ECLI:NL:RBNHO:2025:14994

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
15/151327-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafzaak met wapenbezit en diefstal met geweld

In deze jeugdstrafzaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van wapenbezit en diefstal met geweld. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en diefstal met geweld, gepleegd in vereniging met anderen. De feiten vonden plaats op 16 mei en 13 juni 2025 in Purmerend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 16 mei 2025 een revolver met bijbehorende munitie voorhanden had en op 13 juni 2025 samen met anderen goederen van een slachtoffer heeft weggenomen, waarbij geweld is gebruikt. De verdachte is vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten, omdat het bewijs daarvoor onvoldoende was. De rechtbank heeft de verdachte een jeugddetentie opgelegd van 210 dagen, waarvan 33 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding door de jeugdreclassering. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat deze niet voldoende onderbouwd was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/151327-25
Uitspraakdatum: 20 november 2025
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 6 november 2025 en 19 november 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] (( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in [KVJJ] te [plaats] (hierna: KVJJ),
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.G.H. Langeweg, kantoorhoudende te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de GI] , namens De Jeugd en Gezinsbeschermers te Alkmaar (hierna: de jeugdreclassering).
Verder waren aanwezig de ouders van de verdachte, bijgestaan door een tolk [taal] .
Tot slot was aanwezig [mentor] , mentor van betrokkene in de KVJJ.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij, op of omstreeks 16 mei 2025 te Purmerend een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (met bijbehorende munitie), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Feit 2:
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, Air pods 3 pro en/of een identiteitskaart en/of een pinpas en/of een telefoon (merk [merk] ) en/of een muts (merk [merk] ) en/of een OV chipkaart en/of schoenen (merk [merk] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde partij]
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of
- dreigend een pistool te tonen en/of een pistool te richten op die [benadeelde partij] en/of
- met een pistool tegen het hoofd te slaan en/of
- dreigend de woorden "Je gaat krijgen!" te zeggen en/of soortgelijke woorden van dreigende aard;
Feit 3:
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gas-/alarmrevolver), van het merk [merk] , model 38, kaliber .22LR (ombouw, scherpschietend) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 4:
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 scherpe kogelpatronen, van het kaliber .22LR, merk [merk]
voorhanden heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde
feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen opmerkingen geplaatst ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft zij verzocht om de verdachte vrij te spreken, omdat zijn opzet niet gericht was op het, samen met anderen, wegnemen van goederen van het slachtoffer, maar alleen op het plegen van geweld. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij niet aanwezig was op het moment dat de goederen werden weggenomen. Als de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wel aanwezig was ten tijde van de diefstal, stelt de raadsvrouw dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken voor de AirPods 3 pro en de muts (merk [merk] ), omdat uit het dossier niet blijkt dat deze goederen zijn weggenomen door de verdachte en/of mededaders bij de diefstal.
Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw eveneens verzocht om de verdachte vrij te spreken, omdat er onvoldoende bewijs is om vast te kunnen stellen dat de verdachte wetenschap had van het vuurwapen en bijbehorende munitie alsmede dat hij het vuurwapen voor handen heeft gehad en/of had kunnen hebben.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feiten 3 en 4De rechtbank is van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten en overweegt daaromtrent als volgt.
De enige belastende verklaring van aangever ten aanzien van de verdachte met betrekking tot het vuurwapen, te weten dat de verdachte tijdens de diefstal het vuurwapen en bijbehorende munitie in zijn handen heeft gehad en hiermee heeft gedreigd, vindt onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Uit het dossier – in het bijzonder de videobeelden van de diefstal – volgt alleen dat een van de daders (in ieder geval) tijdens de diefstal in het bezit was van het vuurwapen. Daarnaast is gebleken dat weer een andere dader na de diefstal is aangehouden met een vergelijkbaar vuurwapen in zijn bezit. Dat acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad en/of had kunnen hebben over het wapen en de bijbehorende munitie.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat wat de verdachte onder 3 en 4 ten laste is gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.2.
.
Partiële vrijspraak feit 2
In het verlengde van het hiervoor overwogene, is de rechtbank ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de geweldshandelingen die zien op het gebruik van het vuurwapen zoals in de tenlastelegging is opgenomen. Hoewel niet is vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk ondersteund wordt door twee bewijsmiddelen, acht de rechtbank van belang dat het dossier daarvoor geen steunbewijs bevat. De onderdelen die zien op het vuurwapen zijn dusdanig strafverzwarend en ernstig dat de rechtbank een bewezenverklaring daarvan, zonder steunbewijs, niet gerechtvaardigd acht.
3.3.3
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsmotivering feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging, zoals in overweging 3.4 onder feit 2 is vermeld en overweegt daartoe als volgt
De verdachte heeft met aangever [benadeelde partij] (hierna: aangever) afgesproken om elkaar te ontmoeten in Purmerend. Volgens aangever is hij toen door vier personen, waaronder de verdachte, geslagen, geschopt en getrapt tegen zijn hoofd en lichaam en zijn diverse goederen van hem weggenomen, waaronder een pinpas, telefoon en schoenen.
Anders dan door de verdachte op de zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de videobeelden van de diefstal voldoende is gebleken dat de verdachte ook aanwezig was bij de diefstal met geweld. Volgens aangever was op een zeker moment zijn telefoon op de grond gevallen. Hij pakte zijn telefoon, omdat hij 112 wilde bellen. Hij tikte zijn code in. Hij zag dat de verdachte dit zag en zijn telefoon afpakte. Hij zag dat de verdachte iets in de instellingen deed van zijn telefoon. Dat deze situatie zich heeft afgespeeld, vindt steun in de twee stills van voornoemde videobeelden die op de zitting aan de verdachte zijn getoond (pagina 200 van het procesdossier), waarop zichtbaar is dat iemand vermoedelijk de telefoon van de aangever vast heeft. Volgens de verdachte was hij dit niet. Tijdens de zitting heeft de verdachte zichzelf weliswaar op een van deze foto’s herkend, maar heeft hij daarbij opgemerkt dat hij niet de persoon is met de telefoon van de verdachte in zijn handen. De rechtbank is echter van oordeel dat dit één en dezelfde persoon betreft, namelijk de verdachte, gelet op het signalement van de verdachte en het feit dat dit twee stills zijn van één videobestand waarvan de ene still een uitvergroting is van de andere still. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verschillende getuigen vier jongens hebben zien wegrennen van het delict, hetgeen eveneens overeenkomt met de verklaringen van de aangever. De verklaring van de verdachte dat hij niet aanwezig was op het moment dat de goederen van de aangever zijn weggenomen, vindt de rechtbank op basis van het voorgaande dan ook ongeloofwaardig.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de diefstal met geweld door aanwezig te zijn bij de diefstal, geweld te plegen bestaande uit in ieder geval het slaan en schoppen van het slachtoffer, het pakken van de telefoon van het slachtoffer en het samen vluchten met de medeverdachten. Het feit dat uiteindelijk geen goederen van aangever bij de verdachte zijn aangetroffen, doet hier niet aan af.
Gelet op deze omstandigheden en gedragingen van de verdachte en de andere daders tijdens en na het ten laste gelegde feit, in samenhang bezien, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, zoals in overweging 3.4 onder feit 2 is vermeld.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij op 16 mei 2025 te Purmerend een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (met bijbehorende munitie) voorhanden heeft gehad.
Feit 2:
hij op 13 juni 2025 te Purmerend, tezamen en in vereniging met anderen, AirPods 3 pro, een identiteitskaart, een pinpas, een telefoon (merk [merk] ), een muts (merk [merk] ), een OV chipkaart en schoenen (merk [merk] ), die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door die [benadeelde partij]
- meermalen, (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en te trappen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 15 september 2025, opgesteld door
[GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Dit psychologisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Hoewel sprake is van nadrukkelijke kwetsbaarheden in het persoonlijk functioneren van de verdachte, kan op grond van het onderzoek geen psychische stoornis vastgesteld worden en is geen sprake van een cognitieve beperking. Er is derhalve geen aanleiding om te adviseren de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Er is dan ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 240 dagen jeugddetentie, waarvan 66 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarde en bijzondere, dadelijk uitvoerbare, voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met eventueel een voorwaardelijke werkstraf. Er moet immers rekening gehouden worden met het feit dat de verdachte al aanzienlijke tijd in voorarrest zit, mede wegens omstandigheden die niet aan hem te wijten zijn. Daarbij komt dat de verdachte nog een forse werkstraf dient uit te voeren wegens een eerdere veroordeling.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich allereerst schuldig heeft gemaakt aan wapenbezit. Gebleken is dat de verdachte in het bezit was van een doorgeladen vuurwapen, welk wapen in zijn slaapkamer is aangetroffen. Op zichzelf is dit al ernstig genoeg, maar nog kwalijker is dat de verdachte op dat moment in een proeftijd liep van een vlak daarvoor gewezen vonnis van de rechtbank voor een vergelijkbaar feit alsmede een geweldsdelict met een steekwapen. Het lijkt erop dat de verdachte zich niet veel van die strafzaak en proeftijd heeft aangetrokken, wat de rechtbank de verdachte aanrekent. Vuurwapenbezit is een ernstig strafbaar feit. Door het voorhanden hebben van een wapen is de stap naar vuurwapengeweld klein, iets dat in de maatschappij helaas steeds vaker voorkomt.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld door het slachtoffer meermaals te slaan, schoppen en trappen tegen zijn lichaam en hoofd. Opvallend hierbij is de ernst van het geweld, gezien het letsel van het slachtoffer bestaande uit onder andere een neusfractuur. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat deze diefstal met geweld kennelijk deels is gefilmd en heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag op een openbare plek, wat ook blijkt uit het feit dat meerdere personen kort na het incident aanwezig waren.
Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van het slachtoffer. Het is bekend dat dergelijke gewelddadige feiten negatieve psychische gevolgen kunnen hebben voor de slachtoffers. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder veroordeeld is voor vergelijkbare delicten en een geweldsdelict.
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 15 september 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 oktober 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 19 november 2025 van
[casusregisseur] , casusregisseur bij de Raad.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5., de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat het jeugdreclasseringskader, waaronder ITB harde kern, passend lijkt gelet op de intensiteit van de geboden begeleiding, samenwerking en controle. Verder is begeleiding noodzakelijk, waarbij de voorkeur uitgaat naar zowel ervaringsgeoriënteerde kennis als psychologische expertise zodat praktische ondersteuning en procesdiagnostiek kan plaatsvinden. Tevens is positieve dagbesteding noodzakelijk, zoals een opleiding, bijbaan en/of sporten. Tot slot onderschrijft de deskundige de zorgen omtrent het vinden van een passende woonplek wegens de risico’s in Purmerend enerzijds en het belang van thuis wonen bij familie anderzijds.
De rechtbank verenigt zich met de conclusie van dit rapport.
De Raad heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan ITB Harde Kern voor maximaal zes maanden, zich houdt aan de goedgekeurde dag- en vrijetijdsbesteding, meewerkt aan begeleiding door een (forensisch) coach, zich houdt aan een locatiegebod en -verbod, meewerkt aan een plaatsing bij Inspire en zich houdt aan een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.
Hoewel sprake is van een laag risicoprofiel en een positieve ontwikkeling, wordt wel een aanzienlijk risico gezien in de manier waarop de verdachte naar de verdenkingen en het gebruik van geweld in bepaalde situaties kijkt. Dit vergroot de kans op het toepassen van geweld in de toekomst. Het wordt dan ook noodzakelijk geacht dat de verdachte duidelijke consequenties ervaart en dat hij hulp en begeleiding krijgt, zodat hij leert om, zonder geweld, met conflicten om te gaan en er meer zicht komt op zijn gedrag, keuzes en denken. Daarnaast zijn er zorgen over de meldingen dat de verdachte betrokken is bij diverse incidenten. De komende periode dient hierover duidelijkheid te komen, zodat passende hulpverlening en begeleiding ingezet kan worden.
De Raad heeft ter zitting het advies in het raadsrapport gehandhaafd met uitzondering van de bijzondere voorwaarden gericht op de plaatsing bij Inspire. De verdachte is namelijk recent afgewezen voor een plaatsing bij Inspire, wat de voorwaarden gericht op ITB Harde Kern en elektronische monitoring noodzakelijk maakt. Daarnaast adviseert de Raad om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat naast de geadviseerde voorwaarden van de Raad ook nog een locatiegebod van 19.00 uur tot 7.00 uur op het woonadres te Purmerend wordt geadviseerd met elektronische monitoring. De redenen van afwijzing voor een plaatsing bij Inspire zijn veiligheidsrisico’s wegens de nog lopende conflicten in Purmerend en het feit dat sprake lijkt te zijn van een huisvestingsprobleem. Er wordt namelijk enkel naar een verblijfsplek buiten Purmerend gezocht wegens de veiligheidsrisico’s. Nu dit niet mogelijk blijkt op korte termijn, dient de verdachte weer bij zijn ouders in Purmerend te verblijven. Dit maakt dat de geadviseerde voorwaarde betreffende het gebiedsverbod niet langer aan de orde is. Het blijft een groot risico om de verdachte weer in Purmerend te laten verblijven, maar de jeugdreclassering heeft voldoende vertrouwen in de verdachte omdat wordt gezien dat hij afstand lijkt te willen nemen van de conflicten en openheid van zaken geeft. Hij zal echter wel sterk in zijn schoenen moeten blijven staan om weerstand te bieden tegen anderen, maar hierbij zal hij ondersteuning en begeleiding krijgen van de hulpverlening.
De Raad heeft in het raadsrapport van 19 november 2025 het eerder gegeven mondelinge en schriftelijke advies gedeeltelijk gewijzigd. Na de zitting van 6 november 2025 is actief gezocht naar een passende woonvoorziening voor de verdachte buiten Purmerend vanwege de veiligheidsrisico’s. Op 18 november 2025 heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij Multi Plus Zorg te [plaats] , waar de verdachte – zoals per email nader is toegelicht – met ingang van 20 november 2025 terecht kan. De verdachte is positief en enthousiast over deze plaatsing en zijn raadsvrouw staat er ook achter. De officier van justitie stemt eveneens in met deze plaatsing. Gelet op het voorgaande, adviseert de Raad de volgende aanvullende voorwaarden: een locatieverbod voor Purmerend en meewerken aan een plaatsing bij Multi Plus Zorg te [plaats] .
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten wapenbezit en diefstal met geweld, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 177 dagen gedetineerd is geweest. Ook houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met algemene en bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. Wel ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten en partieel wordt vrijgesproken van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie van 210 dagen moet worden opgelegd, waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit
.De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder ITB Harde Kern voor maximaal zes maanden, een goedgekeurde dag- en vrijetijdsbesteding, begeleiding door een (forensisch) coach, verblijf bij Multi Plus Zorg, een locatiegebod, een locatieverbod in Purmerend en een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een
misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het
lichaam van een persoon, te weten diefstal met geweld.
De rechtbank is, mede gelet op het raadsrapport omtrent de kans op herhaling en het feit dat de verdachte meerdere strafbare feiten heeft gepleegd kort na een eerdere veroordeling wegens geweldsdelicten en tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, van oordeel dat zonder de voorwaarden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 1.300,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een [merk] tas (€ 500,00), contant geld
(€ 300,00) en telefoon (€ 500,00).
De rechtbank zal – in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie en de verdediging – de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering gelet op het ontbreken van een onderbouwing.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
tweehonderdentien (210) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot drieëndertig (33) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • zich zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
  • zich houdt aan de weekschema's, doelen, afspraken en het contract van het traject ITB Harde Kern vanuit de jeugdreclassering, zoals de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en voor de maximale duur van zes maanden.
  • zich houdt aan en inzet voor door de jeugdreclassering goedgekeurde dag- en vrijetijdsbesteding, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • zich inzet voor en meewerkt aan begeleiding door een (forensisch) coach, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • meewerkt aan de plaatsing bij Multi Plus Zorg te [plaats] en zich houdt aan de daar geldende huisregels, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
  • zich houdt aan een locatiegebod van 20.00 uur tot 7.00 uur bij Multi Plus Zorg te [plaats] , dat onder regie van de jeugdreclassering kan worden uitgebreid, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en voor maximaal drie maanden;
  • zich houdt aan een locatieverbod voor Purmerend, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en voor maximaal zes maanden;
  • meewerkt aan elektronische monitoring ter controle van het locatieverbod voor maximaal zes maanden;
  • op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] ;
  • op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ,
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] .
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres]
[adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel
77aa van die wet uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten honderdzevenenzeventig (177) dagen bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. F.W. van Dongen en mr. J.J. Veldheer, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 november 2025.
Mr. J.J. Veldheer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.