De rechtbank Noord-Holland behandelde op 19 december 2025 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd te benoemen. De minderjarige verblijft al bijna vier jaar in een perspectief biedend gezinshuis vanwege zorgen over veiligheid en opvoeding bij de moeder, die onder meer middelengebruik en contact met de vader betrof. De moeder woont inmiddels in het buitenland en heeft beperkt contact met de minderjarige.
De rechtbank overwoog dat hoewel het perspectief van de minderjarige bij het gezinshuis ligt en de moeder dit inmiddels erkent, dit op zichzelf onvoldoende is voor gezagsbeëindiging. De samenwerking tussen moeder en gezinshuisouders verloopt redelijk en er is geen sprake van een bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. Ook de stroefheid in de relatie tussen moeder en GI is zorgelijk, maar heeft niet geleid tot problemen bij gezagsbeslissingen.
De rechtbank stelde vast dat de zorgen van de Raad vooral betrekking hebben op mogelijke toekomstige onzekerheden voor de minderjarige, die nog niet concreet zijn. De moeder heeft het gezag niet misbruikt en de beëindiging van het gezag is niet proportioneel of subsidiariteit vereist. Het verzoek tot vaststelling van een minimale zorgregeling door de moeder werd eveneens afgewezen, omdat de GI reeds passende omgang regelt.
De rechtbank concludeerde dat het gezag bij de moeder blijft en dat de GI als regievoerder moet inzetten op een goede samenwerking tussen moeder en gezinshuisouders, zodat de minderjarige in een stabiele omgeving kan opgroeien met behoud van het contact met haar moeder.