ECLI:NL:RBNHO:2025:15613

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
15/058208-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van witwassen door voormalig partner met valse hypotheekaanvraag

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die samen met haar voormalig partner betrokken was bij het aanvragen van een hypotheek voor een pand dat in werkelijkheid als beleggingspand werd gebruikt. De verdachte heeft, in strijd met de waarheid, verklaard dat het pand voor eigen bewoning was bedoeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en haar partner gedurende een lange periode huurinkomsten hebben ontvangen, die afkomstig waren uit een misdrijf, en dat de verdachte op de hoogte was van de onrechtmatige situatie. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het medeplegen van witwassen en heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor het vonnis, wat heeft geleid tot een voorwaardelijke straf in plaats van een onvoorwaardelijke.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/058208-23 (P)
Uitspraakdatum: 24 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. D. Sarian, en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2015 tot en met 5 oktober 2022, te Den Helder, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 62.650,00 (huuropbrengsten) en/of een geldbedrag van (ongeveer) EUR 52.000,00 (winst uit verkoop) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig
was/waren uit enig misdrijf.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Inleiding

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
De verdachte is in 2011 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met medeverdachte [naam 1].
Op 10 oktober 2014 heeft [naam 1] een appartement gekocht, gelegen aan de [adres 2] (hierna: het pand), voor een bedrag van € 63.000,-. In verband hiermee heeft hypotheekadviesbureau [kantoornaam] op 25 november 2014 namens [naam 1] een hypotheek aangevraagd bij [naam 2] B.V. (hierna: [naam 2]) voor een bedrag van € 65.500,- met Nationale Hypotheek Garantie. In deze aanvraag staat dat het pand bedoeld is voor eigen bewoning.
Als reactie op de aanvraag heeft [naam 2] op 27 november 2014 een hypotheekofferte aan [naam 1] verstrekt, die hij op 7 december 2014 heeft ondertekend. Op 20 maart 2015 is het pand via notaris [naam 3] aan [naam 1] geleverd. In de leveringsakte van die dag staat dat de koper het pand zal gebruiken als beleggingsobject. In de hypotheekakte van diezelfde dag staat dat het pand bestemd is voor eigen gebruik en niet verhuurd is.
Het pand is steeds verhuurd geweest. Vanaf 30 maart 2015 tot en met 28 augustus 2022 is huur overgemaakt op de gezamenlijke rekening van de verdachte en [naam 1] en hebben zij van de huuropbrengsten uitgaven gedaan.
In 2022 heeft [naam 1] het pand verkocht voor € 115.000,- en op 5 oktober 2022 heeft de bijbehorende levering plaatsgevonden. Op 11 oktober 2022 is het huwelijk tussen de verdachte en [naam 1] ontbonden.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat zij niet wist van het gronddelict en dit ook niet redelijkerwijs hoefde te vermoeden. De verdachte wist niet van de onjuiste opgave door [naam 1] in de hypotheekaanvraag en hypotheekakte en zij ook niet betrokken bij de aankoop en financiering van het pand. Bovendien heeft de verdachte niets van de verkoopopbrengst verkregen, omdat (de opbrengst van) het pand buiten de huwelijkse gemeenschap van goederen viel.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen en overweegt hiertoe het volgende.
Enig misdrijf
In het vonnis van heden in de zaak tegen [naam 1] heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat hij zich bij de aankoop en financiering van het pand schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) valsheid in geschrift in een hypotheekaanvraag en het doen opnemen van een valsheid in een authentieke akte (hypotheekakte). In die aanvraag en die akte heeft [naam 1] namelijk, in strijd met de waarheid, opgegeven dat hij zelf in het pand zou gaan wonen, terwijl het pand werd aangekocht om te verhuren. De bedragen genoemd in de tenlastelegging zien op de verhuur en verkoop van het pand dat [naam 1] aldus op frauduleuze wijze heeft verkregen. Daarmee zijn de bedragen afkomstig uit een misdrijf.
Voorhanden hebben van de geldbedragen?
In totaal is € 62.650,00 aan huur ontvangen op de gezamenlijke rekening van de verdachte en [naam 1]. Beiden hebben verklaard dat de huuropbrengsten op deze rekening binnen kwamen en dat hiervan uitgaven werden betaald. Aangezien beiden over het geld op deze rekening konden beschikken, hebben de verdachte en [naam 1] de huuropbrengsten samen voorhanden gehad.
Het pand is in 2022 verkocht met een winst van € 52.000,- (€ 115.000,- minus € 63.000,-). Hoewel er aanwijzingen zijn dat de winst bij de boedelverdeling bij de echtscheiding tussen de verdachte en [naam 1] op 11 oktober 2022 deels aan de verdachte ten goede is gekomen, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte de winst (in de tenlastegelegde periode) voorhanden heeft gehad. [naam 1] heeft het pand namelijk alleen als kopende partij gekocht en geleverd gekregen, er was sprake van huwelijkse voorwaarden met een beperkte gemeenschap en de winst uit de verkoop van het pand is overgemaakt op een bankrekening van [naam 1]. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het bedrag van € 52.000,-.
Wetenschap
De verdachte was op de hoogte van het (gezamenlijk) plan om een pand aan te kopen als belegging voor de toekomst. De verdachte heeft in eerste instantie samen met [naam 1] geprobeerd om financiering hiervoor te verkrijgen in de vorm van een beleggingshypotheek. Deze aanvragen werden telkens afgewezen, zo heeft de verdachte verklaard. Later werd een de aanvraag, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, door een
creatieve oplossingwel goedgekeurd, werd een hypotheek verstrekt en werd het pand aan [naam 1] geleverd. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet anders kan dan dat de verdachte wist wat de creatieve oplossing inhield. De rechtbank betrekt hierbij dat de omstandigheden van de verdachte en [naam 1] die van belang waren voor de aanvraag niet waren veranderd, hun financiële situatie niet was verbeterd, de verdachte en [naam 1] op dat moment nog getrouwd waren en zij een gezamenlijk huishouden voerden. Vervolgens kwamen de huuropbrengsten van het pand op de gezamenlijke bankrekening binnen. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte wist dat deze gelden afkomstig waren uit de misdrijven van [naam 1], namelijk valsheid in geschrift met betrekking tot de hypotheekaanvraag en valse opgave in de hypotheekakte.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 30 maart 2015 tot en met 5 oktober 2022, in Nederland, tezamen en in vereniging met één ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal EUR 62.650,00 (huuropbrengsten) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij, verdachte, wist, dat deze voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering van de sanctie

7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.
7.2
Standpunt van de verdediging
Gelet op de door de raadsman bepleite vrijspraak, heeft hij geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard, de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte is samen met [naam 1] aangehouden naar aanleiding van een onderzoek naar valsheid in geschrift/valse opgave in een hypotheekaanvraag en hypotheekakte betreffende de aankoop een pand. De verdachte was niet direct betrokken (als pleger of koper) bij deze feiten, maar zij was wel op de hoogte van de ‘creatieve oplossing’ waardoor de financiering van de aankoop van het pand mogelijk werd en zij heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het witwassen van uit deze feiten afkomstige huuropbrengsten. Hiermee is de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de legale economie aangetast. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door persoonlijk gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad), van 3 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op wat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft verklaard over haar persoonlijke omstandigheden.
Tussenconclusie van de rechtbank
De ernst van het feit maakt dat deze zaak in beginsel niet kan worden afgedaan op een andere wijze dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank betrekt hierbij dat de verdachte jarenlang meegeprofiteerd heeft en dat zij geen verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen.
Redelijke termijn
In deze zaak heeft het echter lang geduurd voor er een vonnis is gewezen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat een strafzaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat de overheid tegen de verdachte een handeling verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 13 februari 2023, de datum van het eerste verhoor en de inverzekeringstelling van de verdachte. Omdat het eindvonnis op 24 december 2025 wordt gewezen en geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de termijn van twee jaren overschreden met ruim tien maanden. Ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de gevangenisstraf daarom niet onvoorwaardelijk, maar geheel voorwaardelijk opleggen.
Eindconclusie van de rechtbank
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden is en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 47, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
twee maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2025.
Bijlage 1: de bewijsmiddelen