ECLI:NL:RBNHO:2025:15474

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C15/371961 FT RK 25-922
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet in het kader van WHOA

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een verzoek om een afkoelingsperiode op grond van artikel 376 van de Faillissementswet (Fw). Het verzoek is ingediend door [betrokkene], die een eenmanszaak exploiteert gericht op trainingen en coaching. [bedrijf 2] B.V. heeft een faillissementsverzoek tegen [betrokkene] ingediend, wat aanleiding gaf tot het verzoek om een afkoelingsperiode. [betrokkene] stelt dat deze periode noodzakelijk is om zijn onderneming voort te zetten en een akkoord met schuldeisers voor te bereiden. Tijdens de mondelinge behandeling op 17 december 2025 heeft [betrokkene] zijn verzoek toegelicht, waarbij hij de noodzaak van de afkoelingsperiode benadrukte om executiemaatregelen van [bedrijf 2] te voorkomen en de continuïteit van zijn onderneming te waarborgen.

De rechtbank heeft echter geoordeeld dat [betrokkene] niet voldoende heeft aangetoond dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn met de afkoelingsperiode. De rechtbank constateert dat de financiële onderbouwing van [betrokkene] onvoldoende is en dat de gepresenteerde liquiditeitsprognoses niet zijn gerealiseerd. Bovendien zijn er twijfels over de levensvatbaarheid van de onderneming en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie. De rechtbank heeft daarom besloten het verzoek tot afkondiging van de afkoelingsperiode af te wijzen, met als gevolg dat de bedrijfsactiviteiten van [betrokkene] in gevaar komen en het faillissementsverzoek van [bedrijf 2] mogelijk verder behandeld zal worden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
rekestnummer: C15/371961 FT RK 25-922
uitspraakdatum: 24 december 2025
beschikking op grond van artikel 376 Faillissementswet (Fw)
in de zaak van:
[betrokkene], h.o.d.n. [bedrijf 1],
wonende te [plaats 1],
hierna: [betrokkene],
advocaat: mr. K.A. Martijnse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de startverklaring van 4 november 2025;
  • het verzoekschrift ex artikel 376 Fw van 21 november 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van 26 november 2025 van mr. Martijnse met aanvullende producties;
  • de oproepingsbrief van de rechtbank van 1 december 2025;
  • de e-mail van mr. Martijnse van 15 december 2025 met geactualiseerde en aanvullende producties;
  • de zienswijze van belanghebbende [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) van 16 december 2025;
  • de e-mail van mr. Martijnse van 16 december 2025, met aankondiging van de aanwezigen op de mondelinge behandeling;
  • de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarbij mr. Martijnse gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Het verzoek is op 17 december 2025 behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen:
- [betrokkene], bijgestaan door mr. Martijnse voornoemd;
1.3.
De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 24 december 2025.

2.Het verzoek en de onderbouwing daarvan

2.1.
[betrokkene] heeft het verzoek schriftelijk en ter zitting toegelicht en daartoe onder meer – samengevat – het volgende aangevoerd.
2.2.
[betrokkene] exploiteert (in de vorm van een eenmanszaak) een onderneming in het geven van trainingen en coaching aan (zorg)professionals in commerciële vaardigheden en particulieren in het omgaan met stress, persoonlijke ontwikkeling en life-coaching.
2.3.
[bedrijf 2] heeft een faillissementsverzoek tegen [betrokkene] ingediend, welk verzoek op 25 november 2025 is behandeld en vervolgens ambtshalve is aangehouden in verband met onderhavig verzoek. Daarnaast heeft [bedrijf 2] betaaltransacties van [betrokkene], die via betaalplatform Mollie lopen, geblokkeerd.
2.4.
[betrokkene] bereidt een akkoord voor en wenst dat binnen twee maanden na afkondiging van de afkoelingsperiode aan zijn schuldeisers aan te bieden. Een afkoelingsperiode is volgens [betrokkene] in dit verband essentieel om de onderneming voort te kunnen zetten en een akkoord daadwerkelijk mogelijk te maken. Indien het faillissement wordt uitgesproken dan komen de bedrijfsactiviteiten per direct tot stilstand, staken de inkomsten en resteert voor schuldeisers nagenoeg geen enkel actief. De afkoelingsperiode voorkomt dat en creëert de noodzakelijke rust om:
  • de bedrijfsvoering ongestoord voort te kunnen zetten en inkomsten te blijven genereren;
  • een Bbz-Krediet aanvraag te kunnen voltooien, die is ingediend bij de gemeente [plaats 2] en zonder afkoelingsperiode zal worden afgewezen. Met dit krediet kan een gunstiger akkoord of lumpsum ineens worden aangeboden;
  • een ordentelijk WHOA-akkoord verder voor te bereiden en ter homologatie aan te kunnen bieden.
2.5.
Een afkoelingsperiode voorkomt dat individuele schuldeisers door middel van beslagen, opzeggingen of executie een akkoord onmogelijk maken. Op dit moment is [bedrijf 2] de enige schuldeiser die beslag- en executiemaatregelen jegens [betrokkene] treft. Dit is onevenredig en de overige schuldeisers worden door de maatregelen van [bedrijf 2] benadeeld. De schuldeisers worden gedurende de afkoelingsperiode niet in hun kernbelang geschaad. [betrokkene] zet de bedrijfsactiviteiten voort, komt de nieuwe verplichtingen na en zal – voor zover wettelijk vereist - gedurende deze periode zekerheid verstrekken of instaan voor schadebeperking. Een ordelijk WHOA-traject is tevens in het belang van cursisten, leveranciers en overige stakeholders, en sluit aan bij de bedoeling van de WHOA om levensvatbare ondernemingen buiten faillissement te herstructureren, aldus nog steeds [betrokkene].
2.6.
[betrokkene] verzoekt de rechtbank dan ook een afkoelingsperiode af te kondigen voor de duur van vier maanden en het door [bedrijf 2] gelegde beslag bij Mollie op te heffen.

3.Het standpunt van [bedrijf 2]

3.1.
meent dat niet aan de vereisten voor het gelasten van een afkoelingsperiode wordt voldaan en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Samengevat voert [bedrijf 2] hiertoe aan dat de door [betrokkene] verstrekte informatie niet volledig en onbetrouwbaar is en dat niet is gebleken van een situatie waarin de gestelde prognose gehaald is en er sprake is van een levensvatbare onderneming. Verder zijn volgens [bedrijf 2] de schulden niet te goeder trouw ontstaan, wordt zij als separatist onvoldoende beschermd en dient er geconstateerd te worden dat de positie van [bedrijf 2] recent juist schade berokkend is.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank moet vaststellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Tevens moet de rechtbank beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
[betrokkene] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Ten tijde van indiening van het verzoekschrift was hij woonachtig in [plaats 1]. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
4.3.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode dient verband te houden met een (voorgenomen) akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Het aanbieden van een dergelijk akkoord staat open voor een schuldenaar die verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schuldeisers niet zal kunnen voortgaan. Het gaat hier om een toestand waar de schuldenaar nog niet is opgehouden te betalen, maar waarbij hij voorziet dat er geen realistisch perspectief bestaat om een toekomstige insolventie af te wenden als zijn schulden niet worden geherstructureerd. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank genoegzaam aannemelijk geworden dat [betrokkene] verkeert in de in artikel 370 lid 1 Fw bedoelde toestand.
4.4.
Indien er (nog) geen herstructureringsdeskundige als bedoeld in artikel 371 Fw is benoemd, is – naast het deponeren van een startverklaring – voor het kunnen verzoeken van het afkondigen van een afkoelingsperiode vereist dat ofwel een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw is aangeboden ofwel wordt toegezegd dat dit binnen twee maanden zal gebeuren. [betrokkene] heeft deze laatste toezegging gedaan, zodat ook aan dit vereiste is voldaan.
Noodzakelijkheid en belangen schuldeisers
4.5.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
4.6.
De voorwaarden uit artikel 376 lid 4 Fw komen neer op een belangenafweging. De rechtbank moet in het kader van deze belangenafweging summierlijk toetsen wat de gevolgen zijn van voortzetting van de onderneming voor de (gezamenlijke) schuldeisers gedurende de afkoelingsperiode ten opzichte van een faillissementsscenario. Daarbij geldt als uitgangspunt dat gedurende een afkoelingsperiode de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers niet mag verslechteren en de schulden van de onderneming niet groter mogen worden ten opzichte van het beschikbare actief.
4.7.
[betrokkene] heeft onder meer de volgende (financiële) stukken in het geding gebracht:
  • de schuldenpositie per peildatum 21 november 2025;
  • een bij het verzoekschrift ingediende liquiditeitsprognose van week 47 tot en met week 52 van 2025 en week 1 tot en met week 26 van 2026;
  • een geactualiseerde liquiditeitsprognose van week 47 tot en met week 52 van 2025 en week 1 tot en week 26 van 2026;
  • een toelichting op de voortgang liquiditeitsbegroting;
  • IB-aangiften;
  • OB-aangiften;
  • een verklaring van een registeraccountant met betrekking tot de levensvatbaarheid van de onderneming;
  • de commerciële resultaten over november 2025;
  • een overzicht van reeds gerealiseerde kostenreducties;
  • de verwachte opbrengst in faillissement, afgezet tegen het aangeboden WHOA-akkoord;
  • een concept Whoa-akkoord, gedateerd 25 november 2025.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [betrokkene] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met een afkoelingsperiode zijn gediend. [betrokkene] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij in staat is gedurende de afkoelingsperiode aan de lopende verplichtingen te voldoen. Hij heeft bij indiening van het verzoekschrift op 21 november 2025 een liquiditeitsprognose overgelegd. Vervolgens heeft hij deze op 26 november 2025 geactualiseerd en op 15 december 2025 nog een nadere toelichting hierop gegeven. Gebleken is echter dat de gepresenteerde (positieve) cijfers voornamelijk zijn gebaseerd op aannames van [betrokkene] zelf. Administratieve bescheiden die deze cijfers staven zijn niet overgelegd. Ook de verklaring van de registeraccountant die [betrokkene] heeft overgelegd, gaat uitsluitend uit van door [betrokkene] aangeleverde informatie. In deze verklaring heeft de accountant aangegeven dat zij de door [betrokkene] opgestelde liquiditeitsprognose plausibel acht onder de aannames dat:
- de voorgenomen kostenreducties worden gerealiseerd;
- de verwachte omzet wordt behaald;
- gedurende de afkoelingsperiode rust ontstaat doordat executiemaatregelen achterwege blijven.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de liquiditeitsprognose vanaf week 47 tot week 51 niet is gerealiseerd. De daadwerkelijke cijfers wijken in negatieve zin af van de prognose, ook omdat sommige verplichtingen niet in de liquiditeitsprognose zijn meegenomen, zoals de verschuldigde omzetbelasting over de gerealiseerde en de verwachte omzet en de huur voor een kantoorruimte tot en met februari 2026. Ook de kosten van rechtsbijstand (waarvan [betrokkene] verwacht dat deze circa € 10.000 bedragen) zijn niet kenbaar in de prognose verwerkt. Uit het voorgaande volgt dat het passief tijdens een afgekondigde afkoelperiode zal toenemen zonder dat daar voldoende dekking tegenover staat. Daar komt bij dat de rechtbank niet kan beoordelen of de schuldeisers (en dan met name [bedrijf 2], die tevens pandhouder is) in geval van faillissement van [betrokkene] slechter af zijn. De waardering van het onderpand van [bedrijf 2] is gebaseerd op aannames van [betrokkene] zelf, maar niet objectief onderbouwd. Ook op de zitting heeft [betrokkene] hier geen duidelijkheid over kunnen scheppen.
Ten slotte heeft [betrokkene] desgevraagd verklaard dat het concept akkoord dat hij wenst aan te bieden bij nader inzien op een aantal punten (waaronder ten aanzien van de zogeheten MKB-crediteuren) naar beneden zal moeten worden bijgesteld, omdat met een aantal zaken geen rekening is gehouden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank weinig vertrouwenwekkend is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers met de verzochte afkoelingsperiode is gediend.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis (voorzitter), mr. M.D.E. Leppens en
mr. M. Aukema, rechters en in aanwezigheid van mr. M.F. Backx, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
De griffier is buiten staat deze beschikking
mede te ondertekenen