-keuring niet diezelfde dag te laten uitvoeren. De garagehouder heeft dit ook verklaard. Daarnaast heeft eiser correspondentie met de stallingshouder overgelegd waaruit geconcludeerd kan worden dat de auto van 27 februari 2023 tot 11 juni 2024 in de stalling heeft gestaan. Eiser verklaart dat hij de auto op 12 juni 2024 weer naar de stalling heeft teruggebracht.
11. De rechtbank is van oordeel dat de APK-vrijstelling niet geldt. Vast staat namelijk dat op 11 juni 2024 weggebruik is geconstateerd en dat de auto die dag niet APK gekeurd is. De tekst van de artikelen 72 Wet MRB en 22 UB is duidelijk over het feit dat de keuringsvrijstelling uitsluitend geldt op de desbetreffende dag van de keuring. Eiser beroept zich op een vrijstelling waardoor geen MRB verschuldigd is. Omdat sprake is van een uitzondering, kan de vrijstelling enkel van toepassing zijn als aan de voorwaarden is voldaan. Zo is ook geoordeeld in andere gevallen waarin niet strikt aan de voorwaarden werd voldaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2021:11829). Dat eiser wel van plan was om de APK-keuring te laten uitvoeren is dan onvoldoende. Eiser had het kenteken (tijdelijk) kunnen ontschorsen. De rechtbank komt ook niet meer toe aan de beoordeling of aan de overige vereisten van de vrijstelling, te weten het nemen van de kortste route, is voldaan.
De hoogte van de naheffingsaanslag
12. Artikel 35, tweede lid, van de Wet MRB bepaalt dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak het tijdvak waarin gebruik is gemaakt van de weg. In het geval van eiser betreft dit de periode van 22 juni 2023 tot en met 21 juni 2024.
13. De wet bevat geen mogelijkheid van tegenbewijs, met uitzondering van het geval dat het motorrijtuig over een gedeelte van de naheffingsperiode niet op naam heeft gestaan van de houder. Dit betekent dat op grond van de Wet MRB de hoogte van de naheffingsaanslag in andere gevallen niet neerwaarts kan worden bijgesteld. Artikel 35 van Pro de Wet MRB bevat een praktische regeling die bewijsmoeilijkheden moet voorkomen waarmee de inspecteur geconfronteerd wordt wanneer men op enig moment constateert dat met een geschorst voertuig van de openbare weg gebruik is gemaakt, terwijl onduidelijk is sinds wanneer dat het geval was. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis van een vergelijkbare regel in de vervallen Wet MRB 1966 (Kamerstukken II 1965/66, 8845, nr. 3, blz. 7), die is overgenomen in artikel 35 van Pro de Wet MRB.
14. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiser, omdat een wanverhouding is ontstaan tussen het verzuim (op 11 en 12 juni 2024 gebruik maken van de openbare weg) en de gevolgen (naheffing over de periode van een jaar). Hij heeft immers ook laten zien dat de auto tussen 27 februari 2023 en 11 juni 2024 in een stalling heeft gestaan. Aldus is vast komen te staan dat de heffingsperiode aanzienlijk langer is dan de periode waarin niet aan de schorsingsvoorwaarden is voldaan. Heffing over die langere periode acht de rechtbank niet evenredig. Dit betekent echter niet dat ook de juridische ruimte bestaat om de naheffingsaanslag te verminderen. Een vermindering van de naheffingsaanslag kan immers niet worden gebaseerd op een andere uitleg van artikel 35 van Pro de Wet MRB. De bepaling is vervat in een wet in formele zin, terwijl de wetgever omstandigheden als die van eiser heeft betrokken bij de afwegingen die tot de totstandkoming van die bepaling hebben geleid (vergelijk Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973). De wetgever heeft weloverwogen gekozen voor een regeling zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Van een niet door de wetgever voorziene hardheid of ruwheid van de regeling is daarom geen sprake. Zo is ook geoordeeld door Gerechtshof Amsterdam, 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3126, r.o. 5.6.3.
De rechtbank acht zich daarom niet bevoegd de bepaling buiten toepassing te laten. Dit zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij de strikte lijn die in de jurisprudentie wordt gevolgd ten aanzien van de naheffingsperiode van vier tijdvakken (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2297 en Rechtbank Zeeland-West Brabant 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6968). De naheffingsaanslag blijft dus in stand.
De verzuimboete
15. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd (artikel 67c, Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het beboetbare feit is begaan. Eiser heeft namelijk de motorrijtuigenbelasting niet (tijdig) voldaan. Opmerking verdient verder dat voor het opleggen van de boete opzet of schuld niet vereist is. Wel moet een boete achterwege blijven bij een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas). Dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas is gesteld noch gebleken.
16. De rechtbank dient ook te beoordelen of de opgelegde boete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden passend en geboden is. Uit het hierboven overwogene volgt dat de rechtbank de naheffing onevenredig acht, omdat deze voor een jaar is opgelegd, terwijl slechts voor twee dagen in strijd met de schorsingsvoorwaarden is gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich juist aan de regels wilde houden maar dat het door de hoge reparatiekosten anders is gelopen. De rechtbank acht de ernst van de overtreding dermate gering dat deze een boete van nihil rechtvaardigt.
Motiveringsbeginsel
17. Eiser stelt dat verweerder in de uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom hij de bezwaren van eiser tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete terzijde schuift. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat op de dag van de APK-keuring naar die keuring toe mag worden gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd.
Rekening MRB
18. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat voor de periode 22 juni 2024 tot 22 september 2024 geen naheffingsaanslag is opgelegd, maar dat wel een rekening is verstuurd en dat dit moet worden gezien als een service van de Belastingdienst. Eiser heeft het bedrag nog niet betaald. De rechtbank is van oordeel dat tegen de rekening zelf geen bezwaar en beroep open staat. Eiser kan (pas) bezwaar maken binnen zes weken na betaling van de rekening (voldoening op aangifte) of na ontvangst van een naheffingsaanslag. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.
Slotsom
19. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen wordt het beroep gegrond verklaard. De naheffingsaanslag blijft in stand maar de boete wordt verminderd naar nihil.
Proceskosten en griffierecht
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel dient het griffierecht van € 51 aan eiser te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de uitspraak op bezwaar voor zover het de naheffingsaanslag betreft;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boetebeschikking betreft;
- vermindert de boete tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden; en
- verklaart het beroep voor zover dit ziet op de rekening MRB niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).