Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15780

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
11920619 / KG 24-140
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering achterstallig loon, vakantiegeld en reiskosten wegens onvoldoende bewijs in kort geding

Een werknemer vordert betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en reiskostenvergoeding van zijn werkgever, een eenmanszaak. Partijen zijn broers en hadden een arbeidsleerovereenkomst die per 30 juni 2025 is beëindigd. De werknemer stelt dat hij te weinig loon en vakantiegeld heeft ontvangen en dat reiskosten niet zijn vergoed, wat heeft geleid tot financiële problemen.

De werkgever voert aan dat betalingen deels via een administratiekantoor en deels contant of via andere kanalen zijn gedaan, en betwist de hoogte van de vorderingen. De kantonrechter stelt vast dat de feiten en bedragen onvoldoende duidelijk zijn en dat bewijsstukken ontbreken om vast te stellen wat precies is betaald en verrekend.

Omdat in een kort geding geen uitgebreid bewijs kan worden geleverd en nader onderzoek nodig is, oordeelt de kantonrechter dat de vorderingen zich niet lenen voor een kortgedingprocedure. De vorderingen worden daarom afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: De vorderingen van de werknemer worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs in kort geding.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11920619 \ KG EXPL 25-140 (SJ)
Vonnis in kort geding van 5 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J. Butter,
toevoegingsnummer: 4QX0931
tegen
[gedaagde 1] h.o.d.n. [eenmanszaak],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [eenmanszaak] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Een werknemer vordert achterstallig loon, vakantiegeld, reiskosten met rente en kosten. In verband met de over en weer ingenomen standpunten is nader onderzoek nodig. Daarvoor leent zich niet een kort geding. De vordering wordt daarom afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 21 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eenmanszaak] is een eenmanszaak en verricht onder andere werkzaamheden in de wegenbouw en het stratenmaken.
2.2.
Partijen zijn broers. [eiser] is op basis van een arbeidsleerovereenkomst werkzaam bij [eenmanszaak] in de functie van leerling opperman bestratingen voor 40 uur per week met een salaris van € 2.627,73 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bouw en Infra van toepassing. In de arbeidsleerovereenkomst staat dat de datum van indiensttreding 14 februari 2025 is.
2.3.
Partijen zijn door middel van een vaststellingsovereenkomst de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2025 overeengekomen.
2.4.
Per 1 september 2025 heeft [eiser] een nieuwe baan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter [eenmanszaak] veroordeelt tot betaling van
€ 1.922,68 bruto (minus € 8,45 bruto) aan achterstallig loon, onder overlegging van vijf deugdelijke specificaties over de perioden 2 tot en met 6 van 2025, waarop de bruto lonen zijn vermeld, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag indien [eenmanszaak] de deugdelijke specificaties niet binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis heeft verstrekt, en dat [eenmanszaak] het netto equivalent moet betalen dat uit de deugdelijke loonstroken volgt onder verrekening van de al betaalde bedragen. Verder vordert [eiser] dat de kantonrechter [eenmanszaak] veroordeelt tot betaling van € 905,22 bruto aan achterstallig vakantiegeld, € 3.441,60 aan reiskostenvergoeding, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt – samengevat – dat [eenmanszaak] op basis van de door [eiser] gewerkte uren te weinig loon heeft betaald. Verder is geen vakantiebijslag en geen reiskostenvergoeding betaald en is het dienstverband financieel niet afgewikkeld. Hierdoor heeft [eiser] twee maanden (juli en augustus 2025) nauwelijks inkomen gehad en een huurachterstand opgelopen. Daarnaast komen de netto betalingen die hij heeft ontvangen niet overeen met de netto bedragen die op de loonstroken staan. Er is soms te veel en soms te weinig ontvangen. Verder stelt [eiser] dat [eenmanszaak] geen storting heeft gedaan in het Tijdspaarfonds, terwijl dat op grond van de arbeidsovereenkomst wel had gemoeten.
3.3.
[eenmanszaak] voert – samengevat – als verweer aan dat hij een administratiekantoor heeft ingeschakeld voor de loonadministratie en dat hij het door het administratiekantoor berekende salaris gewoon op rekening van [eiser] heeft overgemaakt. [eenmanszaak] betwist dat te weinig salaris en vakantiegeld is betaald omdat ook bedragen via tikkies, zijn privérekening en contant aan [eiser] zijn betaald en er bedragen zijn verrekend. Verder voert [eenmanszaak] aan – zo begrijpt de kantonrechter – dat hij geen reiskosten aan [eiser] hoeft te betalen omdat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om niet mee te rijden met een collega en hij de tankpas van [eenmanszaak] heeft gebruikt.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1.
Voor een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Dit is voldoende gebleken, omdat [eiser] gedurende twee maanden nauwelijks inkomen heeft gehad, waardoor hij een huurachterstand heeft opgelopen.
4.2.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemproce-dure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3.
De kantonrechter komt hierna tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] zich niet lenen voor een kortgedingprocedure en daarom moeten worden afgewezen. Overwogen wordt als volgt.
Achterstallig loon
4.4.
Uit de overgelegde stukken en op basis van de door [eiser] gegeven toelichting kan, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden vastgesteld of [eiser] te weinig salaris, vakantiegeld en reiskosten heeft ontvangen en zo ja, hoeveel. Weliswaar kan worden vastgesteld dat het brutosalaris, dat staat vermeld op de loonstroken, niet overeenkomt met de vermenigvuldiging van de op de loonstrook vermelde verloonde uren met het bruto uurloon. Maar ook staat vast dat [eiser] andere (hogere en lagere) netto bedragen heeft ontvangen dan die op de loonstroken staan vermeld. Hierover heeft [eenmanszaak] op de zitting verklaard dat hij [eiser] via tikkies, zijn privérekening en contant heeft betaald om [eiser] tegemoet te komen en een en ander heeft verrekend. Dit heeft [eiser] als zodanig niet weersproken.
4.5.
Partijen hebben op vragen van de kantonrechter echter niet duidelijk gemaakt hoeveel geld op deze wijze is betaald en waarmee nu precies is verrekend. Bewijsstukken hiervan zijn ook niet overgelegd. Op deze punten is dus nader onderzoek en bewijsvoering nodig. Te meer omdat [eenmanszaak] stelt dat hij het schoolgeld voor [eiser] heeft betaald en dat [eiser] zijn school vroegtijdig heeft beëindigd. Niet duidelijk is geworden of [eenmanszaak] dit heeft verrekend met het aan [eiser] toekomende salaris. En [eiser] stelt op zijn beurt dat hij € 7.000,00 heeft geleend aan [eenmanszaak] omdat hij zijn personeel niet kon betalen en dat de contante betalingen die van [eenmanszaak] zijn ontvangen zien op de aflossing van deze lening. [eenmanszaak] betwist vervolgens dat hij € 7.000,00 van [eiser] heeft geleend.
Vakantiegeld
4.6.
Ook op het punt van het vakantiegeld is nader onderzoek en bewijsvoering nodig. Op de zitting heeft [eiser] erkend dat [eenmanszaak] in mei 2025 een bedrag van € 900,00 contant aan vakantiegeld heeft betaald. Volgens [eiser] is dit bedrag verwerkt in de berekening die in de dagvaarding staat, maar dit blijkt juist niet uit de berekening van het achterstallig vakantiegeld. In de dagvaarding staat slechts dat in totaal € 1.125,00 bruto aan vakantiegeld is verschuldigd en dat daarvan € 219,79 bruto is voldaan, zodat nog een bedrag van € 905,22 bruto aan vakantiegeld resteert. Hoe dit is te rijmen met het ontvangen contante bedrag van € 900,00, heeft [eiser] ook niet toegelicht. Afgezien daarvan komt dit standpunt van [eiser] niet overeen met zijn stelling dat de contante betalingen zien op aflossingen van een lening. [eiser] heeft overigens geen bewijs van de gestelde lening overgelegd.
Reiskosten
4.5.
Wat betreft de reiskosten stelt de kantonrechter vast dat [eenmanszaak] niet heeft weersproken dat [eiser] op grond van de arbeidsovereenkomst en de cao Bouw en Infra, die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, in beginsel recht heeft op een reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer indien meer dan 15 km per dag moet worden gereisd. [eenmanszaak] is van mening dat [eiser] geen recht heeft op een reiskostenvergoeding omdat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om niet met een collega mee te rijden en [eiser] de tankpas van [eenmanszaak] heeft gebruikt. [eiser] stelt daar tegenover dat het gezien zijn woonplaats ( [plaats] ), de woonplaats van zijn collega ( [… 1] ) en de plaatsen waar hij vaak werkte niet gunstig was om met een collega mee te rijden. [eiser] betwist niet dat hij gebruik maakte van de tankpas van [eenmanszaak] . Om de vraag te kunnen beantwoorden of [eiser] onder bovengenoemde omstandigheden nog steeds recht heeft op een reiskostenvergoeding conform de cao Bouw en Infra, heeft [eiser] te weinig gesteld. Het is ook niet aan de kortgedingrechter om dit uit te zoeken. Dat gaat de kaders van dit kort geding te buiten.
Voorlopige conclusie
4.6.
Om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen over (de hoogte van) het achterstallige salaris, het vakantiegeld en de reiskosten moet naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op het voorgaande, nader feitenonderzoek te worden verricht en/of verdere bewijsvoering te worden geleverd, waarvoor de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg. Dat betekent dat binnen de kaders van deze kortgedingprocedure een grondslag voor de gestelde vorderingen van [eiser] niet is komen vast te staan.
4.7.
Gelet op het voorgaande kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op dit moment nog niet worden aangenomen dat de bodemrechter de vorderingen van [eiser] zal toewijzen.
4.8.
Het voorgaande brengt met zich dat de loonvordering en de daarmee samenhangende vorderingen niet toewijsbaar zijn.
4.9.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die de kantonrechter aan de zijde van [eenmanszaak] vaststelt op nihil, omdat niet is gebleken dat [eenmanszaak] (procederend in persoon) daarvoor in aanmerking te nemen proceskosten heeft gemaakt.

5.5. De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [eenmanszaak] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.