ECLI:NL:RBNHO:2025:15800

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11898223 \ CV EXPL 25-3483
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tekortkoming in nakoming overeenkomst voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden aan een auto

In deze zaak gaat het om een geschil tussen een consument, [eiser], en een handelaar, [gedaagde], over de nakoming van een overeenkomst voor het herstel van een auto. [eiser] heeft zijn Renault Clio Williams op 15 maart 2025 bij [gedaagde] gebracht voor herstelwerkzaamheden. Na het versturen van een pro-formafactuur op 17 maart 2025, waarin de kosten van de werkzaamheden werden gespecificeerd, heeft [eiser] akkoord gegeven. Echter, de auto is tot op heden niet gerepareerd, ondanks herhaalde verzoeken van [eiser] om informatie over de voortgang. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de reparatie veel langer heeft geduurd dan redelijkerwijs verwacht mocht worden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] toe, waarbij [gedaagde] wordt veroordeeld om de werkzaamheden alsnog uit te voeren binnen een redelijke termijn, met een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 25.000,00. Daarnaast wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan [eiser].

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11898223 \ CV EXPL 25-3483/MdV
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: S. Baldinger,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.H.A. van de Wiel.
De zaak in het kort
In deze zaak draait het om de vraag of een handelaar tekort is geschoten in de nakoming van een met een consument gesloten overeenkomst voor het herstel/restauratie van een auto. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is, omdat de auto nog altijd niet is hersteld terwijl de consument er geen rekening mee hoefde te houden dat dit maanden zou duren. De vordering van de consument dat de handelaar de werkzaamheden alsnog moet uitvoeren wordt dan ook toegewezen. De dwangsom die moet bewerkstelligen dat de handelaar dit alsnog binnen een redelijke termijn doet, wordt ook toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 september 2025 met producties,
- het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiser] van 6 oktober 2025,
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025,
- het bericht van 4 november 2025 met productie(s) van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord met productie(s) van 14 november 2025 van [gedaagde] ,
- de akte van 24 november 2025 met productie(s) van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De zaak is vervolgens, in verband met schikkingsonderhandelingen, op verzoek van partijen aangehouden. Op 29 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] de kantonrechter echter verzocht alsnog vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een consument en eigenaar van een Renault Clio Williams uit 1996 (hierna: ‘de auto’).
2.2.
[gedaagde] is gespecialiseerd in het herstellen en restaureren van (onder meer) Renaults.
2.3.
[eiser] heeft de auto op 15 maart 2025 bij [gedaagde] gebracht voor het uitvoeren van herstel- / restauratiewerkzaamheden. Nadat [gedaagde] de auto had bekeken heeft hij op 17 maart 2025 een pro-formafactuur aan [eiser] toegestuurd. Uit deze pro-formafactuur volgt dat de kosten van de voor herstel benodigde beschreven werkzaamheden € 8.747,42 inclusief btw zouden bedragen.
2.4.
[eiser] heeft diezelfde dag per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat hij zoals telefonisch besproken akkoord gaat met de offerte en dat de reparatieduur ongeveer drie weken zal bedragen. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.
2.5.
Op 31 maart 2025 stuurt [eiser] [gedaagde] een e-mail waarin hij vraagt of de reparatiewerkzaamheden al opschieten. In de reactie hierop laat [gedaagde] weten dat hij er bij het demonteren van de auto achter is gekomen dat er sprake is van veel meer roest dan was voorzien en dat hij graag telefonisch contact met [eiser] wil over het vervolg.
2.6.
Op 8, 15 en 25 april 2025 informeert [eiser] opnieuw bij [gedaagde] hoeveel tijd hij nog denkt nodig te hebben voor het regelen van onderdelen en het uitvoeren van de reparatie. Tevens vraagt [eiser] in de e-mail van 25 april 2025 om een ‘definitieve gespecificeerde offerte met een vaste prijs’, omdat hij de controle over de kosten niet wil verliezen. Door [gedaagde] wordt hierop niet gereageerd.
2.7.
Nadat [eiser] op 24 juni, 10 juli en 9 augustus 2025 nogmaals bij [gedaagde] informeert naar de voortgang, vindt er op 18 augustus 2025 een gesprek plaats tussen [eiser] en [gedaagde] . Naar aanleiding van dat gesprek stuurt [eiser] [gedaagde] een overeenkomst toe waarin staat dat de auto, om de roestvorming te verwijderen, binnen drie weken wordt gestraald en dat vervolgens bekeken zal worden of [gedaagde] de auto van [eiser] koopt voor € 15.000,00 of dat hij de auto repareert voor een totaalbedrag van € 15.000,00 inclusief btw, waarna de auto uiterlijk in december 2025 wordt opgeleverd. [gedaagde] gaat hier echter niet mee akkoord.
2.8.
Op 15 september 2025 sommeert de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] dat de auto uiterlijk op 15 oktober 2025 gerepareerd moet zijn, waarna [gedaagde] laat weten dat die termijn onredelijk en niet realistisch is.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, nadat hij zijn vordering heeft vermeerderd, - samengevat -,
  • een verklaring voor recht dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst niet heeft voldaan aan de op hem rustende (pre)contractuele informatieplichten en de hoofdsom daarom wordt verminderd met 50%,
  • een verklaring voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst,
  • dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot nakoming van de restauratiewerkzaamheden uit de pro-formafactuur van 17 april 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
  • dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 982,97 aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van de proces- en nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat er sprake is van een op afstand gesloten overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan wettelijk voorgeschreven informatieplichten. [gedaagde] heeft op meerdere punten onvoldoende informatie verstrekt en daarom moet de hoofdsom met 50% worden verminderd. Verder voert [eiser] aan dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de gesloten overeenkomst, doordat de auto inmiddels al ruim een half jaar bij [gedaagde] staat en nog altijd niet is gerepareerd. [eiser] wil daarom dat [gedaagde] de overeenkomst alsnog binnen één maand nakomt. Omdat [eiser] tekort is geschoten moet [gedaagde] ook de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten betalen.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist allereerst dat er sprake is van een ‘op afstand’ gesloten overeenkomst en dat er bij het sluiten van de overeenkomst informatieplichten door hem zijn geschonden. Verder betwist [gedaagde] dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd binnen drie weken en dat partijen op basis van de pro-formafactuur een overeenkomst hebben gesloten voor een vaste prijs. Volgens [gedaagde] was er slechts sprake van een richtprijs. Doordat na het sluiten van de overeenkomst is gebleken dat de auto in een veel slechtere staat verkeerde dan door [eiser] was geschetst, is er sprake van onvoorziene kostenverhogende omstandigheden. [gedaagde] heeft hier contact over opgenomen met [eiser] en heeft [eiser] toen gewaarschuwd voor extra kosten. [eiser] heeft hem ondanks dat opdracht gegeven door te gaan met de restauratiewerkzaamheden. Deze omstandigheden maken dat [gedaagde] niet kan worden veroordeeld om de afspraken uit de pro-formafactuur na te komen. Bovendien volgt uit de proceshouding van [eiser] dat hij niet bereid is de met de restauratie gemoeide kosten te betalen. [gedaagde] beroept zich daarom op opschorting. Voor het geval wordt geoordeeld dat [gedaagde] wel tekort is geschoten, doet hij een beroep op overmacht. Dit omdat veel onderdelen en materialen die hij mogelijk had kunnen gebruiken door een brand teniet zijn gegaan. Hierdoor kan het [gedaagde] niet worden verweten dat hij tekort is geschoten. Nu de vorderingen van [eiser] kansloos zijn, moet [eiser] veroordeeld worden tot betaling van de werkelijk door [gedaagde] gemaakte proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

het incident
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
4.1.
Omdat in dit vonnis meteen in de hoofdzaak wordt beslist, heeft [eiser] geen belang meer bij de door hem gevorderde voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
de hoofdzaak
schending informatieplichten
4.2.
De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst de op hem rustende wettelijke (pre)contractuele informatieplichten heeft geschonden. [eiser] baseert zijn vordering op de omstandigheid dat er volgens hem sprake is van ‘een op afstand’ gesloten overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Uit de wet volgt echter dat voor een overeenkomst ‘op afstand’ geldt dat deze moet zijn gesloten via een georganiseerd systeem [1] . Om van een georganiseerd systeem te kunnen spreken is het vereist dat er sprake is van ‘een stelselmatige en niet van een min of meer toevallige gebruikmaking van één of meer middelen voor communicatie op afstand. [2] Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan overeenkomsten die worden gesloten via een bestelproces op een website zonder dat daar menselijk contact aan te pas komt. Daarvan is in dit geval geen sprake. [eiser] heeft de auto immers bij [gedaagde] gebracht en partijen hebben toen met elkaar gesproken. Dat [gedaagde] vervolgens per e-mail de pro-formafactuur aan [eiser] toegestuurd, maakt niet dat er daardoor sprake is van een op afstand gesloten overeenkomst. Er is immers geen gebruik gemaakt van een ‘georganiseerd systeem’ zoals bedoeld in de wet.
4.3.
Dat er geen sprake is van een ‘op afstand’ gesloten overeenkomst, maakt dat een grondslag voor de vordering van [eiser] ontbreekt. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] informatieplichten heeft geschonden is dan ook niet toewijsbaar voor zover die betrekking heeft op een overeenkomst ‘op afstand’. In het kader van de ambtshalve toetsing stelt de kantontrechter wel vast dat er sprake is van een overeenkomst in de zin van 6:230l Burgerlijk Wetboek (BW) en dat [gedaagde] op die grond informatieplichten heeft, waarover hierna meer.
[gedaagde] is tekort geschoten
4.4.
De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Voor beantwoording van de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten, moet eerst beoordeeld worden wat partijen zijn overeengekomen. Bij beantwoording van die vraag, is niet alleen de tekst van de overeenkomst van belang, maar ook de betekenis die partijen in dat kader over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij in dat kader redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.6.
Vast staat dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden was de werkzaamheden die zijn vermeld in de pro-formafactuur uit te voeren. Vast staat ook dat dit tot op heden niet is gebeurd. [eiser] stelt dat partijen waren overeengekomen dat het uitvoeren van de werkzaamheden ongeveer drie weken in beslag zou nemen. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat partijen geen termijn zijn overeengekomen, maar juist zijn overeengekomen dat [gedaagde] de tijd mocht nemen voor het uitvoeren van de werkzaamheden omdat hij in het buitenland op zoek moest naar oorspronkelijke onderdelen. Hoewel hierover in de pro-formafactuur niets is opgenomen, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] er geen rekening mee hoefde te houden dat de werkzaamheden meer dan een half jaar in beslag zouden nemen. Daarvoor is van belang dat [eiser] in zijn e-mail van 17 maart 2025 meldt dat de reparatieduur ongeveer drie weken zal bedragen zoals telefonisch besproken. Als dat geen juiste weergave was, dan had het op dat moment op de weg van [gedaagde] gelegen om aan te geven dat dit niet reëel was en had hij daarbij aan moeten geven wanneer de reparatie wel gereed zou zijn. [3] Daar komt bij dat de stelling van [gedaagde] dat er geen termijn is overeengekomen geen steun vindt in de overgelegde stukken, aangezien daaruit juist volgt dat [eiser] veelvuldig bij [gedaagde] heeft geïnformeerd wanneer de reparatie klaar zou zijn. Dat [eiser] er geen rekening mee hoefde te houden dat het uitvoeren van de werkzaamheden maanden zou gaan duren, maakt alleen al dat [gedaagde] tekort is geschoten.
4.7.
Partijen twisten verder over de vraag of de werkzaamheden voor een vaste prijs zouden worden verricht, of dat de pro-formafactuur alleen een richtprijs bevatte. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] niet aangetoond dat het om een richtprijs gaat. De aanduiding “pro-forma” kan daartoe niet dienen. Op [gedaagde] rust, kort gezegd, de verplichting om [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over de totale prijs van de werkzaamheden en als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend de manier waarop de prijs moet worden berekend. [4] Daarnaast, indien extra leveringskosten van toepassing zijn, moet [gedaagde] [eiser] informeren dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn. In de litigieuze offerte staat een opsomming van werkzaamheden met gespecificeerde prijzen met onderaan een totaal bedrag. Informatie dat het om richtprijs gaat of dat er extra kosten bij zouden kunnen komen, ontbreekt. [eiser] mocht er daarom op vertrouwen dat de geoffreerde prijs voor de werkzaamheden van € 8.747,42 een vaste prijs is.
[gedaagde] moet de werkzaamheden alsnog uitvoeren
4.8.
Omdat [gedaagde] tekort is geschoten door de overeenkomst tot op heden niet na te komen, moet hij dat alsnog doen. Het verweer dat de door [eiser] beoogde restauratie niet kan worden gerealiseerd door alleen het uitvoeren van de werkzaamheden uit de pro-formafactuur, gaat niet op. Daarbij is van belang dat vast staat dat [gedaagde] de prijs van
€ 8.747,42 heeft geoffreerd nadat [gedaagde] de auto een paar dagen in zijn garage voor inspectie op de brug heeft gehad, zodat hij een duidelijk beeld heeft kunnen krijgen van de staat van de auto. Dat [gedaagde] [eiser] vervolgens bij het offreren van de prijs onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van meerkosten en de berekening daarvan komt voor zijn rekening en risico.
4.9.
De kantonrechter ziet onder ogen dat partijen op 18 augustus 2025 met elkaar gesproken hebben over het werk aan de auto en dat [eiser] een voorstel heeft gedaan voor een alternatieve afdoening met een andere prijs. [gedaagde] is daarmee niet akkoord gegaan. Deze omstandigheid doet daarom niet af aan hetgeen hiervoor is geoordeeld.
4.10.
[gedaagde] heeft verder nog betoogd dat [eiser] voor het sluiten van de overeenkomst geen juiste voorstelling van zaken heeft gegeven, waardoor bij het demonteren van de auto bleek dat de roestvorming veel ernstiger was dan gedacht. [gedaagde] stelt dat hij daarom de prijs mocht verhogen, maar dat verweer gaat niet op. Uit de wet [5] volgt weliswaar dat een aannemer de overeengekomen prijs mag aanpassen indien de kostenverhoging het gevolg is van door de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens welke voor de prijsbepaling van belang zijn, maar de opdrachtgever is in dat geval wel verplicht om zo spoedig mogelijk te waarschuwen voor de noodzaak van een prijsverhoging. [gedaagde] stelt dat hij [eiser] heeft gewaarschuwd voor extra kosten en heeft ter onderbouwing van dat standpunt verwezen naar een e-mail van 31 maart 2025. Uit die e-mail volgt echter alleen dat [gedaagde] er bij het demonteren van de auto achter is gekomen dat de roestvorming ernstiger was dan verwacht en dat hij graag telefonisch overleg wil. Uit deze e-mail kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] [eiser] heeft gewezen op extra kosten en wat de hoogte van die kosten dan zouden zijn. Nu [eiser] betwist dat [gedaagde] hem concreet heeft medegedeeld met welk bedrag de kosten zouden toenemen, is niet vast komen te staan dat [gedaagde] aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan. Voor zover het uitvoeren van de werkzaamheden uit de offerte extra kosten met zich meebrengt, komen deze kosten dan ook voor rekening van [gedaagde] .
4.11.
[gedaagde] moet de werkzaamheden uit de pro-formafactuur dus alsnog uitvoeren. Volgens [gedaagde] is [eiser] echter niet bereid om te betalen voor de werkzaamheden en daarom beroept [gedaagde] zich op opschorting. Dit beroep faalt. [eiser] heeft weersproken dat hij niet wil betalen en de kantonrechter ziet in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat [eiser] niet bereid is om te betalen op het moment dat de werkzaamheden zijn verricht.
4.12.
Tot slot heeft [gedaagde] ook nog een beroep gedaan op overmacht, maar ook dat beroep faalt. Hoewel het heel vervelend is dat [gedaagde] te maken heeft gehad met een brand, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] daarna meer dan voldoende tijd heeft gehad om de overeenkomst na te komen en hij zich niet achter de gevolgen van de brand kan blijven verschuilen.
Conclusie
4.13.
De conclusie is dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten zal worden toegewezen en dat [gedaagde] wordt veroordeeld de werkzaamheden uit de pro-formafactuur alsnog uit te voeren. Om te bewerkstelligen dat [gedaagde] dit alsnog binnen een redelijke termijn doet, vordert [eiser] dat de kantonrechter een dwangsom verbindt aan de veroordeling tot nakoming. De kantonrechter zal een dwangsom toewijzen, maar anders dan gevorderd zal [gedaagde] nog twee maanden de tijd krijgen om de reparatie uit te voeren. Verder zal de kantonrechter de dwangsom matigen tot € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00.
4.14.
[eiser] heeft verder nog aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien [gedaagde] zoals hiervoor is overwogen tekort is geschoten en voldoende is onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zal de vergoeding worden toegewezen zoals gevorderd.
4.15.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding
148,04
- griffierecht
- salaris gemachtigde
226,00
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.187,04

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident:
5.1.
wijst de vordering af.
in de hoofdzaak:
5.2.
verklaart voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] , binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, tot deugdelijke nakoming van de overeengekomen restauratiewerkzaamheden als omschreven op de pro-formafactuur van 17 maart 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 982,97 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.187,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:230g lid 1 onder 2 Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Kamerstukken II 2012/13, 33520, nr. 3 (MvT).
3.Artikel 6:230l aanhef en onder d BW
4.Artikel 6:230l aanhef en onder 2 BW
5.Artikel 7:753 lid 2 en lid 3 BW