Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15107

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1449
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.13 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaarschriften wegens termijnoverschrijding bij belastingaanslagen 2021

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 23 december 2025 het beroep van eiser tegen niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2021. De bezwaren waren ingediend na de wettelijke termijn van zes weken en verweerder had deze terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser stelde dat persoonlijke omstandigheden hem verhinderden tijdig bezwaar in te dienen en dat hij aanspraak maakte op aftrekposten voor reiskosten en ziektekosten. Hij voerde ook dat verweerder het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel had geschonden. De rechtbank oordeelde dat eiser geen verschoonbare termijnoverschrijding had aangetoond en dat de enkele stelling van persoonlijke omstandigheden onvoldoende was. Het verzoek om uitstel van de zitting werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank kon daardoor niet inhoudelijk op de aanslagen ingaan en verklaarde de beroepen ongegrond. Ook de verzoeken om ambtshalve vermindering werden niet-ontvankelijk verklaard, mede omdat verweerder niet instemde met het overslaan van de bezwaarfase. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de bezwaarschriften niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden en wijst verzoeken om uitstel en ambtshalve vermindering af.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/1449 en HAA 25/1450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

HAA 25/1449
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 met dagtekening 28 februari 2024 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (de aanslag IB/PVV). Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete van € 385 opgelegd en een bedrag van € 966 aan belastingrente inrekening gebracht.
HAA 25/1450
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 met dagtekening 28 februari 2024 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd (de aanslag Zvw). Bij beschikking is € 224 belastingrente in rekening gebracht.
Beide zaken
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw (hierna: de aanslagen) niet-ontvankelijk verklaard. Tevens zijn bij gelijktijdig genomen beschikking de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025 te Haarlem.
Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 4 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw.
2. Met dagtekening 29 oktober 2024 heeft verweerder de vooraankondiging uitspraken op bezwaarschriften en verzoeken ambtshalve verminderingen naar eiser verzonden. Deze brief is verzonden naar het adres waar eiser tot 17 oktober 2024 stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Verweerder heeft zijn voornemen geuit om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding en verzoekt eiser dat als hij van mening is dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, een toelichting onderbouwd met relevante bewijsstukken te overleggen. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
3. In een brief van 26 november 2024, verzonden naar het nieuwe woonadres van eiser, heeft verweerder nogmaals verzocht aan eiser om te reageren op de vooraankondiging van 29 oktober 2024. Deze vooraankondiging is bijgevoegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
4. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van
23 januari 2025 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding (de uitspraken op bezwaar) en de bezwaren tevens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Deze verzoeken zijn afgewezen (de beschikkingen ambtshalve vermindering).

Geschil5. In geschil is of verweerder terecht de bezwaarschriften niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is de hoogte van de aanslagen in geschil.

6. Eiser stelt dat het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaren onterecht is, omdat hij verweerder de juiste informatie heeft verstrekt om zijn bezwaren op een juiste wijze te kunnen afhandelen. Eiser voert aan dat hij aanspraak maakt op aftrekposten voor reiskosten en betaalde ziektekosten. Eiser stelt daarbij dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens overschrijding van de termijn. Volgens verweerder kunnen de aanslagen daarom niet inhoudelijk worden beoordeeld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om uitstel van de zitting
8. De mondelinge behandeling van de zaken stond eerder gepland op 19 november 2025. Op 18 november 2025 is op verzoek van eiser uitstel verleend. Op diezelfde dag is eiser uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 16 december 2025. In de uitnodiging is eiser er op gewezen dat een verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken dient te worden ingediend. Op 27 november 2025 heeft eiser een uitstelverzoek ingediend, waarbij hij onder meer aangeeft dat hij op de zittingsdatum verhinderd is en binnen drie werkdagen zijn verhinderdata zal opgeven. Op 3 december 2025 heeft de rechtbank eiser bericht dat het uitstelverzoek niet voldoende is toegelicht en eiser verzocht om de reden van de verhindering met de daarbij behorende onderbouwende stukken zo spoedig mogelijk te vermelden. Op 8 december 2025 reageert eiser dat hij bij zijn werkgever geen verlof kan krijgen en dat hij om die reden verhindert is. De rechtbank heeft dezelfde dag gereageerd en vraagt daarbij nogmaals om stukken in te dienen die zijn verzoek onderbouwen. Eiser dient daarop, tevens op dezelfde dag, een screenshot in van een kalenderoverzicht van de maand december 2025 waarop enkel de datums te zien zijn. De 8 is groen en 22 is groen omcirkeld. Eiser geeft daarbij aan dat zoals op de foto te zien is het eerst mogelijke verlof op 22 december is. De rechtbank heeft op dezelfde dag (8 december 2025) eiser een bericht gestuurd waarbij zij het uitstelverzoek afwijst.
9. De beslissing om het verzoek om uitstel af te wijzen is gegrond op de omstandigheid dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat gewichtige omstandigheden eiser verhinderde bij de zitting aanwezig te zijn (zie artikel 2.13, eerste en tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025). De rechtbank heeft meermaals gevraagd om een onderbouwing van zijn standpunt dat hij een gewichtige reden heeft om niet bij de zitting aanwezig te kunnen zijn. De stelling van eiser dat hij geen verlof kan krijgen van zijn werkgever in combinatie met de screenshot waarop een kalender te zien is waarbij de dagen van de maand worden weergegeven, acht de rechtbank hiervoor niet voldoende. Daarbij komt dat eiser het uitstelverzoek negen dagen na de uitnodiging heeft ingediend en daarmee niet is voldaan aan het vereiste dat het uitstelverzoek zo spoedig mogelijk wordt ingediend. Niet valt in te zien waarom eiser niet eerder kon laten weten dat hij op de zittingsdatum geen vrij kan krijgen van zijn werk.
Ontvankelijkheid bezwaren
10. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van het afschrift van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, is het bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van een te late indiening achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding).
11. De aanslagen zijn gedagtekend op 28 februari 2024. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van deze aanslagen zijn gelegen vóór de dag van bekendmaking daarvan, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 29 februari 2024 en is geëindigd op 10 april 2024. Nu het bezwaarschrift pas op 4 juni 2024 is ontvangen, moet in beginsel worden geoordeeld dat de bezwaarschriften niet tijdig zijn ingediend.
12. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift genoemd dat het door persoonlijke omstandigheden niet mogelijk was om eerder bezwaar in te dienen. Op de vraag van verweerder om daar een toelichting op te geven heeft eiser niet gereageerd. In beroep heeft eiser niet verder toegelicht waarom hij niet eerder bezwaar kon indienen. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling dat het door persoonlijke omstandigheden niet mogelijk was om eerder bezwaar in te dienen, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat eiser door bijzondere omstandigheden niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. Verweerder heeft de bezwaren van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel wegens het strikt vasthouden aan termijnen is geen sprake.
Verzoeken ambtshalve vermindering
13. De rechtbank heeft de inhoudelijke gronden van eiser over de ambtshalve vaststelling van de aanslagen en de aftrekbaarheid van kosten aangemerkt als een verzoek om in te stemmen met rechtstreeks beroep tegen deze beschikkingen (prorogatie als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb). Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij niet instemt met prorogatie omdat eiser enkele dagen voor de zitting alsnog de aangifte IB/PVV 2021 heeft ingediend en verweerder de daarin opgevoerde kosten zorgvuldig wil kunnen beoordelen alvorens daarop inhoudelijk te kunnen reageren. Daarom vindt hij het overslaan van de bezwaarfase nu niet passend. De rechtbank zal het beroep tegen de beschikkingen ambtshalve vermindering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslagen.
Conclusie en gevolgen
14. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling over de aanslagen en kan dus ook niet beoordelen of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen uitspraken op bezwaar ongegrond; en
- verklaart de beroepen tegen de beschikkingen ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).