ECLI:NL:RBNHO:2025:15903

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
15/152764-23 en 18/037269-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor poging tot doodslag en wapenbezit na schietincident bij tankstation

Op 17 mei 2023 vond een schietincident plaats bij een tankstation in Landsmeer waarbij verdachte met een vuurwapen schoot in de richting van een Volkswagen met inzittenden. De rechtbank stelde op basis van camerabeelden, DNA-onderzoek en getuigenverklaringen vast dat verdachte de bestuurder van de Smart was die schoot. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen wegens gebrek aan bewijs van nauwe samenwerking met de tweede inzittende.

Verdachte werd tevens bewezen verklaard van het bezit van een vuurwapen en munitie op dezelfde dag en van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj op 5 juli 2023. De verdediging voerde noodweer aan, maar dit werd verworpen omdat geen objectief bewijs was voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval.

De rechtbank achtte verdachte volledig toerekeningsvatbaar en hield rekening met zijn leeftijd, eerdere veroordelingen en psychologisch onderzoek. Gezien de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact en de positieve ontwikkeling van verdachte, werd een jeugddetentie van 300 dagen opgelegd, waarvan 241 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf van 100 uur. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke werkstraf tenuitvoer gelegd en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie waarvan 241 voorwaardelijk en 100 uur werkstraf voor poging tot doodslag, wapenbezit en drugsbezit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/152764-23 en 18/037269-23 (tul)
Uitspraakdatum: 18 december 2025
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 4 december 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, kantoorhoudende te Almere, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord (hierna: de jeugdreclassering).
Verder was aanwezig de moeder van de verdachte.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 17 mei 2023 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een onbekend gebleven persoon (telkens) opzettelijk van het leven te beroven, samen met zijn mededader, althans alleen, een afspraak heeft/hebben gemaakt met voornoemde perso(o)n(en) en/of ter plaatse (bij de afspraak) in de auto (te weten: een Volkswagen Polo en/of voorzien van het kenteken [kenteken] ) (waarin voornoemde perso(o)n(en) zich bevonden) heeft/hebben plaatsgenomen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader (in voornoemde auto) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans met een voorwerp waarmee (een) projectiel(en) afgeschoten kunnen worden, heeft/hebben geschoten in de richting van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en) (al dan niet waardoor het raam aan de passagierszijde van voornoemde auto kapot is gegaan) en/of (vervolgens) is/zijn uitgestapt uit voornoemde auto en/of (vervolgens) (nogmaals) meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geschoten in de richting en/of in de nabijheid van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 17 mei 2023 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om twee, althans een of meerdere perso(o)n(en), te weten: [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een onbekend gebleven persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, samen met zijn mededader, althans alleen, een afspraak heeft/hebben gemaakt met voornoemde perso(o)n(en) en/of ter plaatse (bij de afspraak) in de auto (te weten: een Volkswagen Polo en/of voorzien van het kenteken [kenteken] ) (waarin voornoemde perso(o)n(en) zich bevonden) heeft/hebben plaatsgenomen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader (in voornoemde auto) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans met een voorwerp waarmee (een)projectiel(en) afgeschoten kunnen worden, heeft/hebben geschoten in de richting van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en) (al dan niet waardoor het raam aan de passagierszijde van voornoemde auto kapot is gegaan) en/of (vervolgens) is/zijn uitgestapt uit voornoemde auto en/of (vervolgens) (nogmaals) meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geschoten in de richting van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 17 mei 2023 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door: samen met zijn mededader, althans alleen, een afspraak te maken met voornoemde perso(o)n(en) en/of ter plaatse (bij de afspraak) in de auto (te weten: een Volkswagen Polo en/of voorzien van het kenteken [kenteken] ) (waarin voornoemde perso(o)n(en) zich bevonden) plaats te nemen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader (in voornoemde auto) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans met een voorwerp waarmee (een) projectiel(en) afgeschoten kunnen worden, heeft/hebben geschoten in de richting en/of in de nabijheid van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en) (al dan niet waardoor het raam aan de passagierszijde van voornoemde auto kapot is gegaan) en/of (vervolgens) uit te stappen uit voornoemde auto en/of (vervolgens) (nogmaals) meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geschoten in de richting en/of in de nabijheid van de/het licha(a)m(en) van voornoemde perso(o)n(en);
Feit 2:
hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, vermoedelijk van het merk Crvena Zastava en/of type M70, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten: 5 kogelpatronen en/of hulzen van het kaliber 7,65 mm x 17mm, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
hij op of omstreeks 05 juli 2023 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 61.36 gram en/of 46.92 gram en/of 27.77 gram, althans een hoeveelheid hennep en/of
- 97.79 gram en/of 516.19 gram en/of 99.88 gram en/of 44.6 gram en/of 3.02 gram, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde die hennep en/of hasjiesj (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, behoudens het bestanddeel medeplegen nu niet bewezen kan worden dat de verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt.
Tevens heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de bestuurder van de Smart diegene is die met een vuurwapen heeft geschoten. Volgens de verdediging dient bijzondere bewijswaarde gehecht te worden aan de verklaring van de verdachte van 1 augustus 2023, waarin hij stelt dat hij de bijrijder van de Smart is geweest en een verklaring geeft voor zijn aangetroffen DNA-materiaal op de hulzen en het raam van de Volkswagen Polo (hierna: Volkswagen). Deze verklaring is afgelegd voorafgaand aan het zien van de camerabeelden en vindt steun in diverse feiten en omstandigheden. Allereerst is het vanwege de slechte kwaliteit van de camerabeelden niet mogelijk om tot een betrouwbare herkenning te komen van één van de twee inzittenden van de Smart, omdat hierbij enkel onderscheid gemaakt kan worden op basis van generieke kenmerken, niet van specifieke. De tweede inzittende van de Smart is bovendien onbekend gebleven, waardoor – in het bijzonder op basis van enkel de huidskleur – niet vastgesteld kan worden wie de bestuurder of de bijrijder is geweest. Daarnaast was de verdachte ten tijde van het incident nog zeventien, had geen rijbewijs en was geraakt door een kogel is zijn rechterarm. Hierdoor is het onaannemelijk is dat hij in een dergelijk risicovolle situatie heeft gereden of heeft kunnen rijden.
De verdediging heeft tevens vrijspraak bepleit voor het onder 2 ten laste gelegde feit, omdat de pleegdatum niet bewezen kan worden. De verdachte heeft immers verklaard op een andere dag dan genoemd in de tenlastelegging het wapen vast gehad te hebben, wat het aantreffen van zijn DNA op de hulzen verklaart.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Partiële vrijspraak feiten 1 primair en 2Op basis van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de camerabeelden en de verklaring van de verdachte – kan vastgesteld worden dat de verdachte één van de personen in de Smart was en dat een van deze twee personen daadwerkelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, te weten het schieten met een vuurwapen. Het is echter onduidelijk gebleven of sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze personen, zoals het maken van een afspraak en/of planning alsmede de wetenschap van het vuurwapenbezit door de ander.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de onbekend gebleven tweede inzittende van de Smart niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en op basis van het dossier en de afgelegde verklaringen blijkt niet van een essentiële bijdrage van beide personen. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen onder de sub 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsmotivering feit 1 primair en feit 2
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Redengevende feiten en omstandigheden
Op de camerabeelden is te zien dat op 17 mei 2023 rond 11:29 uur een Smart komt aangereden die enkele meters voorbij de al geparkeerde Volkswagen parkeert. Uit de Smart stappen twee personen: de bestuurder, met een donkerder huidskleur, en de bijrijder, met een lichtere huidskleur. Zij lopen samen naar de Volkswagen en stappen vervolgens achterin die auto aan de linkerzijde. Eerst stapt de bestuurder in en daarna de bijrijder. Na ruim twee minuten stapt de bijrijder uit, gevolgd door de bestuurder en zij rennen terug in de richting van de Smart. Vrijwel gelijktijdig stappen de drie inzittenden van de Volkswagen uit. Bijna direct nadat de inzittenden van de Smart uit de Volkswagen zijn gestapt en zij terugrennen naar de Smart, richt de bestuurder van de Smart met een wapen in de richting van de Volkswagen. De bijrijder van de Volkswagen, die als laatste uit de Volkswagen stapt, houdt een vuurwapen vast. Deze persoon rent vervolgens via de voorkant van de Volkswagen achter de bestuurder en bijrijder van de Smart aan en richt het wapen op hen, waarbij hij tussentijds handelingen met het wapen verricht, die door de verbalisant worden beschreven als lijkend op het doorladen van een wapen of het verhelpen van een storing in een wapen. Er wordt over en weer naar elkaar geschoten. De bestuurder en de bijrijder van de Smart stappen vervolgens in de Smart en rijden weg. Te zien is dat de bijrijder van de Volkswagen achter/naast de Smart rent en wederom een vuurwapen richt op de inzittenden van de Smart. Vervolgens rent deze persoon terug naar de Volkswagen en stapt in, waarna ook de Volkswagen wegrijdt.
De verdachte heeft zich diezelfde dag met letsel gemeld op de spoedeisende hulp. Bij hem is een schotschampwond en een scheurwond in de rechterarm geconstateerd.
Gelet op het voornoemde, staat voor de rechtbank vast dat de bijrijder van de Volkswagen en de bestuurder van de Smart met een vuurwapen hebben geschoten. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte de bestuurder van de Smart is geweest en daarmee dus met een vuurwapen heeft geschoten bij het bewuste tankstation in Landsmeer.
Is de verdachte de bestuurder van de Smart geweest?
De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat er twee personen in de Smart zaten: de bestuurder en de bijrijder met een zichtbaar lichtere huidskleur dan de bestuurder. Volgens de verklaring van de verdachte was hij één van de inzittenden van de Smart, te weten de bijrijder. Gelet op de uiterlijke kenmerken van de bijrijder op de camerabeelden – in het bijzonder de huidskleur – lijkt de verdachte minder goed te passen in het beeld van de bijrijder. Daarbij komt dat in het dossier twee namen naar voren zijn gekomen van de mogelijk tweede inzittende van de Smart. Op basis van de foto’s van deze personen in het dossier constateert de rechtbank dat deze personen eveneens allebei een lichtere huidskleur hebben dan de verdachte. Daarnaast zijn vier hulzen aangetroffen op het wegdek bij het tankstation te [plaats] en één huls op de bestuurdersstoel van de Volkswagen. Uit onderzoek blijkt dat deze vijf hulzen extreem veel waarschijnlijk zijn verschoten met één vuurwapen en dat op al deze vijf hulzen het DNA van de verdachte is aangetroffen.
Alternatief scenario?
De verdachte heeft verklaard dat hij de bijrijder was, maar heeft niet willen zeggen wie dan de bestuurder zou zijn geweest. De verdachte heeft ook ter zitting geen naam willen noemen, of een beschrijving willen geven van de andere inzittende van de Smart. De verdachte heeft desgevraagd geen objectieve informatie verstrekt om het door hem naar voren gebrachte scenario te kunnen verifiëren. Dit geldt tevens voor het door de verdachte geschetste scenario, dat hij het vuurwapen en de kogels reeds vóór het schietincident op 17 mei 2023 in handen heeft gehad, wat zijn DNA op de aangetroffen hulzen zou moeten verklaren. Volgens de verdachte had de bestuurder van de Smart bij een eerdere ontmoeting het vuurwapen en de kogels bij zich en liet hij zien hoe de kogels in het magazijn moesten worden geplaatst, terwijl de verdachte met de kogels speelde. Dit scenario heeft de verdachte eveneens weinig concreet gemaakt en niet nader onderbouwd. Daarbij komt dat, gelet op die verklaring van de verdachte, het in redelijkheid mag worden verondersteld dat dan (ook) DNA, althans voldoende DNA-kenmerken van een ander op de munitie zou zijn aangetroffen. Het tegendeel blijkt het geval: uit het Forensisch DNA-onderzoek blijkt dat op vier van de vijf hulzen, naast het DNA van de verdachte, zodanig geringe DNA-kenmerken van een eventuele andere persoon zijn aangetroffen dat nader onderzoek niet mogelijk is, en dat de overige huls zelfs uitsluitend het DNA van de verdachte bevatte.
Onder deze omstandigheden en bezien tegen de achtergrond van bovenstaande bewijsmiddelen, acht de rechtbank de door de verdachte genoemde scenario’s niet aannemelijk, zodat zij hieraan voorbij gaat.
Conclusie
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de bestuurder was van de Smart en dus diegene is geweest die met het vuurwapen (vermoedelijk merk Crevena Zastava model M70) heeft geschoten in de richting van de Volkswagen alsmede in de nabijheid van de lichamen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en een onbekend gebleven persoon.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 primair en 2, te weten poging tot doodslag en wapen- en munitiebezit, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij op 17 mei 2023 te Landsmeer, ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en een onbekend gebleven persoon telkens opzettelijk van het leven te beroven, ter plaatse in de auto (te weten: een Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] ) waarin voornoemde personen zich bevonden heeft plaatsgenomen, waarna hij is uitgestapt uit voornoemde auto en vervolgens meermalen heeft geschoten in de richting en in de nabijheid van de lichamen van voornoemde personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid;
Feit 2:
hij op 17 mei 2023 te Landsmeer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, vermoedelijk van het merk Crvena Zastava en type M70, kaliber 7,65mm, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten: 5 kogelpatronen en hulzen van het kaliber 7,65 mm x 17mm, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
hij op 5 juli 2023 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 61.36 gram, 46.92 gram en 27.77 gram hennep en
- 97.79 gram, 516.19 gram, 99.88 gram, 44.6 gram en 3.02 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj).
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1.
Strafuitsluitingsgrond
4.1.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte
moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wegens feiten en omstandigheden die wijzen op een noodweersituatie. Die is gelegen in het aandeel van de personen in de Volkswagen. Volgens de verdachte is de aanval gestart in de Volkswagen door [benadeelde partij 1] , één van de inzittenden van die auto, welke aanval is voortgezet nadat hij uit de Volkswagen was gevlucht en naar de Smart rende waarbij de verdachte ook gewond is geraakt. De bestuurder van de Smart heeft vervolgens een vuurwapen gepakt en geschoten om de belagers op afstand te houden, wat aangemerkt kan worden als verdedigend handelen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval. Opvallend is dat [benadeelde partij 1] na voornoemde aanval, opnieuw een aanvallende reactie heeft ingezet door het wapen door te laden en achter de Smart aan te rennen.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot verwerping van het beroep op noodweer, aangezien er geen sprake was van een noodweersituatie. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet dat [benadeelde partij 1] als eerste zou hebben geschoten, en evenmin dat überhaupt door hem in de Volkswagen is geschoten.
4.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer van de raadsman en overweegt daaromtrent
dat geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van een noodweersituatie. Het standpunt van de verdediging is voornamelijk gebaseerd op de verklaring van de verdachte, welke verklaring geen steun vindt in objectieve bewijsmiddelen. Daarbij komt dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld wat zich exact in de Volkswagen Polo heeft afgespeeld en wanneer de verdachte gewond is geraakt, waardoor niet is aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
4.2.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair: poging tot doodslag;
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het
Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 28 september 2023, opgesteld door
[GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Hieruit volgt, voor zover nu nog van belang, onder meer dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Omstandigheden die maken dat de feiten de verdachte niet of in verminderde mate kunnen worden toegerekend, zijn de rechtbank ook anderszins niet gebleken.
Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte
uitsluit, is de verdachte strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 241 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden zoals mondeling geadviseerd door de Raad voor de duur één jaar, te weten toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering, dagbesteding, meewerken aan hulpverlening en behandeling indien nodig.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat een (onvoorwaardelijke) straf langer dan de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet passend is. Tevens dient bij oplegging van een straf rekening gehouden te worden met het verstrijken van de redelijke termijn nu het verdenkingen betreft van twee en een half jaar geleden en de verdachte al ruim twee jaar meewerkt aan het schorsingstraject in het kader van de voorlopige hechtenis. Inmiddels is dan ook sprake van een dusdanig positieve ontwikkeling dat interventies zoals begeleiding, toezicht en behandeling niet meer noodzakelijk worden geacht.
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het feit dat de verdachte zelf ook slachtoffer is in deze zaak, aangezien hij door een kogel in zijn arm is geraakt.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en een onbekend gebleven persoon door meermaals met een vuurwapen te schieten richting hen en de Volkswagen waarin zij zaten en uitrenden. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op klaarlichte dag op een openbare en drukke plek, te weten een tankstation, al rennend heeft geschoten in de richting van personen. Er waren meerdere ooggetuigen die het incident op (zeer) korte afstand hebben meegemaakt, waaronder een persoon die tussen de Smart en Volkswagen stond en een moeder met haar kind van vier jaar. Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat zij allen erg waren geschrokken en emotioneel waren. Diverse mensen hebben letterlijk moeten wegduiken toen zij de schoten hoorden en het is dan ook puur geluk dat geen onschuldige omstanders gewond zijn geraakt. Tot slot zorgen dergelijke feiten ook voor maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het is niet voor niets dat hard wordt opgetreden tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie; het vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact, zoals ook is gebleken.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een hoeveelheid hennep en hasjiesj, wat verspreid is aangetroffen in de woning van de verdachte samen met een grote hoeveelheid geld. Het is onduidelijk gebleven wat exact de reden is geweest dat de verdachte dit in zijn bezit had. Los van het feit dat dit zeer zorgelijk is, leveren softdrugs ook gevaren op voor de gezondheid van de gebruikers, bij minderjarigen in het bijzonder. Daarbij komt dat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen.
6.3.2.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het strafblad van 10 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld.
- het onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 28 september 2023, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 27 november 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad.
De rechtbank heeft hierboven onder 5., al vastgesteld dat de verdachte geheel toerekeningsvatbaar is. Uit het psychologisch onderzoek is gebleken dat geen contra-indicaties worden gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht en een behandeladvies niet zinvol wordt geacht, omdat de verdachte eerder voor dezelfde problematiek langdurig behandeling heeft gehad en het maximaal haalbare op het vlak van hulpverlening destijds was bereikt. De verdachte is bovendien in het geheel niet (meer) gemotiveerd voor een nieuwe behandeling, waardoor een behandeling onvoldoende van de grond zal komen.
Nu de rapportage is verouderd, neemt de rechtbank enkel voornoemde conclusies van dit rapport over.
De Raad kan zich niet met de uitkomsten van het psychologisch onderzoek verenigen, omdat de rapportage reeds verouderd is en om die reden het gegeven advies niet meer actueel is. De Raad heeft schriftelijk geadviseerd tot het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met oplegging van alleen de algemene voorwaarde. De voorlopige hechtenis van de verdachte is ruim twee jaar geleden geschorst. Hij heeft zich deze periode begeleidbaar opgesteld en probeert zijn leven op een positieve wijze vorm te geven. De doelen binnen de jeugdreclassering zijn inmiddels ook behaald, waardoor een verlenging van het toezicht en de begeleiding niet als zinvol wordt gezien. De Raad acht een stevige voorwaardelijke jeugddetentie passend om de verdachte te motiveren de juiste keuzes te blijven maken en niet opnieuw in probleemsituaties te komen. Het is van belang dat de verdachte zich gaat richten op het behalen van een startkwalificatie, zijn werk weet te behouden en antisociale contacten blijft vermijden. Er is op dit moment geen hulpverlening betrokken en de verdachte heeft aangegeven hier ook geen behoefte aan te hebben.
De Raad heeft ter zitting aan het raadsrapport toegevoegd dat bij een bewezenverklaring reclasseringstoezicht voor de duur van één jaar noodzakelijk wordt geacht, gericht op onder andere een delictsbespreking, zodat hierdoor meer zicht verkregen kan worden op de houding van de verdachte. Er is in dat geval namelijk de zorg dat hij de afgelopen jaren geen profijt heeft kunnen hebben van begeleiding. Daarnaast dienen dan de volgende bijzondere voorwaarden te gelden: het hebben van dagbesteding en het meewerken aan hulpverlening gericht op gewetensontwikkeling indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.
Tot slot adviseert de Raad om de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf toe te wijzen zodat de verdachte een consequentie ervaart omdat hij zich niet aan de algemene voorwaarde heeft gehouden inhoudende dat hij gedurende de proeftijd geen strafbare feiten zou plegen.
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting naar voren gebracht dat, nu de verdachte sinds augustus 2023 geschorst was, inmiddels al een normale proeftijdperiode is verstreken en dat de afgelopen jaren, afgezien van een veroordeling voor een strafbaar feit tijdens zijn schorsing, voornamelijk positief zijn verlopen. Er wordt gezien dat de verdachte in elk geval sinds zijn laatste aanhouding in januari 2025 een positieve verandering laat zien, die hij zonder enige vorm van behandeling wist voort te zetten en waarvan nu nog steeds sprake is. De afgelopen jaren heeft namelijk geen behandeling plaatsgevonden, omdat de forensische behandeling in het verleden niet succesvol is gebleken.
Ondanks deze positieve ontwikkelingen acht de jeugdreclassering het in het geval van een bewezenverklaring wel noodzakelijk om begeleiding te bieden – die tot op heden niet heeft plaatsgevonden – bestaande uit een delictanalyse. De jeugdreclassering is ook bereid om dit te bieden. Daarnaast dient eventueel gestart te worden met behandeling indien dat nodig blijkt, maar hiervoor is wel van belang dat de verdachte voldoende gemotiveerd is.
De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 3 achttien jaar oud en dus meerderjarig. Ten aanzien van een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het begaan van strafbare feit meerderjarig is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast als omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Gelet op het advies van de deskundigen en het feit dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten net meerderjarig was, ziet de rechtbank aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen.
6.3.3.
De straf
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten
een poging tot doodslag alsmede wapen-, munitie en softdrugsbezit, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.
Bij de berechting van een jeugdstrafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn dient te zijn afgerond met een eindvonnis. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in deze zaak op 5 juli 2023 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn aangevangen en deze is dus fors, met ruim 13 maanden, overschreden.
Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die een overschrijding rechtvaardigen.
Naast de tijd die inmiddels is verstreken, houdt de rechtbank eveneens rekening met het feit dat de verdachte 59 dagen in voorarrest heeft gezeten en het feit dat de verdachte zich al ruim twee jaar houdt aan de schorsingsvoorwaarden in het kader van de voorlopige hechtenis. De rechtbank houdt ook rekening met het mondelinge en schriftelijke advies van de Raad, alsmede met de opmerkingen van de jeugdreclassering ter zitting.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt af te
wijken. Wel ziet de rechtbank reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken met betrekking tot de duur van de proeftijd en de werkstraf wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat hierdoor het pedagogische karakter van de straf aanzienlijk is verminderd. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 300 dagen moet worden opgelegd, waarvan 241 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een langere proeftijd en bijzondere voorwaarden nu de verdachte zich ruim twee jaar heeft gehouden aan schorsingsvoorwaarden in het kader van de voorlopige hechtenis. Er is inmiddels sprake van een langdurige positieve ontwikkeling en in de afgelopen jaren is geen noodzaak gezien voor (verdere) behandeling en intensieve begeleiding. Ook is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een werkstraf moet worden opgelegd. Bij de oplegging van de werkstraf aan de verdachte zal de rechtbank eveneens rekening houden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat in verband hiermee een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie passend en geboden is.
6.3.4.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.Beslag

De rechtbank stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting in het bijzijn van zijn raadsman afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten € 1.960,00, € 163,40,
€ 320,00 en € 3.790,00, waardoor de rechtbank ten aanzien van deze geldbedragen geen beslissing meer hoeft te nemen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 28 april 2023 in de zaak met parketnummer 18/037269-23 heeft de kinderrechter van de rechtbank Groningen de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig (20) uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op één jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 4 augustus 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij voornoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 28 april 2023 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie van 4 augustus 2023 niet geëindigd.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft verzocht om afwijzing van de vordering van de officier van justitie omdat een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wegens de termijnoverschrijding niet passend wordt geacht.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd en hij binnen zeer korte tijd opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. Het is dan ook van belang dat de verdachte hiervan de consequenties ervaart.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m,77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 26 en Pro 55 van de Wet wapens en munitie.
artikel 3 en Pro 11 van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.2. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
driehonderd (300) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot tweehonderdeenenveertig (241) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van één jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet
schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten negenenvijftig (59) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
honderd (100) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18/037269-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van
twintig (20) uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Groningen van 28 april 2023.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. van Dongen, voorzitter,
mr. A.K. Mireku en mr. I.A. Groenendijk, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2025.
mr. I.A. Groenendijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.