ECLI:NL:RBNHO:2025:15418

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
11851034
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in internationale geschil tussen eiser en Roemeense vennootschap

In deze zaak heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. C.J.P. Liefting, een vordering ingesteld tegen de Roemeense vennootschap Impuls Leasing Roemenie IFN S.A. De vordering betreft een geschil over een afspraak die eiser zou hebben gemaakt met Impuls Leasing over de montage van onderdelen aan een bedrijfswagen. Eiser stelt dat hij in opdracht van een derde deze onderdelen heeft gemonteerd en dat er een afspraak was om de bedrijfswagen te kopen of de onderdelen te demonteren. Impuls Leasing betwist echter dat er een afspraak is gemaakt en stelt dat eiser geen toestemming had voor de montage van de onderdelen.

De kantonrechter heeft in het incident de vraag beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. De beoordeling is gedaan aan de hand van de Brussel I bis-verordening, die van toepassing is op internationale rechtsverhoudingen. De hoofdregel is dat de rechter van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft, bevoegd is. In dit geval is dat Roemenië. De kantonrechter concludeert dat er geen bevoegdheid is voor de Nederlandse rechter, zowel op basis van de hoofdregel als op basis van de alternatieve bevoegdheidsgronden. De vordering van eiser wordt afgewezen en de proceskosten komen voor rekening van eiser, die ongelijk krijgt. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11851034 \ CV EXPL 25-3002 (NE)
Uitspraakdatum: 3 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:
[eiser] , h.o.d.n. [naam]
wonende te [plaats]
eiser, verweerder in het incident
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting
tegen
de vennootschap naar Roemeens recht Impuls Leasing Roemenie IFN S.A.
gevestigd te Boekarest
gedaagde, eiseres in het incident
verder te noemen: Impuls Leasing

1.Het procesverloop

1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 30 juni 2025 een vordering tegen Impuls Leasing ingesteld. Impuls Leasing heeft een incidentele conclusie genomen waarin wordt gesteld dat de kantonrechter onbevoegd is en een inhoudelijke reactie gegeven op de vordering van [eiser] . [eiser] heeft op het incident schriftelijk gereageerd.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
In het incident staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter, meer specifiek de rechtbank Noord-Holland bevoegd is kennis te nemen van het tussen partijen ontstane geschil.
2.2.
De kantonrechter moet haar internationale bevoegdheid beoordelen aan de hand van de Brussel I bis-verordening, omdat sprake is van een rechtsverhouding met internationale aspecten, de hoofdvordering is ingesteld na 10 januari 2015 en de zaak valt binnen het materieel toepassingsgebied van deze verordening. [1]
2.3.
De hoofdregel is dat de rechter van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft, in dit geval Roemenië, bevoegd is. [2] Daarnaast geeft Brussel I bis een aantal alternatieve bevoegdheidsgronden, waaronder [3] :
“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: (…)
a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden; (…);
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;”
2.4.
[eiser] baseert zijn vordering tot vervangende schadevergoeding op een tussen partijen gemaakte afspraak. Volgens [eiser] heeft hij in opdracht en voor rekening van een derde een frame, een slaapcabine en een tachograaf aan een bedrijfswagen van Impuls Leasing gemonteerd en is deze derde daarna failliet verklaard. [eiser] heeft vervolgens met Impuls Leasing afgesproken dat hij naar Boekarest zou komen om ofwel de bedrijfswagen van Impulse Leasing te kopen ofwel de daaraan door hem gemonteerde zaken te demonteren en mee terug te nemen. Volgens [eiser] bleek in Boekarest dat Impuls Leasing de bedrijfswagen al had verkocht en zij de afspraak tussen partijen dus niet is nagekomen en niet meer kan nakomen. Volgens [eiser] heeft Impuls Leasing ook onrechtmatig gehandeld door een bedrijfswagen te verkopen waaraan zaken van [eiser] waren gemonteerd en waarmee zij bekend was.
2.5.
Impuls Leasing betwist dat partijen een afspraak hebben gemaakt. Voor zover [eiser] kan bewijzen dat hij zaken aan haar bedrijfswagen heeft gemonteerd, heeft Impuls Leasing daarvoor geen toestemming gegeven en was zij daar niet mee bekend en zijn deze zaken op het moment van installatie haar eigendom geworden. Zij heeft daarom niet onrechtmatig gehandeld.
2.6.
Uitgaande van zowel het standpunt van [eiser] als dat van Impuls Leasing komt op grond van zowel de hoofdregel als op grond van de alternatieve bevoegdheidsgronden geen bevoegdheid toe aan de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het geschil.
Als [eiser] wordt gevolgd in zijn standpunt dat partijen een overeenkomst hebben gesloten, zou in geval van koop de bedrijfswagen in Boekarest worden geleverd en in geval van demontage van de zaken uitvoering daarvan plaatsvinden in Boekarest. In het geval geen overeenkomst tot stand is gekomen en de zaken nog zouden toebehoren aan [eiser] en sprake is van een onrechtmatige daad van Impuls Leasing, zou het schadebrengende feit zich hebben voorgedaan in Boekarest.
Als Impuls Leasing wordt gevolgd en dus de rechtsverhouding tussen partijen niet kan worden gebaseerd op een overeenkomst of een onrechtmatige daad, is er geen alternatieve bevoegdheidsgrond. De bevoegdheid wordt in dat geval alleen bepaald door de hoofdregel op grond waarvan de Nederlandse rechter niet bevoegd is.
2.7.
De conclusie is dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De incidentele vordering van Impuls Leasing wordt daarom toegewezen.
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. Omdat Impuls Leasing zich niet laat bijstaan door een gemachtigde, is niet gebleken van proceskosten van Impuls Leasing die voor vergoeding in aanmerking komen. De proceskosten zullen daarom worden vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe;
4.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot heden voor Impuls Leasing worden vastgesteld op nihil,
in de hoofdzaak
3.6.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1).
2.Artikel 4 Brussel I bis.
3.Artikel 7 lid 1 onder a en b en lid 2 Brussel I bis.