6.3Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft over een geruime periode (van ongeveer twee jaar) op meerdere momenten heimelijk filmopnames van (naakte) minderjarige jongens gemaakt in de kleedkamer van de basketbalvereniging waar hij coach en jeugdtrainer was. De verdachte ging daartoe geraffineerd te werk. Hij verborg een telefoon in zijn jas die hij aan een kapstok in de jongenskleedkamer hing, waarbij de camera door een gat in de jas was gericht op de douches. De verdachte had een applicatie op zijn telefoon geïnstalleerd, waardoor opnames konden worden gemaakt zonder dat het scherm van de telefoon aanstond. Zo kon de verdachte video-opnames maken van minderjarige jongens in de (geschatte) leeftijd van 10 tot 15 jaar oud, die zich (deels) bloot in die kleedkamer bevonden en onder de douches stonden. De verdachte heeft van deze video’s later screenshots gemaakt, die hij voor zichzelf heeft bewaard. Vier van deze screenshots zijn gekwalificeerd als kinderpornografisch.
De verdachte heeft met zijn gedrag op grove wijze inbreuk gemaakt op de privacy van de jongens. De verdachte heeft hen gefilmd in een omgeving waar zij kwetsbaar waren en zich veilig en onbespied mochten voelen. Ook heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als coach en trainer van de jongensteams. Hij heeft het door de jongens, de ouders en de club in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. Slachtoffers van dit soort zedenfeiten kunnen daar vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. De verdachte heeft kennelijk zijn seksuele behoeften laten prevaleren en heeft onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen daarvan voor zijn slachtoffers.
Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende een lange periode (van ongeveer twaalf jaar) schuldig gemaakt aan het downloaden en bezitten van een grote hoeveelheid kinderpornografische foto’s. Daarop waren vooral poserende jongens in de (geschatte) leeftijd van 8 tot 12 jaar oud te zien. Op enkele foto’s waren ook ontuchtige of seksuele handelingen van minderjarige jongens te zien. Het is algemeen bekend dat kinderen bij het maken van kinderporno op grove wijze seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd en dat de psychische en fysieke gevolgen hiervan zeer ingrijpend kunnen zijn en diepe sporen kunnen nalaten. Met het downloaden en bezitten van kinderporno heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de vraag naar kinderporno. Ook hierbij heeft de verdachte zich laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen ervan voor de kinderen die misbruikt worden bij het maken van kinderporno. Dat vindt de rechtbank des te kwalijker, omdat de verdachte al eerder is veroordeeld vanwege kinderpornobezit en dus een gewaarschuwd man was.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de recidive van de verdachte, vindt de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij heeft de rechtbank mede gelet op straffen die in (min of meer) vergelijkbare zaken door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte echter aanleiding om een andere straf aan hem op te leggen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 10 juli 2025, waaruit blijkt dat hij in 2004 door de politierechter in Amsterdam is veroordeeld voor onder meer het bezit van kinderporno. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven, de ten laste gelegde feiten heeft bekend en ervan blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Op de zitting heeft de verdachte berouw getoond en gezegd veel spijt te hebben van wat hij heeft gedaan. De verdachte heeft hierin een oprechte indruk gemaakt.
De rechtbank heeft er ook oog voor dat de verdachte als gevolg van de onderhavige verdenking en veroordeling, ook al heeft hij die volledig aan zichzelf te danken, mogelijk voor de rest van zijn leven is uitgesloten van de (basketbal)gemeenschap waarvan hij vele jaren - ook op een positieve manier - onderdeel is geweest. Dat de verdachte vanwege (aandacht voor) deze strafzaak al de nodige negatieve gevolgen van zijn gedrag heeft gevoeld, waaronder sociaal isolement, is een omstandigheid waar de rechtbank bij de op te leggen straf in zijn voordeel rekening mee zal houden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 13 juni 2025 en 4 december 2025. Uit deze rapporten en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat de verdachte een seksuele voorkeur voor jonge jongens heeft en dat er vrijwel niemand was met wie hij hierover kon praten. Naast deze seksuele voorkeur signaleert de reclassering diverse factoren die kunnen bijdragen aan het gevaar op herhaling, waaronder: het onvermogen tot het onderhouden van een stabiele relatie, emotionele identificatie met kinderen, een beperkt sociaal netwerk en eenzaamheid, en ontoereikende probleemoplossingsvaardigheden.
Ruim een jaar geleden is de verdachte geschorst uit voorlopige hechtenis. Sindsdien staat hij onder toezicht van de reclassering en ondergaat diverse behandelingen bij De Waag, mede gericht op de hiervoor genoemde risicofactoren. De verdachte heeft bij forensische behandelinstelling De Waag drie verschillende behandelaren, met wie hij afzonderlijk werkt aan het seksueel grensoverschrijdend gedrag, zijn softdrugsgebruik en (met een psychiater) aan zijn depressie en ADHD. Daarnaast volgt de verdachte een COSA traject, waarbij hij contact heeft met vrijwilligers die hem ondersteunen in het opnieuw opbouwen van een sociaal actief leven. Tijdens het schorsingstoezicht heeft zich geen enkel incident voorgedaan en de verdachte is probleemloos door de digitale controles gekomen. Ook heeft de verdachte al geruime tijd een baan en stabiele huisvesting en zijn softdrugsgebruik is sterk verminderd. Omdat de reclassering voortzetting van de huidige behandelingen en begeleiding wenselijk en noodzakelijk acht voor het inperken van de (als hoog ingeschatte) kans op herhaling, adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, behandelverplichting, verplichting om een dagbesteding te behouden, locatieverbod voor de basketbalvereniging en verplichtingen om contact met minderjarigen en digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik te vermijden. De verdachte heeft zich tijdens de zitting - en in het voorbije jaar - bereid en gemotiveerd getoond deze voorwaarden na te leven.
De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen, omdat de ingezette behandelingen en de daarmee samenhangende positieve wendingen door het opleggen van een gevangenisstraf zouden worden doorkruist. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank het niet passend om de verdachte nu nog een straf op te leggen als gevolg waarvan hij terug moet naar de gevangenis.
De op te leggen straf
Alles afwegende, acht de rechtbank de straf die de officier van justitie heeft gevorderd passend en geboden. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen van 180 dagen waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd (drie dagen). De rechtbank acht verplicht contact met de reclassering en oplegging van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden noodzakelijk om het herhalingsgevaar tot een aanvaardbaar niveau in te perken. Deze voorwaarden zal de rechtbank verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel, met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke gevangenisstraf is (mede) bedoeld de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit en dient als stok achter de deur voor het naleven van de bijzondere voorwaarden.
Om de ernst van de feiten te benadrukken zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, aan de verdachte ook een taakstraf van 180 uren opleggen.