ECLI:NL:RBNHO:2025:15866

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/15/371738 / KG ZA 25-727
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop woning tussen ex-partners na hypotheekop-eising

Partijen zijn ex-partners die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De vrouw woont niet meer in de woning en de man woont er alleen. De bank heeft de volledige hypotheekschuld bij de vrouw opgeëist, waarna loonbeslag is gelegd op haar inkomen. De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop van de woning.

De man betwist dat de bank de schuld bij de vrouw heeft opgeëist en stelt dat hij zijn betalingsverplichtingen nakomt. Hij wil de woning zelf overnemen en heeft contact gehad met een hypotheekspecialist. Uit de e-mail van deze specialist blijkt echter dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning kan overnemen, onder meer vanwege een persoonlijke lening en de noodzaak om fulltime te werken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij verkoop van de woning om executie te voorkomen. De man wordt veroordeeld om binnen drie weken een makelaar te kiezen en mee te werken aan alle noodzakelijke handelingen voor verkoop, waaronder bezichtigingen en het plaatsen van advertenties. Bij niet-naleving geldt een dwangsom en het vonnis kan in de plaats treden van de benodigde rechtshandelingen van de man. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop van de woning, met een dwangsom en machtiging op grond van artikel 3:300 BW.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371738 / KG ZA 25-727
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Kandemir,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M. Koopman

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 november 2025, met producties 1-5;
- de producties 1-8 van de man;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen zijn op 24 augustus 2021 met elkaar gehuwd. Momenteel is er een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning).
2.3.
Op 18 maart 2025 heeft de rechtbank bij beschikking een voorlopige voorziening gewezen, waarin op verzoek van de vrouw is bepaald dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning.
2.4.
Op 1 oktober 2025 heeft ING Bank de hypothecaire geldlening van € 253.721,35 opgeëist bij de vrouw. Inmiddels is beslag gelegd op het loon van de vrouw.
2.5.
Op 2 oktober 2025 bedroeg de totale achterstand in de betaling van de hypothecaire geldlening € 2.049,91.
2.6.
Bij e-mail van 1 december 2025 heeft een hypotheekspecialist aan de man - voor zover van belang - het volgende medegedeeld:

Als ik uitga van jouw inkomen van 53.000 euro. We gaan ervan uit dat je 100% gaat werken. Uitkoop van 95.000 euro zou kunnen mits de persoonlijke lening weg is van 25.000 euro. En jullie de hypotheek netjes betalen, geen achterstanden.
Verder gaan we uit dat de hypotheek van 250.000 over gaat op jouw naam en dat je de rente mee neemt.
Met verdere verrekeningen heb ik geen rekening gehouden.
Uitgangspunt woning is 440.000 euro.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man veroordeelt tot het verlenen van zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking en tot het verrichten van alle noodzakelijke handelingen, ten behoeve van de verkoop van de woning, binnen één week na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom;
II. bepaalt dat, indien de man niet binnen één week na betekening van het vonnis, de vereiste medewerking verleent en de noodzakelijke handelingen verricht, het vonnis, conform artikel 3:300 BW Pro, in de plaats zal treden van de akte tot levering van de woning, dan wel bepaalt dat met toepassing van artikel 3:300 BW Pro machtiging wordt verleend om het vonnis in de plaats te doen stellen van de benodigde wilsverklaring en medewerking van de man in de notariële akte tot levering van de woning;
III. de man veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De vrouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vrouw verblijft al een jaar niet meer in de woning. In het kader van de voorlopige voorzieningen is de woning toebedeeld aan de man. De man betaalt echter de hypothecaire geldlening niet (volledig). De ING Bank heeft de hypothecaire geldlening opgeëist bij de vrouw en er is loonbeslag gelegd op het loon van de vrouw. De vrouw vreest nu voor executieverkoop en is van mening dat partijen geen andere keuze hebben dan de woning te verkopen.
3.3.
De man voert verweer. Hij betwist dat ING Bank de hypothecaire geldlening zou opeisen, de man is daar als mede hoofdelijk schuldenaar namelijk niet over aangeschreven. De man heeft regelmatig contact met de bank en betaalt maandelijks zijn verplichtingen. De ING Bank bevestigt ook dat zij de beperkte achterstand incasseert bij de vrouw en niet bij de man. De achterstand in de hypotheekbetalingen is ontstaan nadat de vrouw is vertrokken uit de woning en niet meer meebetaalde. Er is dan ook geen vrees voor executieverkoop, omdat de man wel maandelijks zijn verplichtingen betaalt. De man is van mening dat de vrouw te voorbarig is geweest met het starten van dit kort geding. Hij werkt niet mee aan de verkoop van de woning, omdat hij de woning zelf wenst over te nemen. De man heeft al contact gehad met een hypotheekspecialist over zijn mogelijkheden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de vrouw ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw al een jaar weg is uit de woning, maar dat partijen nog gezamenlijk eigenaar zijn. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij nog langer in de onverdeelde gemeenschap blijft. Bovendien is er beslag gelegd op het inkomen van de vrouw door ING Bank. De voorzieningenrechter leidt de spoedeisendheid van de vorderingen van de vrouw uit het voorgaande af.
De woning dient verkocht te worden
4.3.
De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning. De man stelt zich op het standpunt dat hij de woning zelf wil en mogelijk ook kan overnemen, dus dat de vorderingen van de vrouw afgewezen moeten worden.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de vorderingen voorop dat de vrouw al een jaar geleden uit de woning is vertrokken en dat de man sindsdien alleen in de woning woont. Gelet op dit tijdsbestek had het op de weg van de man gelegen om in dat jaar serieus te kijken of hij de woning kan overnemen. Ter zitting is gebleken dat hij pas na ontvangst van de dagvaarding in kort geding het een en ander heeft uitgezocht via een hypotheekspecialist. Uit de inhoud van de e-mail van deze adviseur (onder 2.6) blijkt niet dat de man de woning kan overnemen. Uit die e-mail van die hypotheekspecialist blijkt zelfs dat de man nog fulltime dient te gaan werken, dat een persoonlijke lening van € 25.000,- afgelost moet worden en er geen achterstanden mogen bestaan, voordat de man het deel van de vrouw in de woning mogelijk zou kunnen kopen. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de woning kan overnemen.
4.5.
De conclusie is dan ook dat de man dient mee te werken aan de verkoop van de woning en dat de vordering van de vrouw zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal echter in het dictum een wat uitgebreider kader uiteenzetten waarbinnen de man dient mee te werken, om toekomstige executiegeschillen te voorkomen.
Dwangsom
4.6.
De vrouw vordert dat de man dient mee te werken aan de verkoop van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man hiermee in gebreke blijft. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom toewijzen en beperken als opgenomen onder de beslissing. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom verder alleen toewijzen voor zover het de medewerking van de man aan voor de verkoop benodigde feitelijke handelingen betreft, zoals het meewerken aan bezichtigingen. Voor het geval de man weigert rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor de verkoop en levering zal de voorzieningenrechter bepalen dat dit vonnis daarvoor in de plaats zal treden. Een dwangsom is wat betreft het meewerken aan de rechtshandelingen daarom niet nodig.
Proceskosten
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de man om binnen drie weken na betekening van het vonnis, een opdracht aan een makelaar te geven om de woning aan de [adres] te verkopen, waarbij de vrouw eerst drie namen van makelaars aan de man doorgeeft en de man binnen een week daarna daarvan één makelaar dient te kiezen,
5.2.
veroordeelt de man na betekening van dit vonnis tot het verlenen van zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking en tot het verrichten van alle noodzakelijke handelingen, ten behoeve van de verkoop van de woning aan de [adres] , waaronder maar niet uitsluitend:
het dulden van alle activiteiten en handelingen door de makelaar die voor de (uiteindelijke) verkoop van de woning(en) dienstig zijn, waaronder maar niet beperkt tot: het toelaten van verkoopborden aan de woning, het plaatsen van advertenties,
het mogelijk maken van bezichtigingen,
het opvolgen van alle adviezen van de makelaar, waaronder omtrent het toonbaar houden en representatief eruit laten zien van de woning, de te hanteren vraagprijs, het eventueel wijzigen daarvan en het wel of niet aanvaarden van een uitgebracht bod,
op straffe van een dwangsom van € 500,- voor ieder dag(deel) dat de man hier binnen drie dagen op verzoek van de gekozen makelaar niet aan voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
5.3.
bepaalt dat indien de man de onder 5.1 en 5.2 opgedragen medewerking aan de verkoop en/of levering niet binnen 48 uur na een daartoe strekkend verzoek van de vrouw verleent, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro in de plaats zal treden van de benodigde rechtshandeling en/of wilsverklaring van de man ter ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en/of de akte van levering,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.