ECLI:NL:RBNHO:2025:15590

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11530541 \ CV EXPL 25-719
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake de vernietiging van een incassokostenbeding en de toewijzing van hoofdsom en rente

In deze zaak heeft de kantonrechter op 24 december 2025 een verstekvonnis gewezen in een civiele procedure tussen de Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij had in een tussenvonnis van 3 september 2025 de gelegenheid gekregen om zich uit te laten over de oneerlijkheid van een beding in de algemene voorwaarden met betrekking tot incassokosten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beding, dat de mogelijkheid biedt om incassokosten in rekening te brengen na een aanmaning, in strijd is met de wettelijke bepalingen van artikel 6:96 BW. Dit maakt het beding onredelijk bezwarend en daarmee oneerlijk. De kantonrechter heeft het beding vernietigd en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. De gevorderde hoofdsom en rente zijn echter toegewezen, omdat deze vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn. De gedaagde partij is veroordeeld tot betaling van € 73,48, vermeerderd met wettelijke rente, en is ook in de proceskosten veroordeeld, met uitzondering van de kosten voor de akte die voor rekening van de eisende partij blijven. Het vonnis is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11530541 \ CV EXPL 25-719
Uitspraakdatum: 24 december 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep
te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders & Incasso
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 3 september 2025 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het in dat tussenvonnis gegeven voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De eisende partij stelt zich in de akte op het standpunt dat geen sprake is van een incassokostenbeding. Zij stelt dat de in het artikel genoemde ‘betalingsherinnering’ niet de veertiendagenbrief, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW, betreft, maar een reguliere aanmaning.
2.2.
Dit betoog slaagt niet. Ook als de term ‘betalingsherinnering’ moet worden gelezen als een reguliere aanmaning, is sprake van een incassokostenbeding. Bovendien wijkt het beding dan alsnog ten nadele van de consument af van het bepaalde in artikel 6:96 BW. In dat geval biedt tekst van het beding de eisende partij namelijk de mogelijkheid om na een aanmaning al incassokosten in rekening te brengen, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn. Ook in dat geval is het beding dus oneerlijk.
2.3.
Dat de eisende partij, zoals zij stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 3.10 en 3.11 van de algemene voorwaarden, doet aan het voorgaande ook niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast.
2.4.
De kantonrechter ziet al met al geen reden om nu anders over de oneerlijkheid van de artikelen 3.10 en 3.11 van de algemene voorwaarden te denken en vernietigt deze bedingen, voor zover deze de buitengerechtelijke incassokosten betreffen. Daarom worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.5.
Artikel 3.11 van de algemene voorwaarden bevat ook een rentebeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen.
2.7.
De gedaagde partij heeft reeds een bedrag van € 70,00 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de verschenen rente (€ 22,60) en de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van
€ 73,48 zal worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
2.8.
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
2.9.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 73,48, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 146,13;
griffierecht € 135,00;
salaris gemachtigde € 40,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter