3.2pensioen
ouderdomspensioen
Bij echtscheiding wordt het ouderdomspensioen gedeeld dat door de echtgenoten tijdens hun huwelijk is opgebouwd. Het pensioen wordt gedeeld door ‘verevening’ zoals dat nu is geregeld in de Wet vervening pensioenrechten bij scheiding. Dit betekent dat een echtgenoot een afgeleid recht krijgt op het pensioen van de ander zodra die ander pensioen ontvangt.
(…)”
2.7.5.De huwelijkse voorwaarden tussen partijen bepalen – kort gezegd – dat tussen partijen een huwelijksgemeenschap bestaat zoals deze bestond vóór 1 januari 2018, zijnde een algehele gemeenschap van goederen. Gelet hierop zal de rechtbank de huwelijkse voorwaarden afwikkelen als een verdeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgemeenschap.
2.7.6.Volgens artikel 3.1 van de huwelijkse voorwaarden is die gemeenschap door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 21 november 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding welk deel daarvan moet dragen.
2.7.7.De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.7.8.Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
a. echtelijke woning
b. hypothecaire geldlening
c. inboedel
d. auto’s
e. bankrekeningen
f. schuld Interbank
g. pensioenen
De man stelt verder dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met:
h. vergoedingsrechten
2.7.9.Voor zover partijen het eens zijn over de verdeling van vermogensbestanddelen zal de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum. In dat geval is er immers op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen taak weggelegd voor de rechter.
Ad a en b) echtelijke woning en hypothecaire geldlening
2.7.10.Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij NIBC Direct Hypotheken B.V. met de nummers [nummer] (annuïteitenhypotheek) en [nummer] (aflossingsvrij).
2.7.11.Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.7.12.Tussen partijen is niet in geschil dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van € 383.000,- (getaxeerde waarde op 15 oktober 2025) en dat voor de op deze waarde in mindering te brengen hypotheekschuld dient te worden uitgegaan van de stand van de hypotheek op de datum van levering van de woning aan de man.
2.7.13.Partijen zijn het niet eens over de termijn waar binnen de man de echtelijke woning moet hebben overgenomen. De man verzoekt om een periode van zes maanden na de beschikkingsdatum. De man is voornemens om de overname zo spoedig mogelijk te regelen, maar er bestaat volgens hem een risico op vertraging als het erg druk is bij de notaris. De vrouw acht een termijn van drie maanden na de beschikkingsdatum redelijk. De rechtbank ziet aanleiding om de vrouw te volgen in haar standpunt en de man een termijn te geven van drie maanden na de beschikkingsdatum. Dit is een gebruikelijke termijn en de rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er geen notaris is te vinden die tijd heeft voor een afspraak met partijen voor overdracht van de woning binnen deze termijn.
2.7.14.Als de woning aan de man wordt toebedeeld, dient hij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.7.15.Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen binnen voormelde termijn dan moet de woning te koop worden gezet. Als het partijen niet lukt om gezamenlijk een makelaar aan te wijzen dan dient de vrouw drie makelaars aan de man voor te stellen waaruit de man binnen één week een makelaar dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen deze makelaar een opdracht tot verkoop van de woning te verstrekken. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.7.16.Aangezien nog niet duidelijk is of de man de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
2.7.17.Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de playstation5, de televisie in de slaapkamer van [de minderjarige 2] , de schilderstrap, vijf hue lampen, de kerstboom met toebehoren en de televisie in de woonkamer aan de vrouw worden toebedeeld en dat de Apple televisie aan de man wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening over en weer.
2.7.18.Wel verschillen partijen nog van mening over de Kamado barbecue die zij beiden toebedeeld willen krijgen. De rechtbank zal deze barbecue aan de vrouw toedelen, zonder nadere verrekening van de waarde met de man. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vrouw tijdens de zitting onweersproken heeft gesteld dat de man het grootste gedeelte van de inrichting van de echtelijke woning heeft behouden. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw de barbecue toebedeeld krijgt.
2.7.19.Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk [automerk] aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 2.350,- en dat de auto van het merk [automerk] aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 11.600,-, waarbij de man een bedrag van € 4.625,- aan de vrouw zal vergoeden wegens overbedeling.
2.7.20.Partijen hebben hun gezamenlijke bankrekeningen reeds opgeheven. De man stelt dat hij de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de ING Bank met nummer [nummer] heeft opgeheven na betaling van de roodstand van € 2.000,- en dat de vrouw hem in dit verband nog een bedrag van € 1.000,- dient te vergoeden. De vrouw stelt dat deze bankrekening reeds voor de peildatum 21 november 2024 is opgezegd en dat de schuld op deze rekening met gemeenschapsgeld is afgelost. Gelet hierop is van een vergoedingsrecht volgens de vrouw geen sprake.
2.7.21.De rechtbank heeft de man na de zitting in de gelegenheid gesteld om stukken te overleggen waaruit blijkt wanneer de gezamenlijke bankrekening is opgeheven en op welke datum de roodstand op deze rekening is voldaan. De man heeft in dit verband bij bericht van 5 november 2025 een e-mail van de ING Bank van 22 november 2024 overgelegd waarin staat vermeld dat de ING Betaalrekening die eindigt op [nummer] is beëindigd. Vanwege de opheffing van deze bankrekening is het voor de man niet mogelijk gebleken om een afschrift van deze rekening te krijgen waaruit de datum van aflossing van de roodstand blijkt. Wel heeft de man een afschrift van zijn privé bankrekening bij de ASN Bank met nummer [nummer] overgelegd waaruit volgt dat op 22 november 2024 een bedrag van € 1.998,32 is overgeschreven naar de gezamenlijke bankrekening van partijen met nummer [nummer] . Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de man na de peildatum 21 november 2024 heeft afgelost op de roodstand op de gezamenlijke bankrekening van partijen waarna deze rekening op opgeheven. Omdat dit een gemeenschapsschuld betrof is ieder van partijen voor de helft draagplichtig, dus voor een ieder voor bedrag van € 999,16.
2.7.22.Partijen zijn tijdens de zitting echter ook overeengekomen dat de man de op zijn naam gestelde bankrekening met nummer [nummer] voortzet en dat het saldo op deze rekening op de peildatum 21 november 2024 bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. De man zal de vrouw hiertoe inzage verschaffen in het saldo op zijn bankrekening op 21 november 2024. De rechtbank gaat er, gelet op het onder 2.7.21 overwogene, vanuit dat het saldo op de rekening op 21 november in ieder geval € 1.998,32 was. Dit dienen partijen bij helfte te delen. Nu de man met dit bedrag een gemeenschapsschuld heeft voldaan, kunnen deze bedragen tegen elkaar worden weggestreept. De conclusie is dat partijen slechts het saldo op de rekening van de man voor het gedeelte dat meer bedraagt dat € 1.998,32 bij helfte moeten delen en dat de man geen vordering heeft op de vrouw terzake de roodstand op de gezamenlijke bankrekening.
2.7.23.Ook zijn partijen het erover eens dat de vrouw de op haar naam gestelde bankrekeningen met de nummers [nummer] en [nummer] voorzet. De saldi op deze bankrekeningen op de peildatum 21 november 2024 bedroegen respectievelijk € 1.638,23 en € 0,-. De vrouw stelt dat deze saldi bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld. De man is van mening dat nu het totale saldo lager is dan € 8.637,- de vrouw hem in het kader van de verdeling van de saldi op haar bankrekeningen een bedrag van € 4.318,50 dient te vergoeden. In dit verband licht de man toe dat de vrouw vlak na het uiteengaan grote bedragen van de gezamenlijke bankrekening heeft overgeboekt naar de bankrekening van haar ouders en naar haar privé-bankrekening. Op 22 mei 2024 heeft de vrouw bedragen van € 2.000,- en € 3.000,- naar haar ouders overgeboekt, op 3 juni 2024 heeft de vrouw bedragen van € 2.000,- en € 1.137,- naar haar privé-bankrekening overgeboekt en op 30 september 2024 heeft de vrouw een bedrag van € 500,- naar haar privé-bankrekening overgeboekt (in totaal € 8.637,-). De man is van mening dat sprake is van benadeling in de zin van artikel 1:164 BW doordat de vrouw deze bedragen heeft verspild dan wel deze bedragen buiten het zicht van de te verdelen gemeenschap heeft willen houden. Volgens de man dient de vrouw daarom de helft van deze bedragen aan hem te vergoeden.
2.7.24.De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw op 22 mei 2024 bedragen van € 2.000,- en € 3.000,- aan haar ouders heeft overgemaakt en dat de vrouw op 3 juni 2024 bedragen van € 2.000,- en € 1.137,- en op 30 september 2024 een bedrag van € 500,- naar haar privé-bankrekening heeft overgeboekt. Het enkele feit dat de vrouw binnen zes maanden voor de ontbinding van de gemeenschap tot die gemeenschap behorende gelden heeft uitgegeven, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat sprake is van benadeling van de gemeenschap. Beoordeeld dient te worden of de uitgaven die de vrouw heeft gedaan, moeten worden gekwalificeerd als verspilling in de zin van artikel 1:164 BW.
2.7.25.De rechtbank constateert dat de vrouw bij de op 22 mei 2024 naar haar ouders overgeboekte bedragen als omschrijving ‘zomervakantie’ heeft vermeld. Tijdens de zitting heeft de vrouw in dit verband toegelicht dat zij deze bedragen naar haar ouders heeft overgemaakt, om de vakantie van haar ouders met de minderjarigen te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee de gemeenschap heeft benadeeld. De vrouw heeft de man geen toestemming gevraagd voor het bekostigen van de vakantie van haar ouders en een bedrag van € 5.000,- voor een vakantie is erg hoog, gelet op de onbetwiste verklaring van de man dat partijen nooit zoveel geld uitgaven voor een vakantie. Voor de overschrijving op 3 juni 2024 en 30 september 2024 heeft de vrouw geen verklaring gegeven. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw om een toelichting te geven op de besteding van deze bedragen en te betwisten dat sprake is van benadeling van de gemeenschap. Nu de vrouw dit heeft verzuimd, gaat de rechtbank er gelet op de hoogte van de overgeschreven bedragen vanuit dat de gemeenschap hiermee is benadeeld. Het voorgaande betekent dat de vrouw de aangerichte schade aan de gemeenschap dient te vergoeden en uit dien hoofde de helft van dit bedrag, te weten € 4.318,50 aan de man dient te vergoeden. Gelet op de stelling van de man is naast deze vergoeding een verdeling van de resterende saldi op de bankrekeningen van de vrouw niet aan de orde.
2.7.26.Partijen zijn het erover eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij de Interbank.
2.7.27.Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de man deze schuld bij overname van de echtelijke woning zal aflossen en dat het aandeel van de vrouw in deze schuld dan in mindering zal worden gebracht op haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning. Als er een boetebedrag in rekening wordt gebracht in verband met de vervroegde aflossing van de schuld dan zal de man dit bedrag voor zijn rekening nemen.
2.7.28.Partijen zijn het er over eens dat zij over en weer overgaan tot verevening van de pensioenen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
2.7.29.Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 176,-
aan wegenbelasting, een bedrag van € 258,- aan verkeersboetes en een bedrag van € 150,30 aan autoverzekering aan de man zal vergoeden.
2.7.30.Voorts geeft de man aan dat partijen een overeenkomst van huurkoop hebben gesloten voor de zonnepanelen op de echtelijke woning. Deze overeenkomst moet volgens de man worden afgekocht, omdat er bij het aangaan van een nieuwe hypotheek voor de woning geen leningen mogen openstaan. De man heeft de afkoopsom opgevraagd en deze bedraagt € 5.144,22. De man stelt voor dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem voldoet. De vrouw is van mening dat de zonnepanelen door natrekking onderdeel zijn geworden van de woning en dat het rendement aan de man toekomt. De vrouw ziet niet in
waarom de overeenkomst afgekocht zou moeten worden en waarom zij daaraan zou moeten bijdragen.
2.7.31.De rechtbank stelt vast dat de verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst voor zonnepanelen in feite een huwelijkse schuld betreffen waarvoor beide partijen voor de helft draagplichtig zijn. Bij overname van de echtelijke woning door de man zou hij eigenaar worden van de zonnepanelen. De man heeft echter onbetwist gestelde dat in de getaxeerde waarde van de woning van € 383.000,- de zonnepanelen zijn betrokken zodat hij bij overname van de woning voor de zonnepanelen betaalt en de vrouw van een hogere overwaarde profiteert. In de overname van de woning door de man ziet de rechtbank dan ook geen reden om te bepalen dat de man alleen draagplichtig is voor de afkoopsom. Het feit dat de man het rendement heeft van de zonnepanelen doet in het verlengde hiervan naar het oordeel van de rechtbank niet terzake. Bovendien zullen partijen bij verkoop van de woning aan een derde de huurkoopovereenkomst voor de zonnepanelen ook moeten afkopen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de afkoopsom van de huurkoopovereenkomst van de zonnepanelen.
2.7.32.De rechtbank zal bepalen dat partijen de over en weer te betalen bedragen dienen af te rekenen bij de levering van de echtelijke woning aan de man of een derde.
3. De beslissing