ECLI:NL:RBNHO:2025:15798

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11826763
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van abonnementsgelden en toetsing van algemene voorwaarden in consumentenovereenkomst

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Noord-Holland op 17 december 2025, staat de verschuldigdheid van abonnementsgelden centraal. De eiser, een sportschool, vordert betaling van abonnementsgelden van een consument, die stelt dat hij zijn abonnement heeft opgezegd. De consument betwist echter de ontvangst van de opzeggingsbrief, waardoor de rechter concludeert dat de sportschool deze niet heeft ontvangen. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is en dat de consument de abonnementsgelden over de betreffende periode verschuldigd is.

De rechter toetst ambtshalve de precontractuele informatieverplichtingen en de algemene voorwaarden van de sportschool. Het blijkt dat de sportschool niet voldoende heeft aangetoond dat zij aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan, wat leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn, vooral met betrekking tot de eenzijdige prijswijzigingsbedingen en de incassokosten. De sportschool wordt in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de oneerlijkheid van deze bedingen.

De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling, waarbij de sportschool en de consument de kans krijgen om hun standpunten verder toe te lichten. De uitspraak benadrukt de bescherming van consumenten in overeenkomsten en de noodzaak voor handelaren om transparant te zijn over hun voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11826763 \ CV EXPL 25-2817 (NE)
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap [sportinstituut],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [sportinstituut] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 6 februari 2024 een Milon Cirkel 24 maanden resultaat formule overeenkomst gesloten met ingang van 20 februari 2024 voor € 59,90 per maand.
2.2.
[sportinstituut] hanteert algemene voorwaarden (versie 2024).

3.Het geschil

3.1.
[sportinstituut] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 486,56, vermeerderd met rente over € 257,50 vanaf de dag van dagvaarding en proceskosten.
3.2.
[sportinstituut] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] ondanks sommaties daartoe in gebreke is met betaling van de abonnementsgelden. [sportinstituut] vordert betaling van abonnementsgelden van € 61,00 per maand over januari 2025 tot en met juli 2025, te vermeerderen met drie keer stornokosten. Ook vordert [sportinstituut] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 40,00 en wettelijke rente die tot heden € 6,06 bedraagt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [sportinstituut] . [gedaagde] voert aan dat hij de abonnementsgelden niet is verschuldigd omdat hij de overeenkomst per brief van 27 november 2024 met ingang van 1 januari 2025 heeft opgezegd wegens medische redenen. De opzegging is telefonisch bevestigd. [gedaagde] betwist de ontvangst van de algemene voorwaarden en voert verweer tegen de tariefsverhoging. Verder voert [gedaagde] aan dat hij vanaf zijn opzegging tot het moment van de dagvaarding niets van [sportinstituut] heeft gehoord of gezien.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] de abonnementsgelden van januari 2025 tot en met juli 2025 moet betalen aan [sportinstituut] .
Is de overeenkomst opgezegd?
4.2.
[gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij de overeenkomst per brief heeft opgezegd met ingang van 1 januari 2025 wegens medische redenen en de vordering daarom moet worden afgewezen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een brief gedateerd op 27 november 2024 overgelegd. De ontvangst van deze brief wordt door [sportinstituut] betwist. Ook betwist [sportinstituut] de gestelde telefonische bevestiging van de opzegging. Het is daarom aan [gedaagde] de ontvangst van deze brief door [sportinstituut] te onderbouwen. De enkele stelling dat hij de brief per post heeft verstuurd en dat je mag verwachten dat deze binnen 48 uur is bezorgd, toont dat niet aan en is onvoldoende. Ook een verwijzing naar negatieve reviews van derden over de wijze waarop [sportinstituut] omgaat met opzeggingen en de medische gegevens tonen dat niet aan. In deze procedure is daarom niet komen vast te staan dat [sportinstituut] de brief heeft ontvangen. Aan deze opzeggingsbrief kan dus geen betekenis worden toegekend.
4.3.
Dit betekent dat er in deze procedure van uit moet worden gegaan dat de overeenkomst niet op 1 januari 2025 door opzegging is beëindigd en [gedaagde] daarom de abonnementsgelden is verschuldigd over januari 2025 tot en met juli 2025.
4.4.
Onweersproken is dat [gedaagde] geen gebruik meer maakt van het abonnement. [sportinstituut] vordert ook geen toekomstige abonnementsgelden. Voor zover [sportinstituut] zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst nu nog voortduurt, is de kantonrechter van oordeel dat de conclusie van antwoord van [gedaagde] , genomen op 13 augustus 2025, als een opzegging van de overeenkomst moet worden beschouwd. [sportinstituut] is op dat moment op de hoogte geraakt van de opzegging en de medische onderbouwing door [gedaagde] . Met in achtneming van een maand opzegtermijn is in dat geval de overeenkomst op 13 september 2025 beëindigd. En dan is het eventuele beroep van [sportinstituut] op de contractuele voorwaarden voor beëindiging op medische gronden in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter leidt uit de stelling van [gedaagde] dat ‘het onzinnig is dat je niet kan opzeggen’, af dat hij zich op die grond beroept. Hierbij weegt mee dat de afspraak dat de overeenkomst voor 24 maanden niet tussentijds kan worden opgezegd, behalve in de uitzonderingssituaties zoals genoemd in artikel 7 lid 3 van de algemene voorwaarden, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn en vernietigbaar is. [1] Dat een overeenkomst voor 24 maanden € 5,00 per maand goedkoper is dan een overeenkomst voor 12 maanden, neemt niet weg dat de mogelijkheid om de overeenkomst na één jaar op te zeggen ontbreekt. Een voordeel van € 5,00 per maand is onvoldoende om de onredelijkheid van dat beding weg te nemen. Dat de overeenkomst onder bepaalde voorwaarden tussentijds kan worden beëindigd, doet ook niet af aan het onredelijk bezwarende karakter van een tweejarig abonnement. Die voorwaarden doen zich namelijk alleen voor in zwaarwegende omstandigheden, zoals ziekte en verhuizing.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
4.5.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten. [2] Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [3]
4.6.
[sportinstituut] stelt te hebben voldaan aan de geldende precontractuele informatieplichten. Uit de stellingen van [sportinstituut] blijkt echter niet (voldoende) dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de wettelijke precontractuele verplichting tot het verstrekken aan [gedaagde] van haar contactgegevens, zoals telefoonnummer of e-mailadres. [4] Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
4.7.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie [5] en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 [6] moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
4.8.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door [gedaagde] oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom.
De algemene voorwaarden zijn van toepassing en ter hand gesteld
4.9.
Volgens [gedaagde] heeft hij niet getekend voor de algemene voorwaarden. Voor zover [gedaagde] hiermee betwist dat de algemene voorwaarden van [sportinstituut] van toepassing zijn op de overeenkomst, slaagt dat verweer niet. Voor de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is een aanbod en aanvaarding vereist. In de tussen partijen gesloten overeenkomst is een kader opgenomen met daarin de tekst “Hierbij ga ik akkoord met de voorwaarden, die ik bij ondertekening heb ontvangen” gevolgd door een handtekening in dat kader van [gedaagde] . De voorwaarden zijn dus in de overeenkomst van toepassing verklaard en [gedaagde] heeft voor akkoord met de voorwaarden getekend en deze daarmee aanvaard.
4.10.
[gedaagde] betwist ook dat de algemene voorwaarden aan hem zijn meegegeven bij het tekenen van het inschrijfformulier. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op vernietiging van de algemene voorwaarden, omdat aan hem geen redelijke mogelijkheid is gegeven kennis daarvan te nemen door deze aan hem ter hand te stellen. Op [sportinstituut] rust het bewijs van tijdige terhandstelling van haar algemene voorwaarden. [sportinstituut] heeft verwezen naar haar algemene werkwijze en gesteld dat [gedaagde] in de overeenkomst specifiek heeft getekend voor ontvangst van de algemene voorwaarden. Dat klopt. Op de overeenkomst staan twee handtekeningen van [gedaagde] ; een voor akkoord lidmaatschap en voor akkoord met de voorwaarden. Uit deze laatste ondertekening blijkt dat hij ook voor ontvangst van de voorwaarden heeft getekend. [gedaagde] heeft vervolgens in zijn tweede schriftelijke reactie niet gereageerd op het door [sportinstituut] ingenomen standpunt en zijn verweer ook niet nader onderbouwd. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat de algemene voorwaarden wel degelijk aan hem ter hand zijn gesteld en het beroep op vernietiging niet slaagt.
Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden
4.11.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [7] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Eenzijdig prijswijzigingsbeding
4.12.
In de algemene voorwaarden is een eenzijdig prijswijzigingsbeding opgenomen, op grond waarvan [sportinstituut] het abonnementsgeld per 1 januari 2025 heeft verhoogd van € 59,90 naar € 61,00 per maand. Volgens [sportinstituut] is de verhoging in november 2024 aan haar leden bekendgemaakt. [gedaagde] betwist dat.
4.13.
Het beding waarop [sportinstituut] een beroep doet luidt als volgt:
“Artikel 8 Betalingen en prijswijzigingen(…)3. Sportinstituut heeft het recht om een keer per jaar het tarief te verhogen met maximaal 5%. Sportinstituut heeft het recht om vanwege overheidsmaatregelen het tarief te verhogen, ongeacht de hoogte daarvan.4. Eventuele prijsverhogingen worden door Sportinstituut 4 weken voorafgaand aan de ingangsdatum bekend gemaakt.5. Indien een prijsverhoging plaatsvindt binnen de eerste 3 maanden van de overeenkomst, dan heef de consument het recht om de overeenkomst binnen 4 weken na de bekendmaking te ontbinden. (…)6. De mogelijkheid tot ontbinding uit lid 5 is niet van toepassing op prijsaanpassingen op basis van het CBS-prijsindexcijfer voor gezinsconsumpties of op prijsaanpassingen die direct voorvloeien uit de wet, zoals een btw-verhoging.”
4.14.
De kantonrechter stelt vast dat het beding in de algemene voorwaarden valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘l’ van de blauwe lijst behorende bij Richtlijn 93/13/EEG. Op grond van dat artikel in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [8] is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. De consument moet verder een reële mogelijkheid hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
4.15.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoen artikel 8.3 tot en met 8.6 van de algemene voorwaarden van [sportinstituut] niet, vanwege het ontbreken van zowel een geldige reden voor wijziging als een opzeggingsmogelijkheid. Die opzeggingsmogelijkheid is er alleen bij een verhoging binnen drie maanden van de overeenkomst. Daarom wordt het beding vermoed oneerlijk te zijn.
4.16.
[sportinstituut] heeft zich in de repliek al uitgelaten over het mogelijke oordeel dat het beding oneerlijk is. [sportinstituut] stelt dat de verhoging van circa 1,8% (binnen de bandbreedte van 5%) in dit geval redelijk en beperkt is en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet terzijde kan worden geschoven. Maar daarmee miskent ze dat de opzeggingsmogelijkheid er alleen is bij een verhoging binnen drie maanden van de overeenkomst. De kantonrechter vindt het beding op dat punt oneerlijk en zal het daarom vernietigen.
4.17.
[sportinstituut] heeft voor dit geval bij repliek al gesteld dat zij haar vordering beperkt tot het oorspronkelijke bedrag van € 59,90 per maand. De hoofdsom is daarom toewijsbaar tot € 335,44 (€ 59,90 -/- 20% x zeven maanden).
Incassokostenbedingen
4.18.
Artikel 10.2 van de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Daarin staat onder meer:

Bij niet tijdige betaling is de Consument van rechtswege in verzuim. Indien de incasso mislukt zal daarvoor € 4,50 in rekening worden gebracht.
4.19.
Verder betreft artikel 10.5 van de algemene voorwaarden een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:

Indien Sportinstituut over dient te gaan tot incasso van de vordering op de Consument, is hij voorts de administratiekosten en (buitengerechtelijke) incassokosten verschuldigd te grootte van de staffel incassokosten conform het percentage zoals bedoeld in de relevante incasso wet- en regelgeving, dan wel 15% van het openstaande bedrag, met een minimum van € 40,- euro. Vanaf de datum waarop een bedrag opeisbaar was, kan Sportinstituut de Consument 1% rente per maand in rekening brengen of de wettelijke rente indien die hoger is.
4.20.
[sportinstituut] vordert drie keer stornokosten van € 4,50 en baseert deze vordering naar de kantonrechter begrijpt op artikel 10.2 van haar algemene voorwaarden. Daarnaast vordert zij het minimumbedrag aan invorderingskosten, op basis van artikel 10.5 van de algemene voorwaarden. Zo worden dubbele kosten in rekening gebracht. Stornokosten worden namelijk geacht onder de buitengerechtelijke incassokosten te vallen. Verder volgt uit de formulering van deze incassobedingen dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten zijn verschuldigd, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. Voor zover [sportinstituut] wel een veertiendagenbrief aan [gedaagde] heeft verstuurd, wat wordt betwist, doet dat daaraan niet af. Of [sportinstituut] [gedaagde] ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. Hierbij komt dat de in artikel 10.5 bedongen vergoeding hoger is dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat deze bedingen aanzienlijk ten nadele van consumenten afwijken van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daarom is de kantonrechter voornemens om artikel 10.2 en artikel 10.5 van de algemene voorwaarden te vernietigen, voor zover deze betrekking hebben op de buitengerechtelijke incassokosten. [sportinstituut] mag zich hierover uitlaten.
Rentebeding
4.21.
Uit het rentebeding in artikel 10.5 van de algemene voorwaarden volgt dat de bedongen rente 1% per maand bedraagt. Dat is meer dan de wettelijke rente op het moment van het sluiten van de overeenkomst en dus oneerlijk. Daarom is de kantonrechter voornemens om artikel 10.5 van de algemene voorwaarden ook te vernietigen, voor zover dit betrekking heeft op de rente. [sportinstituut] mag zich hierover uitlaten.
Conclusie
4.22.
[sportinstituut] wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van de incassokostenbedingen en het rentebeding. Als hieraan niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht. [9]
4.23.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2026 om [sportinstituut] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor in 4.20. en 4.21. is overwogen,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] daarop bij antwoordakte mag reageren,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:237 sub k van het Burgerlijk Wetboek (BW) en ECLI:NL:GHSHE:2011:BP6620.
2.Artikel 6:230l BW.
3.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
4.Artikel 6:230l BW onder b BW.
5.HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.
6.Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
7.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
8.HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
9.Artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).