ECLI:NL:RBNHO:2025:15700

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/15/371981 / FA RK 25-5960
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BWArt. 1:276 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag vader en benoeming voogd over zes minderjarige kinderen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag van een vader over zes minderjarige kinderen. De vader had sinds het overlijden van de moeder in juli 2023 het gezag, maar de kinderen wonen al geruime tijd niet meer bij hem vanwege ernstige persoonlijke problematiek van de vader en de onveilige thuissituatie.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank het gezag van de vader te beëindigen en de voogdij toe te wijzen aan de gecertificeerde instelling (GI) voor twee kinderen en aan de pleegmoeder voor de overige vier kinderen. De kinderen verblijven in verschillende pleeggezinnen en instellingen, en de vader is onvoldoende in staat gebleken zijn gezag uit te oefenen.

De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de vader niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. De belangen van de kinderen staan voorop. Daarom werd het gezag van de vader beëindigd en werd de GI benoemd tot voogd over twee kinderen en de pleegmoeder over de overige vier. De beslissing is direct uitvoerbaar en de vader moet verantwoording afleggen over het vermogen van de kinderen.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vader wordt beëindigd en de voogdij wordt toegewezen aan de gecertificeerde instelling en de pleegmoeder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371981 / FA RK 25-5960
Datum uitspraak: 10 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,
[de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 5] ,
[de minderjarige 6], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 6] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.M. Neervoort uit Den Helder,
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2025
  • het gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 december 2025, met betrekking tot [de minderjarige 4] .
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegmoeder.
1.3.
De Raad en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De Raad met mondeling bericht aan de rechtbank voorafgaand aan de zitting.
1.4.
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter op de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [de minderjarige 4] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening kenbaar te maken.

2.De feiten

2.1.
De vader is sinds het overlijden van de moeder in juli 2023 alleen belast met het gezag over de kinderen.
2.2.
[de minderjarige 1] verblijft op een woongroep van Co-operatief Zorg in [plaats] . [de minderjarige 4] verblijft sinds 28 juni 2025 bij tante [tante] (zus van overleden moeder) en haar partner oom [oom] , in [plaats] . [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] verblijven in een netwerkpleeggezin, te weten bij de pleegmoeder. Zij is de nicht van hun overleden moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 september 2023 is [de minderjarige 1] voorlopig
onder toezicht gesteld tot 19 december 2023. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 december 2023 zijn [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] onder toezicht gesteld tot 18 december 2024. Deze maatregelen zijn bij beschikking van 4 december 2024 verlengd tot 18 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 september 2023 heeft de kinderrechter ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 december 2024 tot 18 december 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 december 2023 is een machtiging
uithuisplaatsing verleend om [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen tot 18 september 2024, waarbij [de minderjarige 4] is geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] in een netwerkpleeggezin (pleegmoeder). Deze machtiging is verlengd bij beschikking van 4 december 2024 tot 18 december 2025 voor alle vijf de kinderen. Bij beschikking van 30 juni 2026 is de machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige 4] verleend bij het netwerkpleeggezin van tante [tante] en oom [oom] , vanaf 1 augustus 2025 tot 18 december 2025. Voor [de minderjarige 2] is de plaatsing bij beschikking van 8 oktober 2025 gewijzigd naar een pleeggezin in [plaats] , tot 5 november 2025.
2.6.
De pleegmoeder heeft zich bij brief van 13 november 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] .
2.7.
De GI heeft zich bij brief van 27 november 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 4] . Voor [de minderjarige 4] voor de duur van drie maanden, omdat het voogdijschap daarna zou worden overgenomen door de Jeugdbescherming Gelderland.

3.Het verzoek

Beëindiging gezag
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 4] te benoemen en de pleegmoeder tot voogd over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] te benoemen. Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
3.2.
De kinderen hebben in hun leven al veel meegemaakt. Toen de kinderen nog thuis woonden, is het de ouders/de vader vanwege hun persoonlijke problematiek (zoals alcoholverslaving) niet gelukt om de kinderen een veilige en voorspelbare opvoedsituatie te bieden en heeft het de kinderen aan veel (basis)zorg en opvoeding ontbroken. De kinderen zijn verwaarloosd en slachtoffer en getuige geweest van huiselijk geweld in de thuissituatie. Hun moeder is in juli 2023 overleden. De vader kampt momenteel (nog steeds) met persoonlijke en financiële problematiek en mogelijk verslavingsproblematiek en de kinderen wonen al bijna tweeënhalf jaar niet meer bij hem. [de minderjarige 1] woont in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de andere kinderen wonen in netwerkpleeggezinnen. Het gaat overwegend goed met hen allemaal; ze zijn gezond en worden goed verzorgd, zijn gewend geraakt aan hun nieuwe leef- en thuissituaties en aan de mensen die voor hen de verzorger- of ouderrol op zich hebben genomen. Vanuit de voor hen nieuwe, stabiele en veilige situaties is het voor hen mogelijk om therapieën te volgen en ingrijpende gebeurtenissen uit de gezinssituatie met hun ouders te verwerken. De Raad heeft bewondering voor de veerkracht die de kinderen de afgelopen jaren hebben laten zien, sinds de uithuisplaatsingen. Het is de vader na de uithuisplaatsingen echter niet gelukt om tot een gedragsverandering te komen en de zorgen die leiden tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, weg te nemen. De verwachting is niet dat de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn zal kunnen dragen.
3.3.
De vader is de afgelopen jaren ook niet in staat gebleken om goed uitvoering te geven aan zijn ouderlijk gezag over de kinderen. Hoewel de vader de zorgen over de kinderen veelal erkent en mee wil bewegen in wat nodig is voor de kinderen, wordt hij zo in beslag genomen door zijn persoonlijke problematiek dat het hem niet lukt zijn gezag uit te oefenen. Hierdoor kunnen zaken die voor de kinderen nodig en belangrijk zijn, vaak pas met vertraging en met veel inspanning van pleegouders, de woongroep en de GI geregeld worden. Doordat de vader alleen op afstand en slechts beperkt betrokken is bij de kinderen en hij zich enkel op initiatief van anderen laat informeren, is hij volgens de Raad ook niet voldoende in staat om zelfstandig de juiste afwegingen voor de kinderen te maken.
3.4.
Gelet op het voorgaande is een gezagsbeëindiging voor alle kinderen nodig om ervoor te zorgen dat gezagsbeslissingen (zonder vertraging) tot stand kunnen komen. Een gezagsbeëindiging zou daarnaast bij kunnen dragen aan rust voor zowel de kinderen als de vader. De kinderen hoeven dan geen frustraties meer te voelen over dat wat niet (tijdig) geregeld wordt en de vader hoeft niet meer belast te worden met dit soort zaken. Uiteindelijk zou deze rust mogelijk bij kunnen dragen aan het contactherstel tussen de vader en de kinderen.
Voogdij
3.5.
De Raad verzoekt om de pleegmoeder te belasten met de voogdij over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] . De pleegmoeder draagt sinds de uithuisplaatsing namelijk de dagelijkse zorg over deze kinderen en is ook bereid om dit te blijven doen. De kinderen ervaren een goede band met de pleegmoeder en zien haar als hun ouder. De pleegmoeder neemt nu reeds de meeste beslissingen over de kinderen en wordt hierin gesteund door de vader, in die zin dat hij het nemen van beslissingen aan haar overlaat en vertrouwen heeft in de pleegmoeder als voogd.
3.6.
In het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 4] moet de GI belast worden met de voogdij over hen, aldus de Raad. Voor [de minderjarige 1] geldt namelijk dat Co-operatief Zorg niet kan voorzien in de voogdij. Voor [de minderjarige 4] geldt dat haar pleegouders, tante [tante] en oom [oom] , nog maar kort betrokken zijn, waardoor het nog te vroeg is om te kunnen beoordelen of pleegoudervoogdij passend en in het belang van [de minderjarige 4] is. Daarnaast staan haar pleegouders hier zelf ook nog niet voor open. Voor [de minderjarige 4] is het beleggen van de voogdij bij een gecertificeerde instelling in Gelderland, waar zij nu woont, al wel onderzocht.

4.De meningen dan [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3]

4.1.
[de minderjarige 1] is het eens met het verzoek. [de minderjarige 1] ziet dat zijn vader zijn best doet, maar dat het hem niet lukt een vader te zijn. [de minderjarige 1] vindt het wel spannend. De jeugdbeschermer die nu zijn voogd zal worden, kent hij namelijk nog niet zo goed, maar hij ziet geen goed alternatief. Hij wil wel werken aan een band met deze voogd. Verder gunt hij het [de minderjarige 2] , [de minderjarige 6] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 3] dat de pleegmoeder hun voogd wordt, omdat zij heel goed voor hen allemaal is geweest.
4.2.
[de minderjarige 2] is blij met het verzoek. [de minderjarige 2] denkt dat de pleegmoeder de voogdij over hem goed zou uitvoeren.
4.3.
[de minderjarige 3] is blij met het verzoek. Het lijkt [de minderjarige 3] handig als het gezag overgenomen wordt zodat de pleegmoeder meer kan bepalen voor hen. [de minderjarige 3] denkt dat de pleegmoeder goed weet wat [de minderjarige 3] wil.

5.De standpunten

5.1.
Namens de vader is ter zitting naar voren gebracht dat hij het liever anders had gezien, maar dat hij de verzoeken van de Raad begrijpt. Hij ziet dat hij onvoldoende in staat is invulling te geven aan het gezag over de kinderen en ook dat dat niet in hun belang is. De vader stemt daarom in met de verzoeken, omdat dat het beste is voor de kinderen. Hij benadrukt wel dat hij voor [de minderjarige 4] wil dat de voogdij naar de GI gaat en niet naar tante [tante] , omdat de vader dan vreest dat de opa haar mee zal nemen naar Frankrijk. Ook wordt namens de vader benoemd dat hij het belangrijk vindt om het contact met de kinderen te behouden.
5.2.
De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek en heel graag de voogdij wil over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 6] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 3] . Zij wil uitdragen dat zij er altijd voor de kinderen zal zijn als een moeder en voor hen zal zorgen, zolang dat nodig is. De pleegmoeder vindt het knap van de vader dat hij achter het verzoek staat. Zij zal de vader op de hoogte blijven houden van de ontwikkeling en het leven van de kinderen en hoopt dat in de toekomst positieve omgang mogelijk is tussen hem en de kinderen, als dat in het belang is van de kinderen.
5.3.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek om beëindiging van het gezag en het verzoek om de GI dan wel de pleegmoeder te belasten met de voogdij. De Raad heeft nog een verzoek gedaan om het voogdijschap voor [de minderjarige 4] na drie maanden te beleggen bij de Jeugdbescherming Gelderland, omdat zij daar in de buurt woont. De GI is echter bereid om ook na drie maanden het voogdijschap op zich te nemen over [de minderjarige 4] . Daartoe geeft de GI desgevraagd aan dat [de minderjarige 4] een intense periode heeft bij haar pleeggezin. Het gedrag dat zij laat zien is wel herkenbaar en de pleegouders worden hierin goed ondersteund. De wil bij de pleegouders is er om de plaatsing bij hen te laten slagen. Een overgang van de voogdij naar de Jeugdbescherming Gelderland over drie maanden, ligt wat dat betreft eigenlijk (nog) niet voor de hand. Sowieso kampt de Jeugdbescherming Gelderland met een wachtlijst en is er enige onzekerheid of zij over drie maanden daadwerkelijk de voogdij over [de minderjarige 4] kunnen overnemen. Wat betreft [de minderjarige 1] wil de GI blijven zoeken naar een pleeggezin voor hem. Op dit moment is er nog geen zicht op zo’n plek voor hem. [de minderjarige 1] zit voor nu goed op de groep waar hij verblijft en zijn plaatsing daar is stabiel.

6.De beoordeling

Gezagsbeëindigende maatregel
6.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
6.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarigen beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
6.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de vader gelet op de belangen van de kinderen, noodzakelijk en passend is. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
6.4.
De ontwikkeling van de kinderen wordt al jaren ernstig bedreigd en voldoende is gebleken dat de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen niet binnen een aanvaardbare termijn kan dragen. [2] De vader kampt met ernstige en langdurige persoonlijke problematiek die hem niet in staat stelt om de kinderen een veilige, voorspelbare en fijne opvoedomgeving te bieden. De verwachting is niet dat de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn zal kunnen dragen.
6.5.
Hoewel de wil er is bij de vader om het goed te doen en hij zijn best doet, is de vader de afgelopen jaren door zijn ernstige persoonlijke problematiek, ook niet in staat geweest om voldoende uitvoering te geven aan zijn ouderlijk gezag over de kinderen. Zo zijn (praktische) zaken die voor de kinderen nodig en belangrijk zijn vaak pas met vertraging en met veel inspanning van pleegouders, de woongroep dan wel de GI geregeld. Verder is gebleken dat de vader alleen op afstand en slechts beperkt betrokken is bij de kinderen en hij zich enkel op initiatief van anderen laat informeren. Daarom is hij ook onvoldoende in staat om zelfstandig de juiste afwegingen voor de kinderen te maken. Daarnaast kan de vader zijn financiële verplichtingen niet altijd nakomen, waardoor het de kinderen ontbrak aan noodzakelijke spullen. De vader ziet zelf ook in dat het hem niet lukt om het gezag goed uit te oefenen (het gezag overstijgt zijn mogelijkheden) en dat het niet in het belang is van de kinderen dat hij het gezag over hen houdt. Hij gunt het de kinderen dat alle zaken die nodig en belangrijk zijn voor hen, snel en goed geregeld worden zodat zij stappen in hun leven kunnen zetten. De vader verdient een compliment hiervoor, omdat de rechtbank begrijpt dat het moeilijk voor hem is om zijn gezag over te dragen en hij het liever anders had gezien.
Het is daarom in het belang van de kinderen dat de vader niet langer het gezag heeft zodat praktische zaken voor hen tijdig geregeld kunnen worden en er goede beslissingen voor over worden genomen.
De voogdij
6.6.
Door de beëindiging van het gezag van de vader is er niemand meer om gezagsbeslissingen over de kinderen te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over de kinderen die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [3] De GI heeft verklaard dat te willen doen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 4] . De pleegmoeder heeft verklaard dat te willen doen voor [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] . De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 4] en dat de pleegmoeder de voogdij moet krijgen over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] . De rechtbank acht de pleegmoeder in staat om beslissingen over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 5] en [de minderjarige 6] te nemen en om onbelaste omgang met de vader te faciliteren, als dit in belang is van kinderen.
6.7.
Voor [de minderjarige 4] is naar voren gebracht dat de voogdij na drie maanden mogelijk overgedragen moet worden aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland. De wetgever biedt echter geen ruimte om eerst de GI en vervolgens (reeds nu) de Jeugdbescherming Gelderland over drie maanden te belasten met de voogdij. Bovendien is de voortduring van de plaatsing van [de minderjarige 4] bij tante [tante] en Oom [oom] nog enigszins onzeker en kampt de Jeugdbescherming Gelderland met een wachtlijst, zodat de rechtbank het ook om die redenen niet in het belang van [de minderjarige 4] acht om (reeds nu) te bepalen dat het voogdijschap over drie maanden bij Jeugdbescherming Gelderland zou moeten worden belegd.
6.8.
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de GI en de pleegmoeder die tot voogd worden benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van de kinderen. [4] Dit betekent dat hij de GI en de pleegmoeder op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over de kinderen gaan, zodat de GI en de pleegmoeder vanaf nu voor de kinderen de geldzaken kan regelen.
6.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
6.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de vader], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , over
-
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
-
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
-
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
-
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
-
[de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
-
[de minderjarige 6], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
7.2.
benoemt
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Alkmaar tot voogd over:
-
[de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum] in [plaats] en
-
[de minderjarige 4] ,geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
7.3.
benoemt de pleegmoeder,
[de pleegmoeder] ,geboren op [geboortedatum] , tot voogd over: -
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
[de minderjarige 5]geboren op [geboortedatum] in [plaats] en
[de minderjarige 6]geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
7.4.
bepaalt dat de vader rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;
7.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 door mr. E.C.M. van Mierlo, mr. S. Ok en mr. A.K. Mireku, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 22 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
3.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
4.Artikel 1:276, eerste lid, BW.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.