ECLI:NL:RBNHO:2025:15589

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/15/371393 / FA RK 25-5619
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezag moeder in een gezinszorgzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over haar minderjarige kind, dat in een gezinshuis verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft de procedure met gesloten deuren behandeld, waarbij de moeder, haar advocaat, de Raad en de GI aanwezig waren. De moeder heeft in het verleden het ouderlijk gezag over het kind gehad, maar er zijn zorgen over haar vermogen om een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het perspectief van het kind momenteel bij de gezinshuisouders ligt en dat de moeder, ondanks haar wensen, niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er geen noodzaak is om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat er geen actuele bedreiging voor de ontwikkeling van het kind is aangetoond. De samenwerking tussen de moeder en de gezinshuisouders verloopt redelijk, en het kind heeft een goede hechting met de gezinshuisouders. De rechtbank heeft het verzoek van de Raad afgewezen en ook het verzoek van de moeder om een uitgebreidere zorgregeling is afgewezen. De rechtbank benadrukt dat de GI verantwoordelijk blijft voor de zorg en dat de moeder haar rol op afstand kan blijven vervullen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371393 / FA RK 25-5619
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] , [land] .,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes, kantoorhoudende te Amsterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de gezinshuisouder 1] en [de gezinshuisouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
  • verweerschrift inzake beëindiging gezag tevens zelfstandig verzoek vaststelling zorgregeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder per digitale verbinding;
  • de advocaat van de moeder;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De gezinshuisouders zijn, met voorafgaande afmelding niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft in een perspectief biedend gezinshuis.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2019 [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld. Deze maatregel is telkens verlengd en duurt voort tot 15 oktober 2026.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 3 oktober 2019 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verleend voor de duur van vier weken met ingang van [geboortedatum] . De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd tot l7 augustus 2020.
2.4.
Van juni tot en met september 2020 heeft [de minderjarige] met de moeder middels een
gezinsopname in GGZ-instelling [GGZ-instelling] in [plaats] gewoond. Na een positieve afronding van dat traject heeft de GI toestemming gegeven om [de minderjarige] weer bij de moeder thuis te laten wonen.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 december 2020 is opnieuw een
(spoed) machtiging verleend om [de minderjarige] met ingang van 16 december 2020 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 15 oktober 2026.
2.6.
De GI heeft bepaald dat het perspectief van [de minderjarige] bij het gezinshuis ligt. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 mei 2023 onder meer dit perspectiefbesluit onderschreven. Bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 16 januari 2024 is deze beschikking bekrachtigd.
2.7.
De GI heeft zich bij brief van 17 november 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek in de stukken en ter zitting als volgt gemotiveerd.
3.2.
[de minderjarige] woont al bijna vier jaar in het gezinshuis. Voor die tijd heeft [de minderjarige] wisselende opvoedsituaties gekend. [de minderjarige] kon niet thuis wonen wegens (vermoedens) van criminaliteit en drugsgebruik, waardoor haar geen veilige en stabiele opvoedomgeving geboden kon worden. Zij is daarom uithuisgeplaatst. Na de eerste uithuisplaatsing is [de minderjarige] voor een korte periode teruggeplaatst bij de moeder, maar dit is misgegaan door zorgen om de beschikbaarheid van moeder, haar middelengebruik en het tegen de veiligheidsafspraken in contact hebben met de vader. [de minderjarige] is daarom opnieuw uit huis geplaatst. Inmiddels is [de minderjarige] goed gehecht aan de gezinshuisouders; zij hebben een goede band. De gezinshuisouders kunnen [de minderjarige] bieden wat zij nodig heeft, omdat ze goed kunnen aansluiten bij de behoeften van [de minderjarige] . De moeder wil graag dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen, ondanks het door de rechtbank en later het gerechtshof bekrachtigde perspectiefbesluit. Dit maakt dat de moeder elk jaar onrust ervaart omtrent de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij blijft ervoor strijden dat [de minderjarige] bij haar komt wonen. Momenteel heeft [de minderjarige] hier nog geen last van, omdat zij niet op de hoogte is van de verzoeken en de zittingen en nog niet op een leeftijd is waarop ze dingen begrijpt. Als zij acht jaar wordt, meer gaat begrijpen over haar situatie en haar mening mag geven aan de kinderrechter, zal (mogelijk) onrust en onzekerheid ontstaan bij [de minderjarige] rondom haar perspectief. De aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] om in onzekerheid te verkeren over haar opgroeiperspectief is al ruimschoots verstreken. Een gezagsbeëindigende maatregel kan bijdragen aan duidelijkheid over het perspectief van [de minderjarige] , zowel bij de moeder als bij [de minderjarige] , waarbij de band met haar ouders/moeder wel behouden moet blijven.
3.3.
De moeder heeft verder moeite om bij [de minderjarige] aan te sluiten en interesse te tonen in [de minderjarige] en is hierin – ondanks de ingezette hulp en begeleiding – onvoldoende leerbaar. Ook wil zij niet meer aansluiten bij uitvoeringsoverleggen over [de minderjarige] . Hierdoor is de huidige situatie het hoogst haalbare en worden geen hoge eisen meer aan de moeder gesteld tijdens de omgang. Daarnaast laat [de minderjarige] in de dagen na de omgangsmomenten met de moeder veel boosheid zien, vooral richting de gezinshuismoeder. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door een innerlijk conflict vanuit loyaliteit. Ook merkt de Raad op dat de moeder vrijwel direct mondeling toestemming geeft voor medische ingrepen en vakanties, maar dat het haar niet lukt om vervolgens het betreffende formulier te ondertekenen. Daar gaan soms weken overheen. Dit heeft er al eens voor gezorgd dat een medische ingreep bijna niet door kon gaan. Ook is het een belemmering dat de moeder [de minderjarige] geen toestemming geeft om te logeren bij haar familie.
3.4.
Op grond van voorgaande is de Raad van mening dat is voldaan aan de vereisten van een gezagsbeëindigende maatregel en dat deze maatregel ook in het belang van [de minderjarige] is.
3.5.
Mocht de rechtbank overgaan tot een gezagsbeëindigende maatregel, dan moet de GI de voogdij over [de minderjarige] krijgen. Om de samenwerking tussen de moeder en de gezinshuisouders, die nu redelijk verloopt, in stand te houden, is het belangrijk dat de gezinshuisouders een neutrale rol blijven houden en dat de GI betrokken blijft om belangrijke beslissingen te nemen. Het is nu nog te vroeg om de gezinshuisouders te belasten met de voogdij.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het verzoek bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing en noodzaak. Anders dan door de Raad naar voren is gebracht, legt de moeder zich nu neer bij het perspectiefbesluit. Volgens de moeder heeft zij daarnaast altijd toestemming gegeven voor gezagsbeslissingen, als dat nodig was. Het uitoefenen van het gezag zal ook makkelijker gaan nu zij dichterbij, in [land] , woont. Het contact tussen haar en [de minderjarige] is – anders dan in het raadsrapport staat beschreven – goed. Ook het contact tussen de moeder en het gezinshuis is goed. De moeder laat zich in het bijzijn van [de minderjarige] nooit negatief uit over de gezinshuisouders. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat door de GI onvoldoende naar haar werd geluisterd en zij niet als volwaardig persoon werd gezien tijdens de overleggen, waardoor ze niet meer wilde deelnemen. Dat betekent echter niet dat de GI de moeder niet meer hoefde te informeren over [de minderjarige] . De moeder vreest ook dat zij [de minderjarige] helemaal niet meer te zien krijgt, als het gezag wordt beëindigd. Dit is namelijk ook gebeurd met haar andere kinderen, waardoor de moeder op dat punt geen vertrouwen meer heeft in de GI. Tenslotte is namens de moeder – als zelfstandig verzoek – verzocht om een minimale zorgregeling vast te stellen.
4.2.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. De GI heeft ter zitting aangegeven dat de samenwerking stroef begon te gaan toen de moeder naar [land] is verhuisd. De moeder had het gevoel dat niet naar haar werd geluisterd en wilde daarom niet meer aansluiten bij belangrijke overleggen over [de minderjarige] . De moeder had dit eerder ook al geuit. De GI heeft naar deze wens geluisterd en de moeder met rust gelaten. De moeder nam adviezen bovendien niet aan. Mocht de moeder van gedachte zijn veranderd, dan mag zij altijd weer bij overleggen aansluiten. De GI zal de moeder hiervoor ook uitnodigen en de betreffende rapportages sturen. Hierbij spreekt de GI de hoop uit dat de moeder aan de slag wil gaan met haar eigen problematiek. Dit kan helpen bij een betere samenwerking. Verder geeft de GI aan dat toen de moeder terugkwam naar Nederland en [de minderjarige] wilde zien, de GI dit heeft georganiseerd. Ook wordt gewerkt aan het realiseren van een omgangsmoment van één keer in de zes weken. Het uitgangspunt is dat omgang zal blijven bestaan, ongeacht bij wie het gezag ligt. Hierbij moet wel oog zijn voor wat het beste is voor [de minderjarige] .

5.De beoordelingRechtsmacht

5.1.
De moeder woont in [land] . De moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Dit brengt met zich dat dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in
Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
De gezagsbeëindigende maatregel
5.4.
In artikel 1:266, lid 1, van het BW [1] , staat dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.5.
Het beëindigen van het gezag van een ouder dient ook in overeenstemming te zijn met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zoals dit voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM [2] . Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van, omdat de noodzaak ontbreekt om tot de beëindiging van het gezag van de moeder over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.6.
Vaststaat dat het perspectief van [de minderjarige] bij haar gezinshuisouders ligt. De moeder heeft naar voren gebracht dat hoewel zij in het verleden het weliswaar lastig vond om zich hierbij neer te leggen, zij inmiddels begrijpt dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij haar ligt. De moeder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat [de minderjarige] wat haar betreft goed zit bij haar gezinshuisouders en dat het in haar belang is dat ze daar blijft. De moeder had het liever anders gehad, maar zij ziet in dat [de minderjarige] goed gehecht is bij de gezinshuisouders en dat daar goed voor haar gezorgd wordt. Het is wel aan de moeder om te laten zien dat zij nu daadwerkelijk achter het perspectiefbesluit staat, ook zodat [de minderjarige] emotionele toestemming krijgt om bij de gezinshuisouders op te groeien.
5.7.
Dat het perspectief van [de minderjarige] bij de gezinshuisouders ligt, is echter onvoldoende om over te gaan tot gezagsbeëindiging, gelet op artikel 8 van het EVRM. Een situatie waarin een kind uit huis is geplaatst en niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing, betekent niet dat altijd een gezagsbeëindiging nodig is.
5.8.
De samenwerking tussen de moeder en de gezinshuisouders gaat redelijk goed. Hoewel moeder al een tijd niet meer in Nederland woont, heeft zij op afstand nog steeds contact met [de minderjarige] . De moeder (video)belt [de minderjarige] éen keer in de zes weken waar de gezinshuisouders bij betrokken zijn. Niet is gebleken dat [de minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd door de relatie tussen de gezinshuisouders en de moeder. Daarin ziet de rechtbank dan ook geen noodzaak om het gezag van de moeder te beëindigen.
5.9.
De samenwerking met de GI is al lange tijd stroef en inmiddels is tussen de GI en de moeder bijna geen contact meer. De rechtbank acht dit een zorgelijke gang van zaken. Hoewel de moeder kennelijk heeft aangegeven niet meer bij uitvoeringsoverleggen te willen aansluiten, ontslaat dat de GI niet van haar plicht om deze gezaghebbende moeder van informatie over haar dochter te voorzien en contact met haar te leggen. Ondanks de gebrekkige samenwerking tussen de GI en de moeder, is het afgelopen jaar rustig verlopen en zijn ten aanzien van het nemen van gezagsbeslissingen geen problemen geweest. Ook hierin ziet de rechtbank dus geen noodzaak om het gezag van de moeder te beëindigen. Dat volgens de GI en de Raad de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder niet altijd even goed gaat, is, wat daar verder ook van zij, eveneens onvoldoende om over te gaan tot het verregaande middel van gezagsbeeindiging. In dat kader merkt de rechtbank op dat het de GI is die ervoor heeft gekozen om op dat vlak geen ondersteuning meer in te zetten.
5.10.
De rechtbank hecht ten slotte waarde aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat [de minderjarige] momenteel in de knel zit, althans dat is onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden dan wel kindsignalen die zich nu voordoen. [de minderjarige] woont al bijna vier jaar in het huidige gezinshuis en het gaat goed met haar. De rechtbank stelt vast dat de zorgen die de Raad op dit vlak naar voren heeft gebracht met name zijn gebaseerd op toekomstige factoren, namelijk dat [de minderjarige] op termijn wellicht gevoelens van onzekerheid gaat ervaren over haar perspectief en dat zij mogelijk veel onrust zal ervaren als zij op een leeftijd komt dat zij het recht heeft om te spreken bij zittingen over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Dit zijn echter onzekere toekomstige gebeurtenissen en de rechtbank ziet in de huidige omstandigheden geen aanleiding om hierop te anticiperen. Het is immers nog onduidelijk of [de minderjarige] gevoelens van onzekerheid over haar opgroeiperspectief zal ervaren. Dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat geen noodzaak bestaat om het gezag te beëindigen.
5.11.
De rechtbank merkt nog het volgende op. Ter zitting is door de Raad gesteld dat uiteindelijk tot een afronding van de ondertoezichtstelling gekomen dient te worden, waarbij de GI als regievoerder wegvalt. Het ligt in dat kader op de weg van de GI om in te zetten op een goede toekomstbestendige samenwerking tussen de moeder en de gezinshuisouders, zodat in het belang van [de minderjarige] de moeder haar rol van moeder op afstand kan invullen, waarbij de rol van de gezinshuisouders als opvoeders en verzorgers van [de minderjarige] gewaarborgd blijft.
Zorgregeling
5.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het zelfstandige verzoek van de moeder tot het vaststellen van een uitgebreidere omgangsregeling toe te wijzen. De GI heeft voldoende toegelicht dat zij, waar dat in het belang van [de minderjarige] is, de omgang zal uitbreiden, te beginnen met één keer per vier weken. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de GI, samen met de gezinshuisouders, goed kan inschatten wat [de minderjarige] in het kader van de omgang met de moeder aankan en wat in haar belang is.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst af het verzoek van de Raad om beëindiging van het gezag van de moeder en de GI als voogd te benoemen;
6.2.
wijst af het verzoek van de moeder om het vaststellen van een minimale zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. F.W. van Dongen en mr. S. Ok, , kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2026, in aanwezigheid van
mr. R. Moes als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Burgerlijk wetboek.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.