2.8.Onderhoudsbijdragen
2.8.1.De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 590,- per maand vast te stellen.
2.8.2.De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.
2.8.3.De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.4.De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum uit te gaan van 6 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Zij heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat partijen nog langere tijd op hetzelfde adres hebben staan ingeschreven, waardoor de vrouw geen toeslagen kon aanvragen. De man heeft zich verweerd tegen de door vrouw verzochte ingangsdatum. Hij heeft verzocht aan te sluiten bij de geboorte van [de minderjarige 2] .
2.8.5.De rechtbank volgt de vrouw niet in de door haar verzochte ingangsdatum. Bij voorlopige voorziening is reeds een voorlopige kinder- en partnerbijdrage vastgesteld met ingang van 6 juni 2024, zodat voor terugwerkende kracht tot de datum van indiening van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen geen aanleiding bestaat. Nu de man op [geboortedatum] opnieuw vader is geworden en dit gevolgen heeft voor de verdeling van zijn draagkracht, zal de rechtbank voor de ingangsdatum uitgaan van 1 augustus 2025.
2.8.6.Vast staat dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk meer dan € 6.000,- per maand bedroeg. Dit betekent dat de behoefte van [de minderjarige 1] wordt gemaximeerd. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] geïndexeerd naar 2025 € 937,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten.
2.8.7.Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van het kind moeten worden verdeeld tussen de ouders.
2.8.8.De vrouw is in loondienst. Uit haar salarisspecificaties blijkt dat zij vanaf september 2025 een loon heeft van € 2.818,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 238,- bruto per maand. De rechtbank zal met dit inkomen rekening houden, alsmede met de door de vrouw betaalde pensioenpremies. Daarnaast gaat de rechtbank uit van het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop waar de vrouw met dit inkomen aanspraak op maakt.
2.8.9.De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.838,- per maand, waarmee zij een draagkracht heeft van € 692,- per maand.
2.8.10.De man is werkzaam als advocaat en maakt deel uit van de maatschap “ [maatschap] ”. De vrouw heeft gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaar. De man heeft daartegenover gesteld dat niet moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst, maar van de winst over 2024, omdat dit representatief is voor de toekomst. Gelet op de zorgregeling voor [de minderjarige 1] , kan de man voortaan minder werken, wat van invloed is op zijn resultaat.
2.8.11.De rechtbank zal uitgaan van het aandeel van de man in de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024, zoals te doen gebruikelijk bij ondernemers. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft gesteld geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hoewel de man heeft verklaard dat hij voortaan minder kan werken vanwege de zorg voor [de minderjarige 1] , heeft hij ook verklaard dat hij tijdens de samenwoning van partijen altijd een groot deel van de zorg voor [de minderjarige 1] heeft gedragen. Niet valt in te zien waarom dat nu tot gevolg zou hebben dat de man minder kan werken. Bovendien heeft de man de mogelijkheid om in de week dat [de minderjarige 1] bij de vrouw verblijft, meer uren te werken en zo eventueel verloren werktijd te compenseren. Uitgaande van het aandeel van de man in de winst uit onderneming zoals blijkt uit de overgelegde jaarstukken van € 149.417,- in 2022, € 224.867,- in 2023 en € 166.608,- in 2024, berekent de rechtbank de gemiddelde winst op € 180.297,-, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
2.8.12.Vast staat dat de man voor de helft eigenaar is van een tweetal panden aan [adres] en [adres] . Ook staat vast dat de huurinkomsten voor deze twee panden samen € 2.800,- per maand bedragen. De vrouw heeft gesteld dat bij de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met inkomsten uit verhuur van de panden. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat tegenover de huurinkomsten kosten voor de panden staan voor het voldoen van de vaste lasten en voor onderhoud, zodat er nagenoeg geen inkomsten overblijven. De rechtbank overweegt dat de man stukken heeft overgelegd waaruit de vaste lasten voor de twee panden blijken. De man heeft hiermee onderbouwd dat van bovenstaande huurinkomsten een zeer gering bedrag overblijft, waarbij nog geen rekening is gehouden met kosten voor onderhoud en verbetering. Om die reden zal de rechtbank geen rekening houden met een bedrag aan huurinkomsten aan de zijde van de man. Tegenover de stelling van de vrouw dat de man de panden niet zou aanhouden als deze zo weinig opleveren als de man stelt, heeft de man ter zitting verklaard dat de panden zijn bedoeld als investering voor de toekomst, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.
2.8.13.De man heeft een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering opgevoerd van € 4.760,- per jaar, wat door de vrouw niet is weersproken, zodat hiermee rekening zal worden gehouden.
2.8.14.Verder heeft de man gesteld dat rekening moet worden gehouden met verwervingskosten, te weten de kosten voor zijn lease auto plus benzinekosten van € 1.839,- per maand. Volgens de man maakt hij hoge kosten voor een auto vanwege zijn werkzaamheden door het land. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat bij het berekenen van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met een auto van de zaak. In dit geval heeft de man er (om financiële redenen) voor gekozen om geen auto van de zaak te nemen, maar een auto in privé te leasen. Dit neemt niet weg dat een groot deel van de kosten voor de auto, zakelijke kosten betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom, anders dan de kosten voor een auto van de zaak, met de kosten voor deze lease auto wel rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten.
2.8.15.Niet weersproken is dat de man aan aflossing van zijn studieschuld bij DUO een bedrag van € 260,- per maand voldoet, zodat hiermee rekening zal worden gehouden.
2.8.16.Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 8.909,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht van € 3.266,- per maand.
2.8.17.Vast staat dat de man op [geboortedatum] vader is geworden van [de minderjarige 2] en dat zijn draagkracht daarom moet worden verdeeld over twee kinderen, naar rato van de behoefte van deze kinderen. De behoefte van [de minderjarige 2] moet worden berekend aan de hand van de inkomens van de man en zijn nieuwe partner. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn nieuwe partner een winst uit onderneming had in 2023 van € 147.546,- bruto per jaar, in 2024 van € 155.839,- bruto per jaar en een verwachte winst uit onderneming over 2025 van € 125.303,- bruto per jaar. De rechtbank zal uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over 2023 en 2024 van € 151.693,- bruto per jaar. De verwachte winst over 2025 geeft geen representatief beeld, omdat de nieuwe partner van de man in 2025 zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Op basis van deze gegevens heeft de nieuwe partner van de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.724,- per maand.
2.8.18.Nu het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en zijn nieuwe partner meer dan € 7.500,- per maand bedraagt, wordt ook de behoefte van [de minderjarige 2] gemaximeerd op een bedrag van € 990,- per maand. De man heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige 2] moet worden verhoogd met de netto kosten voor kinderopvang van € 1.212,84 per maand. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling, omdat de kosten voor kinderopvang in verhouding tot de inkomens van de man en zijn nieuwe partner, niet zodanig hoog zijn dat deze behoefteverhogend werken.
2.8.19.Na een draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn nieuwe partner, komt van de totale draagkracht van de man van € 3.266,- per maand een bedrag van € 254,- per maand toe aan [de minderjarige 2] en een bedrag van € 3.012,- per maand toe aan [de minderjarige 1] .
2.8.20.De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw voor [de minderjarige 1] bedraagt € 3.599,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige 1] van € 937,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt dan € 784,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 153,- per maand.
2.8.21.Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de geldende zorgregeling, een zorgkorting van 35% van toepassing is. De zorgkorting beloopt € 328,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige 1] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
2.8.22.Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2025 een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 456,- per maand aan de vrouw moet betalen.
2.8.23.De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 5.546,- per maand vast te stellen.
2.8.24.De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek. Primair heeft hij verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen en subsidiair heeft hij verzocht de partnerbijdrage te matigen, door deze te limiteren in zowel hoogte als duur.
Grievend gedrag en limitering
2.8.25.De man stelt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om van hem te verwachten dat hij een bijdrage aan de vrouw voldoet, gelet op haar onnodig grievende gedrag. De vrouw heeft zich schuldig gemaakt aan intieme terreur, waarbij zij de man heeft vernederd, geïntimideerd, bedreigd en gechanteerd. Ook heeft de vrouw de man en zijn nieuwe partner in de gaten gehouden en gevolgd en heeft zij onwaarheden verspreid over hen. Dit is voor de man en zijn partner zeer kwetsend geweest. De vrouw betrekt bij haar handelen ook derden, waaronder zakelijke relaties van de man. Dit leidt mogelijk tot (zakelijke) schade bij de man, met ernstige financiële gevolgen. De man stelt dat de langdurig aanhoudende gedragingen van de vrouw ertoe hebben geleid dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken.
2.8.26.De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat een echtscheiding doorgaans gepaard gaat met (hoog oplopende) emoties. De beginfase van de echtscheidingsprocedure tussen partijen was turbulent. Het heeft de vrouw aangegrepen dat de nieuwe partner van de man zich heeft gemengd in het proces rondom de echtscheiding, terwijl dit iets tussen partijen alleen is. De man heeft een eenzijdig beeld geschetst van de situatie, waarin hij en zijn nieuwe partner ook een aandeel hadden. Volgens de vrouw zijn partijen inmiddels in rustiger vaarwater beland, waarbij zij afspraken kunnen maken over [de minderjarige 1] .
2.8.27.De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de alimentatiegerechtigde.
2.8.28.De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat deze bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd.
2.8.29.Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer kan worden gevergd. Daarbij is van belang of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige - naar objectieve maatstaven - in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Bij de bepaling van een eventuele alimentatie mag ook rekening worden gehouden met factoren die in de relatie tussen partijen tijdens het bestaan van het huwelijk een rol hebben gespeeld. De enkele vaststelling van grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde jegens de alimentatieplichtige, leidt er niet zonder meer toe dat daarmee de mogelijke aanspraak op een bijdrage aan levensonderhoud komt te vervallen. Een echtscheidingsprocedure gaat in het algemeen gepaard met de nodige emoties en vaak ook ruziegedrag. Door de gemoedstoestand van betrokkenen kunnen er ruzies ontstaan die zich onder normale omstandigheden niet zouden voordoen.
2.8.30.Als wordt vastgesteld dat de lotsverbondenheid tussen de ex-echtgenoten is verbroken, dan vervalt daarmee het recht op alimentatie. Voor de alimentatiegerechtigde zijn er dus verstrekkende gevolgen indien de lotsverbondenheid door diens gedrag als verbroken wordt beschouwd. De rechter dient derhalve een grote mate van terughoudendheid in acht te nemen bij het vaststellen van de verbreking van de lotsverbondenheid. Naarmate de duur van het huwelijk langer is geweest en/of uit het huwelijk kinderen zijn geboren, worden de eisen die aan het verbreken van de lotsverbondenheid worden gesteld zwaarder.
2.8.31.De rechtbank overweegt als volgt. Uit hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat de verhouding tussen partijen niet altijd goed is geweest. De vrouw erkent dat zij niet altijd juist heeft gehandeld jegens de man, maar dat partijen over en weer verwijten hebben geuit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aangetoond dat van de zijde van de vrouw sprake is geweest van dermate grievend gedrag, dat dit tot gevolg heeft dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en de man niet gehouden is een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen. De rechtbank kan invoelen dat bepaalde uitlatingen van de vrouw emotioneel zwaar voor de man zullen zijn geweest. Anderzijds geldt dat de situatie ook voor de vrouw zwaar zal zijn geweest, omdat zij is geconfronteerd met een affaire en nieuwe relatie van de man en zij inmiddels een kindje hebben gekregen, voordat de scheiding van partijen is afgerond. Dit zal gepaard zijn gegaan met veel emoties. De man heeft evenmin aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden door de gedragingen van de vrouw. Hij is verder gegaan met zijn privéleven en nieuwe gezin en ook zakelijk is hij nog steeds in staat zijn werkzaamheden uit te voeren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man tot nihilstellen of limiteren van zijn onderhoudsplicht in duur, afwijzen.
2.8.3.De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.32.De vrouw heeft verzocht de ingangsdatum van de partnerbijdrage te bepalen op
6 juni 2024. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.
2.8.33.De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De man heeft zich verzet tegen toepassing van de Hofnorm en heeft gesteld dat de vrouw haar behoefte concreet had moeten onderbouwen, omdat niet het hele gezinsinkomen van partijen tot hun beschikking stond. De rechtbank stelt voorop dat de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.
2.8.34.De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm moet worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.
2.8.35.Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om bij toepassing van de Hofnorm te rekenen met een percentage van 50 in plaats van 60, zoals de man heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat partijen al twee woningen hadden en dus dubbele woonlasten, vormt geen reden om af te wijken van het uitgangspunt van 60%. Het percentage is immers gebaseerd op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin, maar deze kosten omvatten meer dan alleen de woonlasten.
2.8.36.Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw tijdens het huwelijk € 2.533,- per maand bedroeg, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
2.8.37.Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de drie jaren voorafgaand aan de echtscheiding. De gemiddelde winst uit onderneming van de man bedroeg over de jaren 2022 tot en met 2024 € 180.297,- bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man van € 4.760,- per jaar en de aflossing op zijn DUO-schuld van € 260,- per maand, wat door de man onweersproken is gesteld. Geen rekening zal worden gehouden met de autokosten van de man of met huurinkomsten. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen in het kader van de kinderbijdrage is overwogen. Op basis van deze gegevens bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 € 8.698,- per maand.
2.8.38.Uitgaande van het netto besteedbaar inkomen van partijen van in totaal € 11.231,- per maand en de kosten van [de minderjarige 1] in 2024 van € 880,- per maand, berekent de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 6.211,- netto per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte dan € 6.615,- netto per maand.
2.8.39.Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.
2.8.40.De man heeft gesteld dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en in staat moet worden geacht een inkomen van € 3.023,- per maand te genereren, uitgaande van een 36-urige werkweek. De vrouw is werkzaam in de zorg, waar veel werkgelegenheid is. Bovendien hoeft de vrouw steeds minder thuis te zijn om de zorg voor [de minderjarige 1] te dragen naarmate zij ouder wordt, temeer nu tussen partijen een co-ouderschapsregeling geldt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende weersproken dat zij geen mogelijkheden heeft om een hoger inkomen te genereren. Zo is niet gesteld of gebleken dat zij niet de mogelijkheid heeft haar arbeidsduur bij haar huidige werkgever te verhogen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw meer kan werken in de week dat [de minderjarige 1] bij de man verblijft, net als de man in staat wordt geacht meer te kunnen werken in de week dat [de minderjarige 1] bij de vrouw is. De rechtbank zal daarom rekening houden een verdiencapaciteit van de vrouw van € 3.023,- netto per maand, zoals door de man gesteld.
2.8.41.Dit betekent dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 3.592,- netto per maand.
2.8.42.Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 8.909,- per maand.
2.8.43.De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 784,- per maand en € 254,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.762,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 2.818,- per maand. De draagkracht van de man overschrijdt de behoefte van de vrouw niet.
2.8.44.Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 2.818,- per maand.