ECLI:NL:RBNHO:2025:14976

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/15/359399 / FA RK 24-5999 en C/15/362317 / FA RK 25-934
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en afwikkeling huwelijkse voorwaarden

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, waarbij nevenvoorzieningen zijn getroffen met betrekking tot de minderjarige kinderen en de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. De man en vrouw zijn gehuwd op een niet gespecificeerde datum en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en heeft de echtscheiding uitgesproken. De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is bij de vrouw vastgesteld, terwijl de zorgregeling voor de minderjarige [de minderjarige 2] is vastgesteld op drieënhalve dag per week bij de vrouw en drieënhalve dag per week bij de man. De rechtbank heeft ook een kinderbijdrage vastgesteld die de man aan de vrouw moet betalen voor de kinderen. Daarnaast is de rechtbank ingegaan op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarbij de man de echtelijke woning kan overnemen, mits hij de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. De rechtbank heeft ook de verdeling van de inboedel, bankrekeningen en andere activa en passiva geregeld. De uitspraak benadrukt het belang van hulpverlening voor contactherstel tussen de man en de minderjarige [de minderjarige 1].

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/359399 / FA RK 24-5999 en
C/15/362317 / FA RK 25-934

Beschikking d.d. 2 december 2025 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. W.B. Koppenberg, gevestigd te Hoorn,
tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.F.M. Deijkers, gevestigd te Hoorn.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen op 21 november 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2025;
- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen op 10 februari 2025;
- het aanvullend verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2025;
- het verweerschrift tegen het aanvullend verzoek tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 17 oktober 2025;
- de brief van de man, met bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 november 2025 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Voorts is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) als informant.
1.3.
Na te noemen minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Op 31 oktober 2025 hebben zij hun mening in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt.
1.4.
Na de mondeling behandeling van de zaak heeft zoals ter zitting besproken de vrouw bij bericht van 5 november 2025 nog haar salarisspecificatie van september 2025 in het geding gebracht en heeft de man bij bericht van 5 november 2025 nog informatie verstrekt over de aflossing van de roodstand op de gezamenlijke bankrekening van partijen.
2. De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
De man is niet de biologische vader van [de minderjarige 1] . De man is sinds [datum] de juridische
vader van [de minderjarige 1] omdat hij [de minderjarige 1] toen heeft erkend.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2025 is bij wege van voorlopige voorzieningen bepaald dat:
- [de minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- [de minderjarige 2] wordt toevertrouwd aan de man;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) ten aanzien van [de minderjarige 2] als volgt zal zijn: [de minderjarige 2] zal drieënhalve dag per week bij de vrouw verblijven, waarbij partijen deze dagen in onderling overleg zoveel mogelijk afstemmen op het variabele werkrooster van de vrouw;
- de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan [adres] , met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden
- de man met ingang van 27 maart 2025 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding (hierna: kinderbijdrage) van [de minderjarige 1] op € 492,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.4.3.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat partijen een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan redelijkerwijs niet kunnen overleggen. Partijen kunnen dan ook ontvangen worden in hun verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
2.4.4.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.5.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
2.5.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn;
- voor [de minderjarige 1] geen zorgregeling met de man wordt vastgesteld;
- voor [de minderjarige 2] de in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 27 maart 2025 vastgestelde reguliere zorgregeling blijft gelden, [de minderjarige 2] de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en de laatste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijft en in de overige vakanties de reguliere zorgregeling blijft doorlopen.
2.5.2.
De vrouw stelt dat het gezien de wijze waarop partijen met elkaar omgaan en de man zich in deze manifesteert in het belang van de minderjarigen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. In dit verband licht de vrouw toe dat de man zich sinds het besluit tot echtscheiding lastig opstelt, waarbij hij de vrouw via camera’s in de gaten houdt, pesterig gedrag laat zien en [de minderjarige 2] belast met een negatief beeld over de vrouw. De minderjarigen hebben volgens de vrouw last van de situatie. [de minderjarige 2] gaat inmiddels naar een kinderpsycholoog. [de minderjarige 1] wil niet betrokken worden bij de problemen tussen partijen. De vrouw zorgt het meeste voor de minderjarigen. Sinds het moment dat partijen wilden scheiden merkt de vrouw dat de man zich hieraan onttrekt. De man deelt ook geen informatie met de vrouw. De vrouw is van mening dat voor [de minderjarige 1] geen zorgregeling moet worden vastgesteld omdat [de minderjarige 1] hier vooralsnog geen behoefte aan heeft vanwege hetgeen heeft plaatsgevonden. Voor [de minderjarige 2] wenst de vrouw de huidige zorgregeling te continueren. De door de man verzochte regeling is voor de vrouw ook niet haalbaar vanwege haar werk. Zij zou [de minderjarige 2] dan vaker naar de oppas moeten brengen met meer wisseling tot gevolg terwijl [de minderjarige 2] juist aangeeft meer rust te willen. De vrouw kan zich niet vinden in de door de man voorgestelde vakantieregeling. De bouwvak valt in de laatste drie weken van de zomervakantie en het is dan ook in de zorg lastig om verlof te krijgen. De vrouw wenst gelet hierop dat [de minderjarige 2] altijd de eerste drie weken van de zomervakantie bij haar verblijft. Voor de overige vakanties vindt de vrouw het rustiger voor [de minderjarige 2] als de reguliere zorgregeling doorloopt.
2.5.3.
De man verzoekt te bepalen dat:
- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij hem en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vrouw zal zijn;
- [de minderjarige 1] de helft van de tijd (nader in overleg met [de minderjarige 1] te bepalen) bij hem zal doorbrengen;
- [de minderjarige 2] zes achtereenvolgende dagen per veertien dagen bij de vrouw verblijft (en de overige acht bij hem);
- de door hem voorgestelde regeling voor vakanties en feestdagen vast te stellen.
2.5.4.
De man voert aan dat partijen een turbulente relatie hebben gehad. Volgens de man heeft de vrouw een borderline stoornis en alcoholprobleem en probeerde hij hier zo goed en kwaad als het ging mee om te gaan. Tijdens het huwelijk is niet de vrouw maar de man de hoofdverzorger van de minderjarigen geweest. Ter onderbouwing wijst de man op de door hem overgelegde verklaringen van buren en appberichten van partijen waarin de vrouw zelf aangeeft dat zij grote problemen heeft. De vrouw verwijt de man dat hij [de minderjarige 2] zou beïnvloeden dan wel hem naar zich toe zou trekken, maar [de minderjarige 2] is altijd al een vaderskindje geweest. De man heeft een camera in huis opgehangen, naar eigen zeggen in overleg met de praktijkondersteuner in verband met zorgelijk gedrag van de vrouw door alcohol- en medicatiegebruik. De man betwist de door de vrouw geuite beschuldigingen over pestgedrag. De man acht het in het belang van de minderjarigen dat [de minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij hem en [de minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Er is geen contact meer tussen [de minderjarige 1] en de man, sinds de vrouw vlak voor de voorlopige voorzieningenprocedure aan haar heeft verteld dat de man niet haar biologische vader is. De man vindt dit ontzettend verdrietig en schadelijk voor [de minderjarige 1] . Hij zou graag het contact met haar herstellen. [de minderjarige 2] heeft kenbaar gemaakt dat hij graag zes aaneengesloten dagen bij zijn moeder en vervolgens acht aaneengesloten dagen bij zijn vader zou willen zijn. [de minderjarige 2] vindt de wisselingen op dit moment eenvoudigweg te onrustig. De vrouw weigert dit, zodat de man de door [de minderjarige 2] gewenste zorgregeling verzoekt. Ook verzoekt de man een regeling voor de vakanties en feestdagen vast te stellen. Het lukt partijen niet om te overleggen zodat het van belang is dat er een duidelijke regeling ligt. De man betwist dat de vrouw niet op vakantie kan in bouwvak. Partijen zijn twaalf jaar gedurende de bouwvak op vakantie geweest en de vrouw werkte toen ook in de zorg.
2.5.5.
De mening van de minderjarigen. [de minderjarige 1] heeft tegen de kinderrechter verteld dat zij geen contact wil met de man. Zij kan zich niet vinden in verschillende maatschappelijke opvattingen van de vader en vindt het contact niet fijn. Ze maakt zich zorgen over eenzaamheid van [de minderjarige 2] bij de vader en denkt dat [de minderjarige 2] negatief door hem wordt beïnvloed.
[de minderjarige 2] heeft verteld dat hij tijd wil doorbrengen bij zijn vader en zijn moeder. Hij mist steeds de ouder waar hij niet verblijft. Hij vindt het naar dat zijn vader en moeder niet meer met elkaar kunnen praten. Hij zou meer dagen aaneengesloten bij zijn moeder en bij zijn vader willen verblijven, maar alleen als het echt kan met het werk van de moeder. Hij wil zijn moeder niet minder zien.
2.5.6.
De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht zich zorgen te maken over de minderjarigen. De minderjarigen worden belast met de emoties van en geschillen tussen hun ouders. Het is belangrijk dat partijen hun problemen bij de minderjarigen weghouden en dat zij hulpverlening aangaan om hun verstandhouding en de onderlinge communicatie te verbeteren. De Raad adviseert geen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vast te stellen. Dit is niet realistisch, gelet op de leeftijd van [de minderjarige 1] en haar uitdrukkelijke wens om nu geen omgang met de man te hebben. Wel vindt de Raad het belangrijk dat er hulpverlening komt om te werken aan contactherstel tussen [de minderjarige 1] en de man. Voor [de minderjarige 2] adviseert de Raad de huidige zorgregeling te continueren. Gelet op de verstoorde communicatie en visie-verschillen tussen de ouders acht de Raad het op dit moment niet in zijn belang om de zorgregeling te wijzigen. Het is belangrijk dat er rust komt en dat de huidige zorgregeling gaat normaliseren. Om het makkelijker te maken voor [de minderjarige 2] is het volgens de Raad belangrijk dat partijen achter deze regeling gaan staan en dit naar hem uitdragen. Wel geeft de Raad partijen in overweging om [de minderjarige 2] ook eens een weekend bij de vrouw te laten verblijven als de vrouw vrij is van haar werk.
2.5.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.8.
De rechtbank stelt vast dat er geen contact is tussen de man en [de minderjarige 1] . Gelet op de leeftijd van [de minderjarige 1] en haar weerstand tegen omgang acht de rechtbank het niet in haar belang om een zorgregeling met de man vast te stellen. Het verzoek van de man daartoe zal de rechtbank dan ook afwijzen. Wel vindt de rechtbank het net als de Raad belangrijk dat er hulpverlening komt om de mogelijkheden voor contactherstel tussen [de minderjarige 1] en de man te onderzoeken en eventueel te begeleiden. In beginsel is contact met beide ouders immers van belang voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige 1] .
2.5.9.
Voorts stelt de rechtbank vast dat partijen op dit moment de zorg voor [de minderjarige 2] hebben verdeeld conform de in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 27 maart 2025 vastgestelde zorgregeling. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] dat deze zorgregeling gecontinueerd wordt. De regeling verloopt goed en de rechtbank ziet net als de Raad geen aanleiding om de omgang te wijzen. Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij bij de door de man voorgestelde regeling meer oppas zal moeten inschakelen voor [de minderjarige 2] vanwege haar werk waardoor er juist meer wisselingen zullen komen. Daarbij zal [de minderjarige 2] zijn moeder hierdoor minder gaan zien en zal de periode tussen de wisselingen langer worden. Dit komt niet tegemoet aan de wensen en behoeftes van [de minderjarige 2] . Voorts vraagt het wijzigen van de huidige zorgregeling een goede afstemming en samenwerking tussen partijen. De rechtbank acht partijen daartoe op dit moment niet in staat gezien de verstoorde onderlinge communicatie en verstandhouding. Gezien het bovenstaande zal de rechtbank de huidige zorgregeling waarbij [de minderjarige 2] drieënhalve dag per week aaneengesloten bij beide ouders verblijft vastleggen.
2.5.10.
Partijen zijn het erover eens dat deze zorgregeling gedurende vakanties van één week moet doorlopen voor [de minderjarige 2] zodat de rechtbank dit zal vastleggen. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] om vakanties langer dan één week en feestdagen bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij de verdeling jaarlijks wordt omgedraaid. Dit is een gebruikelijke regeling en in het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 2] aangegeven dat hij dit graag wil. Voor de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank het schema van de man aanhouden aangezien de vrouw hiertegen geen concreet verweer heeft gevoerd.
2.5.11.
De rechtbank benadrukt in navolging van de Raad dat het belangrijk is dat partijen achter voormelde zorgregeling voor [de minderjarige 2] gaan staan en dit ook naar hem uitdragen. Alleen dan kan [de minderjarige 2] onbelast contact hebben met beide ouders en kan de situatie normaliseren.
2.5.12.
De rechtbank ziet aanleiding om de hoofdverblijfplaats van beide minderjarigen bij de vrouw vast te stellen. [de minderjarige 1] heeft op dit moment geen contact met de man zodat het voor de hand ligt om haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw te bepalen. De zorg voor [de minderjarige 2] is daarentegen gelijk tussen partijen verdeeld. De rechtbank vindt het belangrijk dat de minderjarigen gelijk worden behandeld, ook in financieel opzicht. Nu de verblijfsoverstijgende kosten worden betaald door de ouder waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] eveneens bij de vrouw vast te stellen. Met deze beslissing wil de rechtbank ook voorkomen dat de ‘scheiding’ die tussen de minderjarigen lijkt te ontstaan wordt bevestigd en vergroot.
2.5.13.
Zoals besproken ter zitting acht de rechtbank het van groot belang dat er naast voormelde hulpverlening voor contactherstel tussen de man en [de minderjarige 1] ook hulpverlening gaat komen gericht op het verbeteren van de verstandhouding en onderlinge communicatie tussen partijen en het vormgeven van hun gezamenlijk ouderschap. Partijen hebben in dit verband aangegeven dat zij binnenkort zullen starten met het SCHIP-traject. De rechtbank vindt dit een positieve stap en vertrouwt erop dat partijen zich hiervoor zullen inzetten. Het is belangrijk dat de situatie voor partijen en de minderjarigen gaat verbeteren en niet verder escaleert.
2.6.
Kinderbijdrage
2.6.1.
De vrouw verzoekt:
- indien de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben, te bepalen dat de man een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 426,- per maand en voor [de minderjarige 2] van € 191,- per maand aan haar dient te betalen;
- indien [de minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw en [de minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, te bepalen dat de man een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 453,- per maand aan de vrouw dient te betalen en de vrouw een kinderbijdrage voor [de minderjarige 2] van € 17,- per maand aan de man dient te betalen.
2.6.2.
De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat hij een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 181,- per maand aan de vrouw dient te betalen en de vrouw een kinderbijdrage voor [de minderjarige 2] van € 54,- per maand aan hem dient te betalen.
2.6.3.
Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald, zal de rechtbank het verzoek van de man om een kinderbijdrage van de vrouw afwijzen. Het is immers de vrouw die in dit geval de verblijfsoverstijgende kosten van beide minderjarigen voor haar rekening dient te nemen. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.6.4.
De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Ingangsdatum
2.6.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage moet worden bepaald op de beschikkingsdatum. Gelet hierop zal de rechtbank de ingangsdatum van de kinderbijdrage bepalen op 2 december 2025.
Behoefte
2.6.6.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.6.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in 2025 € 783,- per kind per maand bedraagt. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht van partijen
2.6.8.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.6.9.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2025, vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.310)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.310,- per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70.
2.6.10.
De man is sinds 12 januari 2015 in loondienst werkzaam bij [bedrijf] . Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de man moet worden uitgegaan van zijn jaaropgave 2024. Blijkens deze jaaropgave heeft de man in 2024 een bruto salaris ontvangen van € 68.077,-. Aan de hand van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.226,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 1.154,- per maand, oftewel € 577,- per kind per maand.
2.6.11.
De vrouw is sinds 1 maart 2025 in loondienst werkzaam bij [bedrijf]
2.6.12.
De man is van mening dat voor het inkomen van de vrouw moet worden uitgegaan van het gemiddelde brutoloon op haar beschikbare salarisspecificaties van maart, april, mei, juli, augustus en september 2025, te vermeerderen met de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering. De vrouw stelt daarentegen dat moet worden gerekend met de cumulatieve bedragen op haar salarisspecificatie van september 2025, omgerekend naar een jaar.
2.6.13.
De rechtbank constateert dat de salarisspecificatie van juni 2025 ontbreekt en dat uit de salarisspecificaties van maart, april en juli 2025 niet kan worden opgemaakt welke premies op het brutoloon zijn ingehouden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om voor het inkomen van de vrouw uit te gaan van de cumulatieve bedragen op haar salarisspecificatie van september 2025. Uit deze cumulatieven volgt dat de vrouw tot en met september 2025 een fiscaal loon heeft genoten van € 21.746,79. Dit cumulatieve bedrag omvat alle salariscomponenten, waaronder de in mei 2025 ontvangen vakantietoeslag van € 681,47. Omgerekend naar een jaarloon, rekening houden met de vakantietoeslag van 8,33% zoals dit uit de salarisspecificatie van mei 2025 blijkt en rekening houdend met de niet in geschil zijnde eindejaarsuitkering van de vrouw die de man in zijn berekening onweersproken heeft vastgesteld op € 2.800,- bruto, bedraagt het fiscaal jaarloon van de vrouw € 41.920,-. Uitgaande van dit jaarloon en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.834,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 962,- per maand, oftewel € 481,- per kind per maand.
2.6.14.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.058,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 427,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 356,- per kind per maand.
Zorgkorting
2.6.15.
Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en de minderjarigen.
2.6.16.
De man heeft geen omgang met [de minderjarige 1] zodat de rechtbank ten aanzien van [de minderjarige 1] geen zorgkorting in aanmerking zal nemen.
2.6.17.
Gelet op de hierboven vastgestelde zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 2] zal de rechtbank ten aanzien van [de minderjarige 2] rekening houden met een zorgkorting van 35% van zijn behoefte. De zorgkorting beloopt dan een bedrag van € 274,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige 2] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
2.6.18.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 2 december 2025 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 427,- per maand en voor [de minderjarige 2] van € 153,- per maand aan de vrouw dient te voldoen. Nu de vrouw voor [de minderjarige 1] heeft verzocht om een kinderbijdrage van € 426,- per maand zal de rechtbank de bijdrage voor [de minderjarige 1] tot dit bedrag beperken.
2.7.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
2.7.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.
2.7.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
- de man haar aandeel in de echtelijke woning overneemt, waarbij de rechtbank een onafhankelijke makelaar/taxateur aanwijst om de waarde van die woning bindend te taxeren;
- de overwaarde wordt bepaald op basis van de waarde van de woning, minus het saldo van de openstaande hypothecaire leningen(en) en minus de kosten van de taxatie, dat zij recht heeft op de helft van dat eindbedrag en dat de man dit aan haar dient te betalen;
- de man drie maanden de tijd krijgt, nadat de rechtbank de beschikking heeft genomen, om de vrouw haar aandeel in de woning over te nemen;
- indien de man daarin niet slaagt, de woning moet worden verkocht aan een derde, dat de man daaraan zijn onvoorwaardelijke medewerking moet verlenen en dat het kantoor van de makelaar/taxateur die de waarde heeft bepaald de verkoop ter hand neemt;
- partijen dan de overwaarde bij helfte moeten verdelen nadat de kosten van de verkoop vanuit de opbrengst c.q. overwaarde zijn betaald;
- partijen hun auto’s krijgen toebedeeld zoals opgenomen in randnummer 14 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw ingekomen op 3 januari 2025 en dat de waarde van de auto’s na onderlinge verrekening bij helfte wordt verdeeld;
- de auto waarin de vrouw rijdt aan haar wordt overgedragen zoals verzocht onder randnummer Ad X van het verweerschrift tegen aanvullend verzoek van de man, tevens aanvullend zelfstandige verzoek van de vrouw van 17 oktober 2025;
- de inboedel wordt verdeeld zoals verzocht onder randnummer Ad VIII van het verweerschrift tegen aanvullend verzoek van de man, tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw van 17 oktober 2025;
- de banksaldi op 21 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld en dat de bankrekeningen op naam van de vrouw of de man worden toebedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat;
- de gezamenlijke bankrekeningen door één van partijen wordt overgenomen waarbij de andere partij alsdan zijn of haar onvoorwaardelijke medewerking aan de tenaamstelling dient te verlenen en dat als geen van partijen de gezamenlijke bankrekeningen wil overnemen partijen hun onvoorwaardelijke medewerking dienen te verlenen aan het opzeggen van die rekeningen uiterlijk drie maanden nadat de rechtbank de beschikking heeft genomen;
- partijen beiden draagplichtig zijn voor wat betreft de lening bij de Interbank, voor zover die niet wordt afgelost op de wijze zoals omschreven in randnummer 17 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw ingekomen op 3 januari 2025;
- de man verplicht wordt tot het verstrekken van informatie over het inlossaldo van de lening bij de Interbank zoals omschreven onder randnummer Ad XII van het verweerschrift tegen aanvullend verzoek van de man, tevens aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw van 17 oktober 2025;
- de pensioenen verevend moeten worden tenzij partijen in gezamenlijk overleg besluiten tot verdeling van die rechten die zijn opgebouwd ten tijde van het huwelijk door middel van conversie.
2.7.3.
De man verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat:
- door de medeneming van de inboedelgoederen zoals genoemd in bijlage 16 de verdeling van de inboedel is gerealiseerd en dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben op dit punt;
- de [automerk] aan de man wordt toebedeeld tegen de waarde van € 11.600,- en de [automerk] aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde van € 2.350,-;
- de vrouw € 176,- (wegenbelasting), € 258,- (verkeersboetes) en € 150,30 (verzekering) aan de man dient te voldoen;
- de vrouw € 2.572,11 aan de man dient te voldoen in verband met de afkoop van de zonnepanelen;
- de vrouw € 18.734,81 aan de man dient te voldoen in verband met de overname dan wel aflossing van de lening bij Interbank door de man;
- de woning tegen de nog vast te stellen taxatiewaarde wordt toebedeeld aan de man, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de helft van de overwaarde (taxatiewaarde minus openstaande hypotheek minus taxatiekosten) van de man ontvangt;
- de bankrekening van de man zonder verdere verrekening van saldo aan de man wordt toebedeeld, de gemeenschappelijke bankrekening wordt opgeheven zodra de woning aan de man (dan wel een derde) wordt geleverd waarbij het aanwezige saldo bij helfte wordt gedeeld dan wel het tekort bij helfte wordt gedragen en de bankrekening van de vrouw aan de vrouw wordt toebedeeld waarbij het saldo per 21 november 2024 bij helfte wordt gedeeld en voor zover dit saldo lager is van € 8.637,- de vrouw nog een bedrag van € 5.318,50 aan de man dient te voldoen, dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie meent te bepalen.
2.7.4.
Partijen zijn in de op 15 oktober 2020 overeengekomen huwelijkse voorwaarden, voor zover thans van belang, het volgende overeengekomen:
“(…)
2. Algehele gemeenschap van goederen
Er bestaat tussen de echtgenoten een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen van artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek. Deze gemeenschap van goederen verruimen zij op zo’n manier dat die ook bestaat uit:
- alle voorhuwelijkse bezittingen en schulden; en
- alle erfrechtelijke verkrijgingen en giften, ongeacht of daar wel of geen insluitingsclausule zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 Burgerlijk Wetboek aan is verbonden.
3. Bij echtscheiding
3.1
verdelen van de gemeenschap van goederen
De gemeenschap van goederen eindigt door indiening van een echtscheidingsverzoek. Alle bezittingen en schulden waaruit de gemeenschap dan bestaat, worden fiftyfifty tussen de echtgenoten verdeeld.
3.2
pensioen
ouderdomspensioen
Bij echtscheiding wordt het ouderdomspensioen gedeeld dat door de echtgenoten tijdens hun huwelijk is opgebouwd. Het pensioen wordt gedeeld door ‘verevening’ zoals dat nu is geregeld in de Wet vervening pensioenrechten bij scheiding. Dit betekent dat een echtgenoot een afgeleid recht krijgt op het pensioen van de ander zodra die ander pensioen ontvangt.
(…)”
2.7.5.
De huwelijkse voorwaarden tussen partijen bepalen – kort gezegd – dat tussen partijen een huwelijksgemeenschap bestaat zoals deze bestond vóór 1 januari 2018, zijnde een algehele gemeenschap van goederen. Gelet hierop zal de rechtbank de huwelijkse voorwaarden afwikkelen als een verdeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap.
2.7.6.
Volgens artikel 3.1 van de huwelijkse voorwaarden is die gemeenschap door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 21 november 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding welk deel daarvan moet dragen.
2.7.7.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.7.8.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
a. echtelijke woning
b. hypothecaire geldlening
c. inboedel
d. auto’s
e. bankrekeningen
f. schuld Interbank
g. pensioenen
De man stelt verder dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met:
h. vergoedingsrechten
2.7.9.
Voor zover partijen het eens zijn over de verdeling van vermogensbestanddelen zal de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum. In dat geval is er immers op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen taak weggelegd voor de rechter.
Ad a en b) echtelijke woning en hypothecaire geldlening
2.7.10.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij NIBC Direct Hypotheken B.V. met de nummers [nummer] (annuïteitenhypotheek) en [nummer] (aflossingsvrij).
2.7.11.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.7.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van € 383.000,- (getaxeerde waarde op 15 oktober 2025) en dat voor de op deze waarde in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op de datum van levering van de woning aan de man.
2.7.13.
Partijen zijn het niet eens over de termijn waar binnen de man de echtelijke woning moet hebben overgenomen. De man verzoekt om een periode van zes maanden na de beschikkingsdatum. De man is voornemens om de overname zo spoedig mogelijk te regelen, maar er bestaat volgens hem een risico op vertraging als het erg druk is bij de notaris. De vrouw acht een termijn van drie maanden na de beschikkingsdatum redelijk. De rechtbank ziet aanleiding om de vrouw te volgen in haar standpunt en de man een termijn te geven van drie maanden na de beschikkingsdatum. Dit is een gebruikelijke termijn en de rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er geen notaris is te vinden die tijd heeft voor een afspraak met partijen voor overdracht van de woning binnen deze termijn.
2.7.14.
Als de woning aan de man wordt toebedeeld, dient hij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.7.15.
Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen binnen voormelde termijn dan moet de woning te koop worden gezet. Als het partijen niet lukt om gezamenlijk een makelaar aan te wijzen dan dient de vrouw drie makelaars aan de man voor te stellen waaruit de man binnen één week een makelaar dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen deze makelaar een opdracht tot verkoop van de woning te verstrekken. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.7.16.
Aangezien nog niet duidelijk is of de man de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
Ad c) inboedel
2.7.17.
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de playstation5, de televisie in de slaapkamer van [de minderjarige 2] , de schilderstrap, vijf hue lampen, de kerstboom met toebehoren en de televisie in de woonkamer aan de vrouw worden toebedeeld en dat de Apple televisie aan de man wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening over en weer.
2.7.18.
Wel verschillen partijen nog van mening over de Kamado barbecue die zij beiden toebedeeld willen krijgen. De rechtbank zal deze barbecue aan de vrouw toedelen, zonder nadere verrekening van de waarde met de man. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vrouw tijdens de zitting onweersproken heeft gesteld dat de man het grootste gedeelte van de inrichting van de echtelijke woning heeft behouden. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw de barbecue toebedeeld krijgt.
Ad d) auto’s
2.7.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk [automerk] aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 2.350,- en dat de auto van het merk [automerk] aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 11.600,-, waarbij de man een bedrag van € 4.625,- aan de vrouw zal vergoeden wegens overbedeling.
Ad e) bankrekeningen
2.7.20.
Partijen hebben hun gezamenlijke bankrekeningen reeds opgeheven. De man stelt dat hij de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de ING Bank met nummer [nummer] heeft opgeheven na betaling van de roodstand van € 2.000,- en dat de vrouw hem in dit verband nog een bedrag van € 1.000,- dient te vergoeden. De vrouw stelt dat deze bankrekening reeds voor de peildatum 21 november 2024 is opgezegd en dat de schuld op deze rekening met gemeenschapsgeld is afgelost. Gelet hierop is van een vergoedingsrecht volgens de vrouw geen sprake.
2.7.21.
De rechtbank heeft de man na de zitting in de gelegenheid gesteld om stukken te overleggen waaruit blijkt wanneer de gezamenlijke bankrekening is opgeheven en op welke datum de roodstand op deze rekening is voldaan. De man heeft in dit verband bij bericht van 5 november 2025 een e-mail van de ING Bank van 22 november 2024 overgelegd waarin staat vermeld dat de ING Betaalrekening die eindigt op [nummer] is beëindigd. Vanwege de opheffing van deze bankrekening is het voor de man niet mogelijk gebleken om een afschrift van deze rekening te krijgen waaruit de datum van aflossing van de roodstand blijkt. Wel heeft de man een afschrift van zijn privé bankrekening bij de ASN Bank met nummer [nummer] overgelegd waaruit volgt dat op 22 november 2024 een bedrag van € 1.998,32 is overgeschreven naar de gezamenlijke bankrekening van partijen met nummer [nummer] . Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de man na de peildatum 21 november 2024 heeft afgelost op de roodstand op de gezamenlijke bankrekening van partijen waarna deze rekening op opgeheven. Omdat dit een gemeenschapsschuld betrof is ieder van partijen voor de helft draagplichtig, dus voor een ieder voor bedrag van € 999,16.
2.7.22.
Partijen zijn tijdens de zitting echter ook overeengekomen dat de man de op zijn naam gestelde bankrekening met nummer [nummer] voortzet en dat het saldo op deze rekening op de peildatum 21 november 2024 bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De man zal de vrouw hiertoe inzage verschaffen in het saldo op zijn bankrekening op 21 november 2024. De rechtbank gaat er, gelet op het onder 2.7.21 overwogene, vanuit dat het saldo op de rekening op 21 november in ieder geval € 1.998,32 was. Dit dienen partijen bij helfte te delen. Nu de man met dit bedrag een gemeenschapsschuld heeft voldaan, kunnen deze bedragen tegen elkaar worden weggestreept. De conclusie is dat partijen slechts het saldo op de rekening van de man voor het gedeelte dat meer bedraagt dat € 1.998,32 bij helfte moeten delen en dat de man geen vordering heeft op de vrouw terzake de roodstand op de gezamenlijke bankrekening.
2.7.23.
Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw de op haar naam gestelde bankrekeningen met de nummers [nummer] en [nummer] voorzet. De saldi op deze bankrekeningen op de peildatum 21 november 2024 bedroegen respectievelijk € 1.638,23 en € 0,-. De vrouw stelt dat deze saldi bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld. De man is van mening dat nu het totale saldo lager is dan € 8.637,- de vrouw hem in het kader van de verdeling van de saldi op haar bankrekeningen een bedrag van € 4.318,50 dient te vergoeden. In dit verband licht de man toe dat de vrouw vlak na het uiteengaan grote bedragen van de gezamenlijke bankrekening heeft overgeboekt naar de bankrekening van haar ouders en naar haar privé-bankrekening. Op 22 mei 2024 heeft de vrouw bedragen van € 2.000,- en € 3.000,- naar haar ouders overgeboekt, op 3 juni 2024 heeft de vrouw bedragen van € 2.000,- en € 1.137,- naar haar privé-bankrekening overgeboekt en op 30 september 2024 heeft de vrouw een bedrag van € 500,- naar haar privé-bankrekening overgeboekt (in totaal € 8.637,-). De man is van mening dat sprake is van benadeling in de zin van artikel 1:164 BW doordat de vrouw deze bedragen heeft verspild dan wel deze bedragen buiten het zicht van de te verdelen gemeenschap heeft willen houden. Volgens de man dient de vrouw daarom de helft van deze bedragen aan hem te vergoeden.
2.7.24.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw op 22 mei 2024 bedragen van € 2.000,- en € 3.000,- aan haar ouders heeft overgemaakt en dat de vrouw op 3 juni 2024 bedragen van € 2.000,- en € 1.137,- en op 30 september 2024 een bedrag van € 500,- naar haar privé-bankrekening heeft overgeboekt. Het enkele feit dat de vrouw binnen zes maanden voor de ontbinding van de gemeenschap tot die gemeenschap behorende gelden heeft uitgegeven, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat sprake is van benadeling van de gemeenschap. Beoordeeld dient te worden of de uitgaven die de vrouw heeft gedaan, moeten worden gekwalificeerd als verspilling in de zin van artikel 1:164 BW.
2.7.25.
De rechtbank constateert dat de vrouw bij de op 22 mei 2024 naar haar ouders overgeboekte bedragen als omschrijving ‘zomervakantie’ heeft vermeld. Tijdens de zitting heeft de vrouw in dit verband toegelicht dat zij deze bedragen naar haar ouders heeft overgemaakt, om de vakantie van haar ouders met de minderjarigen te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee de gemeenschap heeft benadeeld. De vrouw heeft de man geen toestemming gevraagd voor het bekostigen van de vakantie van haar ouders en een bedrag van € 5.000,- voor een vakantie is erg hoog, gelet op de onbetwiste verklaring van de man dat partijen nooit zoveel geld uitgaven voor een vakantie. Voor de overschrijving op 3 juni 2024 en 30 september 2024 heeft de vrouw geen verklaring gegeven. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw om een toelichting te geven op de besteding van deze bedragen en te betwisten dat sprake is van benadeling van de gemeenschap. Nu de vrouw dit heeft verzuimd, gaat de rechtbank er gelet op de hoogte van de overgeschreven bedragen vanuit dat de gemeenschap hiermee is benadeeld. Het voorgaande betekent dat de vrouw de aangerichte schade aan de gemeenschap dient te vergoeden en uit dien hoofde de helft van dit bedrag, te weten € 4.318,50 aan de man dient te vergoeden. Gelet op de stelling van de man is naast deze vergoeding een verdeling van de resterende saldi op de bankrekeningen van de vrouw niet aan de orde.
Ad f) schuld Interbank
2.7.26.
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij de Interbank.
2.7.27.
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de man deze schuld bij overname van de echtelijke woning zal aflossen en dat het aandeel van de vrouw in deze schuld dan in mindering zal worden gebracht op haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning. Als er een boetebedrag in rekening wordt gebracht in verband met de vervroegde aflossing van de schuld dan zal de man dit bedrag voor zijn rekening nemen.
Ad g) pensioenen
2.7.28.
Partijen zijn het er over eens dat zij over en weer overgaan tot verevening van de pensioenen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Ad h) vergoedingsrechten
2.7.29.
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 176,-
aan wegenbelasting, een bedrag van € 258,- aan verkeersboetes en een bedrag van € 150,30 aan autoverzekering aan de man zal vergoeden.
2.7.30.
Voorts geeft de man aan dat partijen een overeenkomst van huurkoop hebben gesloten voor de zonnepanelen op de echtelijke woning. Deze overeenkomst moet volgens de man worden afgekocht, omdat er bij het aangaan van een nieuwe hypotheek voor de woning geen leningen mogen openstaan. De man heeft de afkoopsom opgevraagd en deze bedraagt € 5.144,22. De man stelt voor dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem voldoet. De vrouw is van mening dat de zonnepanelen door natrekking onderdeel zijn geworden van de woning en dat het rendement aan de man toekomt. De vrouw ziet niet in
waarom de overeenkomst afgekocht zou moeten worden en waarom zij daaraan zou moeten bijdragen.
2.7.31.
De rechtbank stelt vast dat de verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst voor zonnepanelen in feite een huwelijkse schuld betreffen waarvoor beide partijen voor de helft draagplichtig zijn. Bij overname van de echtelijke woning door de man zou hij eigenaar worden van de zonnepanelen. De man heeft echter onbetwist gestelde dat in de getaxeerde waarde van de woning van € 383.000,- de zonnepanelen zijn betrokken zodat hij bij overname van de woning voor de zonnepanelen betaalt en de vrouw van een hogere overwaarde profiteert. In de overname van de woning door de man ziet de rechtbank dan ook geen reden om te bepalen dat de man alleen draagplichtig is voor de afkoopsom. Het feit dat de man het rendement heeft van de zonnepanelen doet in het verlengde hiervan naar het oordeel van de rechtbank niet terzake. Bovendien zullen partijen bij verkoop van de woning aan een derde de huurkoopovereenkomst voor de zonnepanelen ook moeten afkopen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de afkoopsom van de huurkoopovereenkomst van de zonnepanelen.
Betaling
2.7.32.
De rechtbank zal bepalen dat partijen de over en weer te betalen bedragen dienen af te rekenen bij de levering van de echtelijke woning aan de man of een derde.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , bij de vrouw zal zijn;
3.3.
stelt een reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 2] vast waarbij hij drieënhalve dag per week aaneengesloten bij de vrouw en drieënhalve dag per week aaneengesloten bij de man verblijft;
3.4.
stelt de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen ten aanzien van [de minderjarige 2] vast:
- gedurende de vakanties van één week loopt de reguliere zorgregeling door;
- meivakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de even jaren is dit omgekeerd;
- zomervakantie: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man en in de even jaren is dit omgekeerd;
- kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man, met uitzondering van de kerstdagen, en in de even jaren is dit omgekeerd;
- Pasen: de reguliere zorgregeling loopt door;
- Koningsdag: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- Hemelvaart: de reguliere zorgregeling loopt door;
- Moederdag: bij de vrouw;
- Vaderdag: bij de man;
- Pinksteren: de reguliere zorgregeling loopt door;
- Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;
- kerstavond: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man:
- Kerstmis: in de oneven jaren eerste kerstdag bij de vrouw en tweede kerstdag bij de man en in de even jaren is dit omgekeerd;
- oud en nieuw: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
3.5.
bepaalt dat de man met ingang van 2 december 2025 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] van € 426,- per maand en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] van € 153,- per maand aan de vrouw dient te voldoen;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres] zoals vermeld onder 2.7.11 tot en met 2.7.15;
3.7.
deelt de Kamado barbecue aan de vrouw toe, zonder nadere verrekening van de waarde met de man;
3.8.
bepaalt dat de man slechts het saldo op zijn bankrekening met nummer [nummer] voor het gedeelte dat meer bedraagt dat € 1.998,32 bij helfte met de vrouw moet delen en dat de man geen vordering heeft op de vrouw terzake de roodstand op de gezamenlijke bankrekening met nummer [nummer] ;
3.9.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 4.318,50 aan de man dient te vergoeden in verband met benadeling van de gemeenschap en dat een verdeling van de resterende saldi op de bankrekeningen van de vrouw met de nummers [nummer] en [nummer] in verband hiermee niet aan de orde is;
3.10.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 176,- aan wegenbelasting, een bedrag van € 258,- aan verkeersboetes en een bedrag van € 150,30 aan autoverzekering aan de man zal vergoeden;
3.11.
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de afkoopsom van de huurkoopovereenkomst van de zonnepanelen op de voormalige echtelijke woning;
3.12.
bepaalt dat partijen de over en weer te betalen bedragen dienen af te rekenen bij de levering van de voormalige echtelijke woning aan de man of een derde;
3.13.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.14.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 2 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.