Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15898

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
HAA - 24 _ 6930
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 2.7 WhtArt. 3:4 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie private schuld in toeslagenherstel wegens niet voldoen aan wettelijke vereisten

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om compensatie van een private schuld van €10.000 bij Sociale Banken Nederland (SBN). SBN wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs dat de schuld aan de wettelijke vereisten voldeed. Eiseres maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat de primaire beschikking bevoegd was genomen door de voorzitter van het bestuur van SBN via ondermandaat van de Minister van Financiën. De wettelijke voorwaarden voor compensatie vereisen dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar was en na ontvangst van een herstelbedrag is voldaan. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat aan deze voorwaarden was voldaan.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van de strikte wettelijke criteria rechtvaardigden. Ook werd geen schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van compensatie van haar private schuld wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6930

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.Y. Ramdhan),
en

de Minister van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 17 april 2024 heeft Sociale Banken Nederland (hierna: SBN) namens verweerder het verzoek van eiseres om compensatie van een private schuld afgewezen.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Op 9 oktober 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van de gedingstukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven.
Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025 te Haarlem.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft op 14 juli 2022
€ 30.000 ontvangen op grond van de zogenoemde Catshuisregeling.
2. Eiseres heeft zich aangemeld om in aanmerking te komen voor compensatie van haar private geldschuld door SBN en heeft in dit kader een schuldenlijst bij SBN ingediend. Zij heeft hierbij een schuld van € 10.000 aan [bank] voor compensatie aangemeld (hierna ook: de schuld).
3. Bij het aanmelden van de schuld heeft eiseres een brief van [bank] van 6 maart 2019 (hierna ook: de brief van [bank] ) en een bankafschrift van 29 juli 2022 aan SBN verstrekt. Met die brief is eiseres kort gezegd geïnformeerd over de door [bank] voorgenomen afbouw van de zogenoemde [limietregeling] van eiseres. In de brief staat onder meer dat, indien het [bank] niet lukt om met eiseres in contact te komen, het limiet op 8 mei 2019 wordt verlaagd naar het hoogste bedrag dat eiseres in de laatste drie maanden van 2018 rood heeft gestaan, hetgeen neerkomt op een limiet van € 10.000. Verder is vermeld dat in die situatie, na het ingaan van de limietverlaging, de [limietregeling] in 96 gelijke maandelijkse termijnen wordt afgebouwd naar nul.
4. Aangezien SBN van oordeel was dat de onder 3 vermelde stukken onvoldoende waren om de schuld te kunnen beoordelen, heeft zij eiseres op 13 maart 2024 medegedeeld dat zij een opeisingsbrief nodig heeft.
5. SBN heeft het verzoek van eiseres vervolgens bij beschikking van 17 april 2024 afgewezen onder verwijzing naar de door haar gehanteerde ‘code 13’. In haar besluit omschrijft SBN ‘code 13’ als volgt: “
Dit bedrag betalen wij niet terug omdat wij de schuld niet goed kunnen beoordelen. Wij hebben u om extra bewijs gevraagd maar dat hebt u niet (op tijd of compleet) aangeleverd”.
6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiseres bij brief van 5 juni 2024 in de gelegenheid gesteld uiterlijk 3 juli 2024 aanvullende informatie aan te leveren, waarbij verweerder heeft aangegeven welke gegevens volgens hem nog ontbreken.

Geschil7. In geschil is of verweerder terecht geen compensatie heeft verleend voor de schuld. Meer specifiek is hierbij in geschil of de schuld voldoet aan de wettelijke vereisten voor compensatie van afgeloste schulden en of sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verder is in geschil of verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiverings- en/of het zorgvuldigheidsbeginsel.

Beoordeling van het geschil
Is de beschikking bevoegd genomen?
8. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de onderhavige beschikking bevoegd is genomen. De primaire beschikking is namens de Belastingdienst/Toeslagen genomen door [naam 2] , bestuurder van SBN. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), de Minister van Financiën ten tijde van de primaire beschikking het bevoegde bestuursorgaan was. Daarbij is wel ondermandaat verleend aan de voorzitter van het bestuur van SBN (artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Ketenregie in het kader van private schulden en herstel toeslagen 2024, Stcrt. 2024, 14965).
9. Omdat de voorzitter van het bestuur van SBN, via ondermandaat, bevoegd was om namens de Minister van Financiën op het verzoek om overname van de schuld te beslissen, en eiseres door de onjuiste vermelding van de mandaatgever niet is benadeeld, zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in de beschikking geen gevolgen verbinden.
Voldoet de schuld aan de voorwaarden voor compensatie?
10. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1, van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat in de onderhavige zaak moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was vóór 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
11. Op eiseres rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de schuld aan de hiervoor aangehaalde voorwaarden voldoet. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van eiseres maakt de rechtbank op dat het limiet van de [limietregeling] faciliteit op 8 mei 2019 is ingesteld op € 10.000 en vervolgens maandelijks is verlaagd. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit de rechtbank kan opmaken dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De stelling van eiseres dat uit de overgelegde brief van [bank] blijkt dat de schuld op 8 mei 2019 opeisbaar is geworden, is onjuist en kan niet worden gevolgd. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005. De ter zitting ingenomen (niet nader onderbouwde) stelling van eiseres dat de schuld in 2006 is ontstaan en de overgelegde bankafschriften van latere jaren, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de overgelegde brief van [bank] aantoont dat na 2005 een nieuwe rechtsverhouding, en daarmee een nieuwe schuld, is ontstaan. [bank] heeft immers slechts de voorwaarden van de bestaande faciliteit gewijzigd. Tot slot kan de rechtbank uit de overgelegde stukken niet opmaken in hoeverre de schuld is afgelost na ontvangst van het compensatiebedrag op grond van de Catshuisregeling. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk hoe de op het bankafschrift van 29 juli 2022 vermelde debetstand (per ultimo juni 2022) zich verhoudt tot de afzonderlijk vermelde [limietregeling] . Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast.
Evenredigheidsbeginsel
12. Vervolgens dient de rechtbank het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel te beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de door eiseres geschetste situatie, waarin haar verzoek om compensatie enkel en alleen zou zijn afgewezen vanwege het niet overleggen van een sluitingsbewijs en/of de oorspronkelijke kredietovereenkomst, zich niet voordoet.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van door de wetgever niet of niet ten volle verdisconteerde bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, mogelijk maken. Gelet op de dwingende formulering van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht is er ook geen ruimte voor toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel faalt reeds hierom.
14. Voor zover eiseres zich heeft willen beroepen op de in artikel 9.1 van de Wht opgenomen hardheidsclausule overweegt de rechtbank dat een strikte toepassing van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en niet is gebleken van schrijnende omstandigheden waardoor strikte toepassing van de wettelijke bepalingen achterwege moet blijven. Een beroep op de hardheidsclausule kan dan ook niet slagen.
15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het verzoek van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. De rechtbank acht deze uitkomst niet in strijd met doel en strekking van de wet. De wetgever heeft immers bewust de onder 10 aangehaalde voorwaarden in de wet opgenomen. Met de onderhavige compensatieregeling heeft de wetgever, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, niet beoogd alle schulden van gedupeerden over te nemen.
Motiveringsbeginsel
16. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank komt zowel uit het primaire besluit als de beslissing op bezwaar voldoende duidelijk naar voren op welke gronden verweerder tot zijn beslissing is gekomen.
Zorgvuldigheidsbeginsel
17. Tot slot biedt het procesdossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder eiseres zowel voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit als in de bezwaarfase uitdrukkelijk om nader bewijs heeft verzocht en hierbij heeft aangegeven welke gegevens hij nog wenst te ontvangen. Anders dan eiseres betoogt, was verweerder niet gehouden eiseres actiever te begeleiden in haar bewijsvoering. Het is immers aan eiseres om na te gaan hoe zij haar standpunt wenst te onderbouwen en desgewenst elders advies in te winnen. Verweerder was evenmin gehouden eiseres nog een keer in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken aan te leveren. De omstandigheid dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Verder komt uit de gedingstukken niet naar voren dat verweerder zou hebben nagelaten de door eiseres aangeleverde bewijsstukken ‘materieel te beoordelen’. De beroepsgronden van eiseres slagen niet.
Slotsom
18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.