ECLI:NL:RBNHO:2025:15214

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
11924019 \ VV EXPL 25-153
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van gehuurde woning na huurachterstand en besluit gemeentelijke schuldhulpverlening

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 4 november 2025 in een kort geding uitspraak gedaan over de ontruiming van een gehuurde woning. De eisende partijen, [eiser 1] c.s., hebben de gedaagde partijen, [gedaagde 1] c.s., aangeklaagd wegens een aanzienlijke huurachterstand van € 13.542,00. In een eerdere bodemprocedure was de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming afgewezen, omdat de verhuurders niet voldaan hadden aan hun verplichtingen onder het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Dit besluit vereist dat verhuurders huurachterstanden melden bij de gemeente en huurders wijzen op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening. De kantonrechter oordeelde dat de verhuurders onvoldoende maatregelen hadden genomen om de ontruiming te voorkomen, aangezien zij de huurders pas op 1 augustus 2025 bij de gemeente hadden aangemeld en op 29 augustus 2025 de dagvaarding hadden betekend.

In het kort geding werd de vordering tot ontruiming toegewezen, omdat de kantonrechter oordeelde dat er een spoedeisend belang was en dat de huurachterstand ontruiming rechtvaardigde. De kantonrechter stelde vast dat de periode van twee maanden tussen de vroegsignalering en de dagvaarding was verstreken zonder dat er een traject van schuldhulpverlening was opgestart. De gedaagden werden veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en de proceskosten van € 777,47 te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11924019 \ VV EXPL 25-153
Verstekvonnis in kort geding van 4 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,
beiden te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] c.s.,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
beiden te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2025
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] c.s. huurt van [eiser 1] c.s. een woning aan [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
[gedaagde 1] c.s. is door de kantonrechter in deze rechtbank in een bodemprocedure bij verstekvonnis van 8 oktober 2025 [1] (onder meer) veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 13.542,00. De kantonrechter heeft de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde afgewezen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:
(…) Hoewel de hoogte van de huurachterstand in beginsel de ontruiming rechtvaardigt, wijst de kantonrechter de door verhuurder gevorderde ontbinding en ontruiming af. Op grond van artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening (hierna: het Besluit) moet een verhuurder betalingsachterstanden van huurders melden bij de gemeente. Verder moeten verhuurders huurders opmerkzaam maken op betalingsachterstanden en de mogelijkheden om daar hulp bij te krijgen. Een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en of ontruiming van het gehuurde wordt in beginsel afgewezen als zonder nadere toelichting tussen de datum van de zogenaamde vroegsignalering bij de gemeente en de datum waarop de dagvaarding is betekend een periode van minder dan twee maanden ligt. De reden hiervoor is dat de melding tot doel heeft de schuldhulpverlening op gang te brengen zodat een procedure tot ontbinding en ontruiming voorkomen kan worden.
3.6.
De kantonrechter constateert dat de verhuurders de huurders pas op 1 augustus 2025 bij de gemeente hebben aangemeld in het kader van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening en vervolgens op 29 augustus 2025 is gaan dagvaarden. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat verhuurders redelijke maatregelen hebben genomen die erop gericht zijn (ontbinding en) ontruiming te voorkomen en aldus aan hun inspanningsverplichting hebben voldaan. Bovendien hebben verhuurders geen toelichting gegeven waarom de melding in dit geval zo kort voor datum waarop de dagvaarding is betekend is gedaan.

3.De vordering

3.1.
[eiser 1] c.s. vordert in deze procedure ontruiming van het gehuurde. Hij
legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] c.s. tot op heden niet aan de veroordeling in de bodemprocedure heeft voldaan en ook de huur voor september en oktober 2025 onbetaald heeft gelaten. [eiser 1] c.s. stelt dat de huurachterstand ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt en voert bezwaren aan tegen de gronden waarop in de bodemprocedure de ontbinding en ontruiming zijn afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering tot ontruiming wordt toegewezen omdat [eiser 1] c.s. daar een spoedeisend belang bij heeft en de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De periode van twee maanden vanaf van de “vroegsignalering” was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding immers verstreken en heeft niet geleid tot een traject van schuldhulpverlening. De huurachterstand is alleen maar toegenomen en rechtvaardigt ontruiming van het gehuurde in kort geding.
4.2.
De (gevorderde) wettelijke minimale beveltermijn voor een ontruiming van drie dagen [2] komt de kantonrechter niet onredelijk voor. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde 1] c.s. het gehuurde niet meer in gebruik heeft.
Proceskosten
4.3.
[gedaagde 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
Totaal
777,47
4.4.
De veroordeling tot betaling van de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser 1] c.s. zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser 1] c.s.,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 777,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe of betekening van het vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.

Voetnoten

1.zaaknr./rolnr. 11862121 \ CV EXPL 25-5747.
2.artikel 555 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.