ECLI:NL:RBNHO:2025:15831

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 7616
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboVerordening op de heffing en invordering van leges [gemeente] 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag bouwleges wegens onterechte opname omzetbelasting in bouwsom

Eiser heeft een aanslag bouwleges ontvangen op basis van een door verweerder ambtshalve verhoogde bouwsom inclusief omzetbelasting. Eiser betwist dat de omzetbelasting in de bouwsom mag worden meegenomen bij de heffing van leges.

De rechtbank overweegt dat de leges worden geheven op grond van de geldende verordening en tarieventabel, waarin expliciet is bepaald dat de bouwsom exclusief omzetbelasting moet worden genomen. Hoewel verweerder stelt dat latere verordeningen de tekst hebben aangepast, is voor het jaar 2023 de tekst duidelijk en niet vatbaar voor meerdere uitleg.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot een heffingsmaatstaf van € 76.402,43 exclusief omzetbelasting. Verweerder wordt tevens opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: De aanslag bouwleges wordt verminderd omdat de omzetbelasting ten onrechte in de bouwsom is begrepen.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag leges opgelegd ter grootte van € 2.496,07.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025 te Haarlem . Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. De aanslag is opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning. De desbetreffende vergunning is eiser op 19 juni 2023 verleend en heeft betrekking op de realisatie van een dakopbouw op het adres [adres] in [gemeente] .
2. Bij de aanvraag heeft eiser een bedrag aan bouwkosten opgegeven van € 40.000, exclusief omzetbelasting, oftewel € 48.400 inclusief omzetbelasting. Omdat eiser de dakopbouw voor een groot deel met zelfwerkzaamheden heeft gerealiseerd, heeft verweerder bij het vaststellen van de aanslag de bouwsom waarnaar de leges zijn berekend verhoogd tot € 92.446,94, zijnde een geschatte bouwsom van € 76.402,43, verhoogd met € 16.044,51 omzetbelasting.
3. De aanslag is gedagtekend 19 juni 2023. Eiser heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 10 januari 2024 en is op 12 januari 2024 bij verweerder ontvangen. Bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 6 november 2024 heeft eiser daartegen langs digitale weg beroep ingesteld.

Geschil4. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of bij het vaststellen van de aanslag de bouwsom, waarnaar de leges zijn berekend, op het juiste bedrag is bepaald en of daarin terecht omzetbelasting is begrepen.

5. Ter zitting heeft eiser zijn grief over de hoogte van de bouwsom exclusief omzetbelasting laten varen. Wel handhaaft eiser zijn standpunt dat bij het bepalen van de bouwsom ten onrechte rekening is gehouden met omzetbelasting.
6. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een bouwsom van € 76.402,43 of lager.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat de tekst van paragraaf 2.1.1.2 van de tarieventabel bij de Verordening, waar staat “de omzetbelasting daarin niet begrepen” onjuist is. In de verordeningen voor de jaren 2024 en 2025 staat daar “inclusief omzetbelasting”. Volgens verweerder zijn de leges daarom terecht vastgesteld op € 92.446,94 x 2,7% = € 2.496,07.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
9. De leges zijn geheven volgens het daartoe bepaalde in de Verordening op de heffing en invordering van leges [gemeente] 2023 (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende Tarieventabel.
10. Paragraaf 2.1.1.2 van de Tarieventabel luidt, voor zover hier van belang:
“Bouwkosten:
de aannemingssom inclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid,
van de Uniforme administratieve voorwaarden, welke als bijlage aan deze verordening is gehecht, voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin niet begrepen, en indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, de omzetbelasting daarin niet begrepen;”
11. Paragraaf 2.3.1.1 van de Tarieventabel luidt, voor zover hier van belang:
“Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief 2,70 % van de bouwkosten.”
12. De rechtbank overweegt dat leges worden geheven op grond van de daartoe strekkende verordening zoals die door het daartoe bevoegde orgaan is vastgesteld en bekendgemaakt. Dat de openbaar gemaakte tekst van de Verordening en de Tarieventabel op enig punt afwijkt van vastgestelde tekst, is gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van paragraaf 2.1.1.2 niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en worden op grond van de Verordening en de Tarieventabel voor het jaar 2023 leges geheven over de bouwsom exclusief omzetbelasting. Dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, de tekst onjuist is, maakt dit niet anders. Het gelijk is dus aan eiser. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in de tekst van de toepasselijke verordening over latere jaren de zinsnede “de omzetbelasting daarin niet begrepen” is vervallen. Ook dat draagt bij het buiten beschouwing blijven van de omzetbelasting.
13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag te worden verminderd tot een, berekend naar een heffingsmaatstaf (bouwsom) van € 76.402,43.
Proceskosten en griffierecht
14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder het voor deze zaak betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
₋ verklaart het beroep gegrond;
₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;
₋ vermindert de aanslag tot een, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 76.402,43;
₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).