ECLI:NL:RBNHO:2025:15743

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/364120-24; 15/332161-24 (gev.); 15/199670-23 (gev.); 15/371762-24 (gev.); 15/161219-24 (vord. tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting en andere strafbare feiten

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder gekwalificeerde opzetverkrachting, bedreiging en mishandeling. De verdachte heeft op 14 oktober 2024 in Haarlem het slachtoffer, een jonge en kwetsbare vrouw, met geweld verkracht. Daarnaast heeft hij de vader van het slachtoffer bedreigd en een medewerker van een winkel mishandeld. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en heeft bijzondere voorwaarden opgelegd. Tevens is er een taakstraf van 240 uren opgelegd en een houdverbod voor dieren voor 3 jaren. De rechtbank heeft ook vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waaronder een schadevergoeding van € 5.000,- aan het slachtoffer van de verkrachting en € 200,- aan de benadeelde partij van de mishandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich in het verleden al schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten en dat er een hoog recidiverisico is. De rechtbank heeft de verdachte ook verbeurdverklaring van zijn katten opgelegd, omdat hij tekort is geschoten in de verzorging van deze dieren. De uitspraak is gedaan in het belang van de slachtoffers en de maatschappij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/364120-24; 15/332161-24 (gev.); 15/199670-23 (gev.); 15/371762-24 (gev.); 15/161219-24 (vord. tul) (P)
Uitspraakdatum: 9 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 november 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting van 3 februari en 23 april 2025 gevoegd. De in de verschillende zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(15/364120-24)
1.
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Haarlem, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer A] (telkens) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer A] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer A] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer A] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer A]
- met een (vuur)wapen te bedreigen en/of
- ( bij haar armen) vast te houden en/of
- te duwen en/of
- op haar hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan;
(15/332161-24)
2.
hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Haarlem [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer B] dreigend de woorden toe te voegen "Pas op pas op. Jij moet over je schouder blijven kijken. Ik steek je neer. Ik steek je. ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(15/199670-23)
3.
hij op of omstreeks 9 augustus 2023 te Haarlem [slachtoffer C] heeft mishandeld door één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;
(15/371762-24)
4.
hij in of omstreeks 5 november 2024 tot en met 19 november 2024, te Haarlem als houder van een of meer dieren, te weten twee katten de nodige verzorging aan dat/deze dier(en) heeft onthouden, immers heeft hij, verdachte, de katten niet voorzien van
- een schone en/of gezonde en/of veilige leefruimte en/of
- voldoende leefruimte en/of voldoende gelegenheid tot beweging;
zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit partieel moet worden vrijgesproken van het brengen van zijn penis in de mond van de aangeefster, het bedreigen met een vuurwapen en het slaan.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat het dossier onvoldoende steunbewijs biedt voor deze verklaringen, waardoor het bewijsminimum niet wordt gehaald. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat alleen het brengen van de penis van de verdachte in de vagina van de aangeefster bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft de andere onderdelen van de tenlastelegging steeds stellig ontkend en het dossier bevat geen aanknopingspunten die de verklaring van de aangeefster op deze punten ondersteunen.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de aangever blijkens zijn aangifte heeft aangegeven dat hij zich op de ten laste gelegde dag niet (direct) bedreigd voelde.
Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten
sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en
door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder
vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
feit 3 (mishandeling [slachtoffer C] )
  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 november 2025;
  • een proces-verbaal van aangifte door aangever [slachtoffer C] van 9 augustus 2023 (pagina’s 5 tot en met 8);
  • een proces-verbaal van bevindingen van 9 augustus 2023 met fotobijlagen (pagina’s 13 tot en met 18 van het procesdossier);
feit 4 (onthouden nodige zorg dieren)
  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 november 2025;
  • een proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2024 met fotobijlagen (pagina’s 5 tot en met 57 van het procesdossier).
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die
daartoe bevoegd zijn en voldoen ook aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.3.2
Bewijsoverweging feit 1 (gekwalificeerde opzetverkrachting [slachtoffer A] )
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte en de aangeefster op 14 oktober 2024 seks met elkaar hebben gehad, waarbij de verdachte zijn penis in de vagina van de aangeefster heeft gebracht. Volgens de aangeefster is dit tegen haar wil gebeurd en was zij onder invloed van alcohol. De verdachte daarentegen heeft verklaard dat dit wel gebeurd is, maar dat het binnen een relationele context en op basis van vrijwilligheid heeft plaatsgevonden. De aangeefster heeft niet aangegeven dat zij dit niet wilde. Ook was de aangeefster niet onder invloed van alcohol, aldus de verdachte. Ter discussie staat dus of de seks plaatsvond tegen de wil van de aangeefster en of de verdachte wist dat bij haar de wil ontbrak.
Beoordeling bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat volgens de Wet seksuele misdrijven welke in werking is getreden op 1 juli 2024 van opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) sprake is als degene die met een persoon seksuele handelingen verricht, welke handelingen bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de verklaring van het vermeende slachtoffer betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs is. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of deze verklaring voldoende wordt ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de verklaring van het slachtoffer met bijkomend bewijs wordt ondersteund. Voor een bewezenverklaring kan het voldoende zijn dat de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar nu deze consistent zijn en op relevante onderdelen overeenkomen met objectief vast te stellen feiten. Daarbij betrekt de rechtbank de rapportage van 15 mei 2025 van rechtspsycholoog dr. G. Wolters, deskundig op het gebied van betrouwbaarheidsonderzoek, die de verklaringen van de aangeefster op betrouwbaarheid heeft onderzocht. In dit rapport heeft genoemde deskundige geconcludeerd dat de geringe gedetailleerdheid van de verklaringen en de consistentie van de verklaringen aanzienlijk beter passen bij het scenario dat de verklaringen van de aangeefster betreffende het seksueel misbruik en mishandeling door de verdachte betrouwbaar zijn, dan bij het scenario dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. De verklaringen van de aangeefster worden bovendien ondersteund door de hierna weer te geven bevindingen van verbalisant Vos. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
In dat verband zijn ten eerste de bevindingen van verbalisant Vos van belang toen hij in de ochtend van 14 oktober 2024, ter plaatse kwam bij de woning van de verdachte kort nadat zijn collega via WhatsApp een bericht van de aangeefster had ontvangen waarin zij had laten weten dat zij net door de verdachte was verkracht in zijn woning. De verbalisant heeft gerelateerd dat de voordeur van de woning werd geopend door de verdachte, dat de aangeefster kort daarna de voordeur uit kwam lopen, dat zij te kennen gaf dat zij daar direct weg wilde en dat zij in paniek was. De aangeefster verklaarde ter plekke dat zij die dag onvrijwillige seks had gehad met de verdachte en dat zij bang voor de verdachte was. Tijdens het afleggen van haar verklaring kwam zij meerdere keren in paniekaanvallen terecht. De rechtbank overweegt dat deze emotionele toestand past bij iemand ten aanzien van wie kort daarvoor een seksueel delict is gepleegd.
De rechtbank neemt eveneens in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat bemonsteringen die zijn afgenomen van de op 14 oktober 2024 in beslag genomen onderbroek van de aangeefster blijkens het NFI-rapport van 25 november 2024 DNA bevatten waarvan het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat het DNA afkomstig is van de aangeefster en de verdachte dan van de aangeefster en een willekeurige onbekende persoon. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 16 oktober 2024 in de vagina van de aangeefster mannelijk sperma is aangetroffen ten aanzien waarvan in het NFI-rapport wordt beschreven dat het Y-chromosomaal DNA-profiel zeer veel waarschijnlijker is wanneer het mannelijke sperma in de bemonstering afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man dan wanneer het mannelijke DNA afkomstig is van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan de verdachte. Dit draagt bij aan het bewijs dat de verdachte met zijn penis de vagina van de aangeefster is binnengedrongen.
Gekwalificeerde opzetverkrachting
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de seksuele handelingen bestonden uit het brengen van de penis van de verdachte in de vagina van de aangeefster. Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat het brengen van verdachtes penis in haar vagina tegen haar wil plaatsvond en dat dit vergezeld ging van geweld in de vorm van het op de bank duwen en het vasthouden van de armen, waarbij de aangeefster verstijft raakte. Gelet op deze omstandigheden kan de conclusie niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat bij de aangeefster de wil ontbrak toen hij seks met haar had. Door de aangeefster te duwen en haar bij haar armen vast te houden, is deze opzetverkrachting naar het oordeel van de rechtbank vergezeld gegaan van geweld. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de delen van de tenlastelegging die zien op het brengen van zijn penis in de mond van de aangeefster, het bedreigen met een vuurwapen en het slaan. De aangeefster heeft hier wisselend over verklaard en het dossier bevat ook anderszins geen aanwijzingen dat dit zou zijn gebeurd.
Verklaring van de verdachte ongeloofwaardig
In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank, reeds gelet op het voorgaande, geen geloof hecht aan de lezing van de verdachte dat sprake was van vrijwilligheid. De rechtbank hecht te minder waarde aan diens lezing nu de verdachte, nadat hij zich eerst (voornamelijk) op zijn zwijgrecht heeft beroepen (nadien) wisselend heeft verklaard met betrekking tot hetgeen op de ten laste gelegde datum zou hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft immers tijdens zijn eerste politieverhoor op 19 november 2024 verklaard dat hij ongeveer een half jaar geleden een of twee keer seks heeft gehad met de aangeefster en pas in het politieverhoor van 1 april 2025 verklaard (inderdaad) seks met de aangeefster te hebben gehad op de ten laste gelegde datum.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting.
3.3.3
Bewijsoverweging feit 2 (bedreiging [slachtoffer B] )
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van zo’n aard is en onder zulke omstandigheden heeft plaatsgevonden dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij slachtoffer zou worden van zware mishandeling en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt, wel moet de bedreiging van zo’n aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.
De rechtbank overweegt dat aangever [slachtoffer A] en getuigen [getuige A] en [getuige B] hetzelfde verklaren over de toedracht, de aard en de inhoud van de bedreigingen. Er was sprake van een ruzie tussen de aangever en de verdachte, waarbij de verdachte voornoemde aangever heeft bedreigd door te zeggen dat hij hem neer zou gaan steken, of woorden van gelijke strekking. De rechtbank is van oordeel dat onder zulke omstandigheden een bedreigde in het algemeen een redelijke vrees kan krijgen dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat aangever [slachtoffer A] heeft aangegeven zich op dat moment niet bedreigd te hebben gevoeld, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op 14 oktober 2024 te Haarlem met een persoon, te weten [slachtoffer A] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer A] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer A] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van dwang en geweld, door die [slachtoffer A]
- bij haar armen vast te houden en
- te duwen;
2.
hij in de periode van 27 augustus 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Haarlem [slachtoffer B] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer B] dreigend de woorden toe te voegen "Pas op pas op. Jij moet over je schouder blijven kijken. Ik steek je neer. Ik steek je. ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op 9 augustus 2023 te Haarlem [slachtoffer C] heeft mishandeld door die [slachtoffer C] in het gezicht te stompen;
4.
hij op 19 november 2024, te Haarlem als houder van dieren, te weten twee katten de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, immers heeft hij, verdachte, de katten niet voorzien van
- een schone en/of gezonde en/of veilige leefruimte.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
gekwalificeerde opzetverkrachting;
feit 2:
bedreiging met zware mishandeling;
feit 3:
mishandeling;
feit 4:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 23 juni 2025, te worden verbonden. Hierbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden zal bevelen. De officier van justitie heeft verder een taakstraf voor de duur van 240 uur gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte een houdverbod van dieren op te leggen voor de duur van vijf jaar.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de straf te beperken tot het al uitgezeten voorarrest en om daarnaast geen taakstraf op te leggen. Ten aanzien van het gevorderde houdverbod voor dieren heeft de raadsvrouw verzocht de duur hiervan te beperken.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij heeft het slachtoffer, een jonge en kwetsbare vrouw, met gebruik van dwang en geweld verkracht. De verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar het slachtoffer een periode met enige regelmaat verbleef als zij geen plek had om te slapen. Het huis van de verdachte was dan ook een plek waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer op ingrijpende wijze geschonden. Slachtoffers van feiten als het onderhavige kunnen daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft de gevolgen voor het slachtoffer door zijn handelen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van voornoemd slachtoffer. Daarmee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij de benadeelde opgewekt. Verder is de verdachte als houder van twee katten in meerdere opzichten tekort geschoten in de verzorging van deze van hem afhankelijke katten. De katten bevonden zich in de woning van de verdachte tussen de vuilnis, etensresten, drugsresten en scherpe voorwerpen. Deze wijze van huisvesting heeft negatieve gevolgen gehad voor de gezondheid van de katten, die last hadden van vlooien, blaasgruis en/of ontstoken tandvlees. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de medewerker van een winkel, die tijdens de uitoefening van zijn werk opeens werd geconfronteerd met het agressieve gedrag van de verdachte. Het handelen van de verdachte heeft pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en zijn lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 1 juli 2025. Hieruit blijkt dat de
verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien liep de verdachte op het moment van het plegen van drie van de feiten nog in een proeftijd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij het opleggen van een straf.
De rechtbank heeft verder gekeken naar het rapport van de reclassering van 23 juni 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte vormen de grootste risicofactoren en staan mogelijk of indirect in verband met het delict. De verdachte heeft traumatische gebeurtenissen uit zijn verleden niet kunnen verwerken en is daarom al bijna zijn hele leven verslaafd aan alcohol en drugs. Ook ziet de reclassering instabiliteit op diverse leefgebieden van de verdachte, wat ook risico verhogend werkt. De verdachte heeft geen dagbesteding, een laag inkomen en omringt zich met een negatief (gebruikers)netwerk. Het risico op geweld wordt ook als hoog ingeschat. Gezien de ernst van zijn middelengebruik, onvoldoende actuele diagnostiek, onverwerkte trauma's op psychosociaal vlak en het hoge recidiverisico, adviseert de reclassering om dit binnen een klinische setting te behandelen. Na afronding van de klinische opname kan de behandeling ambulant worden voortgezet en kan er worden gekeken naar uitstroom voor huisvesting in een bij voorkeur andere regio. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, (iii) een contactverbod met [slachtoffer A] en [slachtoffer B] , (iv) een locatieverbod zonder elektronische monitoring, (v) het meewerken aan middelencontrole, (vi) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en (vii) opname in een zorginstelling. Tot slot adviseert de reclassering de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 18 september 2025 geschorst zodat de verdachte kon worden opgenomen in de forensische kliniek De Hooge Venne in Heiloo. Voorafgaand aan de zitting is door de officier van justitie een bericht van de reclassering van 24 november 2025 overgelegd waaruit volgt dat de verdachte in de kliniek is gestart met verslavingstherapie, is aangemeld voor diverse trainingen en vijf dagdelen per week dagbesteding heeft. Ook volgt uit dit bericht dat de verdachte goed meewerkt en gemotiveerd is om deel te nemen aan zijn behandeling.
De op te leggen straf
De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende – en met name indachtig de verslavings- en psychische problematiek van de verdachte – is de rechtbank echter van oordeel dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. De rechtbank acht het in zowel het belang van de verdachte als de maatschappij dat de verdachte zijn huidige behandeling en verblijf bij de forensische kliniek De Hooge Venne kan voortzetten en onder de nodige zorg en begeleiding kan toewerken naar ambulante behandeling en huisvesting in een andere regio. Ten tijde van het plegen van de feiten was de verdachte ernstig verslaafd aan alcohol en drugs en hij is nu gestart met een behandeling die erop is gericht deze verslaving en andere psychische problematiek onder controle te brengen, waarvoor de verdachte gemotiveerd is. De rechtbank wil dit niet doorkruizen. Oplegging van een straf waarbij het onvoorwaardelijk deel langer is dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, acht de rechtbank dan ook onwenselijk.
Dit betekent dat de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden zal opleggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van acht maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur moet worden opgelegd.
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank grondt dat oordeel op het strafblad van de verdachte, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte is gerecidiveerd terwijl hij in een proeftijd liep. Daarnaast grondt de rechtbank dat oordeel op de inhoud van het reclasseringsrapport, waarin onder meer naar voren is gekomen dat de kans op recidive en op geweld als hoog worden ingeschat.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ook zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren opleggen, die inhoudt dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren geen katten of andere dieren mag houden.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
opheffen.

7.Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven dieren, te weten:
1. 1 STK Kat (PL1100-2024257554-G1670049, Zwart);
2. 1 STK Kat (PL1100-2024257554-G1670036, Rood),
dienen te worden verbeurd verklaard. De dieren zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoren en het onder 4 bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot deze dieren.

8.Vordering benadeelde partij [slachtoffer A] (feit 1)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer A] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 10.000,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde immateriële schade wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de hoogte van de immateriële schadevergoeding te matigen nu bij het slachtoffer al psychische problemen aanwezig waren en mede gelet op de voorgestelde schadevergoedingen in de zogenoemde Rotterdamse schaal en schadevergoedingen toegekend in vergelijkbare zaken.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in zijn of haar persoon is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in dit geval aan de orde, gelet op de bewezen verklaarde gekwalificeerde opzetverkrachting. Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor verkrachting van tamelijk ernstige aard, te weten een bandbreedte van bedragen tussen de € 2.500,- en € 7.500,-. In de kwetsbaarheid van de benadeelde partij en het toepassen van dwang en geweld bij de opzetverkrachting ziet de rechtbank aanleiding om de schade te begroten op het midden van deze schaal. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de benadeelde partij al kampte met psychische klachten geen aanleiding het bedrag te matigen. De rechtbank overweegt dat – wat er ook zij van de door de verdediging gestelde mogelijke predispositie dan wel pre-existentiële klachten van de benadeelde partij – aannemelijk is dat de psychische problematiek van de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit is verergerd. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, een bedrag van € 5.000,- billijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft
gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: gekwalificeerde opzetverkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9.Vordering benadeelde partij [slachtoffer C] (feit 3)

De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.844,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bedraagt € 344,- en bestaat uit de kosten voor zijn kapotte bril. De gestelde immateriële schade bedraagt € 1.500,- en wordt gevorderd wegens het lichamelijk letsel en de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
9.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, aangezien zowel de materiële als de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de gevorderde materiële en immateriële schade te matigen.
9.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank dat een onderbouwing van de gestelde schade ontbreekt, maar dat vaststaat dat als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit schade is ontstaan aan de bril van de benadeelde partij. De rechtbank begroot deze schadepost schattenderwijs op € 100,- voor de reparatie van de bril. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen en zal de benadeelde partij voor het overige bedrag niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren, nu – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die lichamelijk letsel heeft opgelopen recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In dit geval is sprake van lichamelijk letsel omdat de benadeelde partij door de verdachte in zijn gezicht is geslagen en hierdoor een beurse plek en pijn aan zijn hoofd en zijn kaak heeft opgelopen. Gelet op de aard van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding tot een geldbedrag van € 100,- billijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen. In het resterende deel van de vordering met betrekking tot immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 200,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2023 tot aan de
dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft
gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 30 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 15/161219-24 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft aanvankelijk gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd, maar heeft haar vordering op de zitting gewijzigd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging. Genoemd vonnis is gewezen na de bewezen verklaarde feiten, waardoor de bewezen verklaarde feiten niet in de proeftijd van genoemd vonnis zijn gepleegd.
De raadsvrouw heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de
vordering te oordelen en dat de officier van justitie, gelet op het feit dat de bewezen verklaarde feiten niet in de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling zijn gepleegd,
daarin niet-ontvankelijk is.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
  • 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2.2, 8.11a en 8.12 van de Wet dieren.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 [achttien] maanden.
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
8 [acht] maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 [drie] jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Zijlweg 148C in Haarlem. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat opnemen in FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de klinische opname is afgerond. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer A] , geboren op [geboortedatum A] en [slachtoffer B] , geboren op [geboortedatum B] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich niet bevindt in de Bantamstraat in Haarlem, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel
14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
240 [tweehonderdveertig] urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 [honderdtwintig] dagen hechtenis;
vrijheidsbeperkende maatregel
legt op een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de zin van artikel 8.11a van de Wet dieren voor de duur van 3 [drie] jaren. De maatregel houdt in dat de verdachte:
- 3 [ drie] jaren geen dieren houdt;
voorlopige hechtenis
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verbeurdverklaring
verklaart verbeurd:
1. STK Kat (PL1100-2024257554-G1670049, Zwart);
2. 1 STK Kat (PL1100-2024257554-G1670036, Rood);
vordering benadeelde partij [slachtoffer A]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.000,- [vijfduizend euro], als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer A] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer A] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,- [vijfduizend euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
vordering benadeelde partij [slachtoffer C]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 200,- [tweehonderd euro], bestaande uit € 100,- [honderd euro] als vergoeding voor de materiële en € 100,- [honderd euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer C] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer C] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,- [tweehonderd euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
vordering tot tenuitvoerlegging
verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/161219-24.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. J.C. van den Bos en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Maerman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Mr. A. Talmricht is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.