De vader verzocht de rechtbank om een gewijzigde zorgregeling te bepalen voor het minderjarige kind, waarbij hij meer contact wenste. De ouders waren eerder gehuwd en het gezag over het kind bleef na de echtscheiding gehandhaafd, met het hoofdverblijf bij de moeder.
Tijdens de eerste zitting werd het contactherstel via het Uniforme Hulpaanbod (UHA) ingezet, maar het kind weigerde mee te werken aan contactherstel. Het Centrum Jeugd en Gezin meldde de zaak terug omdat het traject niet gestart kon worden. De Raad voor de Kinderbescherming zag geen aanleiding tot nader onderzoek vanwege de reeds ingezette hulpverlening en het belang van respect voor de wens van het kind.
Op de zitting van 11 november 2025 bevestigde de minderjarige opnieuw haar standpunt geen contact te willen met de vader. De rechtbank oordeelde dat de wens van het kind consistent is en dat er geen mogelijkheden zijn om een zorgregeling vast te stellen. De Raad adviseerde het verzoek af te wijzen. De rechtbank gaf de vader mee om op een passende wijze zijn spijt te betuigen, bijvoorbeeld via een brief of filmpje.
De rechtbank wees het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling af en bevestigde dat de informatieregeling tussen ouders goed verloopt. De beslissing werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgelegd.