ECLI:NL:RBNHO:2025:14903

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11699343 \ AO VERZ 25-26 en 11706554 \ AO VERZ 25-28
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en verzoek om billijke vergoeding in arbeidsrechtelijke geschil

In deze zaak verzoekt de werknemer, [verzoeker], om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door haar werkgever, [verweerder]. De kantonrechter heeft op 20 november 2025 uitspraak gedaan in de Rechtbank Noord-Holland, waarbij het verzoek van [verzoeker] werd afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, omdat de handelwijze van [verzoeker] ernstige verwijtbaarheid met zich meebracht. De werknemer had zonder toestemming van de werkgever aanzienlijke bedragen overgemaakt aan haar levenspartner, die ook vennoot was in de VOF van de werkgever. Dit gedrag werd gekwalificeerd als een dringende reden voor ontslag. De kantonrechter oordeelde verder dat de werkgever recht had op een gefixeerde schadevergoeding van € 5.312,86, en dat de werknemer aansprakelijk was voor de door de werkgever geleden schade. De kantonrechter concludeerde dat het ontslag onverwijld was gegeven en dat de werknemer geen recht had op een transitievergoeding, omdat haar handelen als ernstig verwijtbaar werd aangemerkt. De proceskosten werden toegewezen aan de werknemer, die overwegend ongelijk kreeg in haar verzoek.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknrs / rekestnrs: 11699343 \ AO VERZ 25-26 en 11706554 \ AO VERZ 25-28 (SJ)
Beschikking van 20 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
verwerende partij in het verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. F.R. Duijn,
tegen
[verweerder],
te [plaats 2] ,
verwerende partij in de hoofdzaak,
verzoekende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
verzoekende partij in het verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.C. Verlinden.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet. Ook wordt verzocht om de werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat is komen vast te staan dat de handelwijze van de werknemer ten aanzien van het bestellen van onderdelen voor en het overmaken van gelden aan haar levenspartner een dringende reden opleveren en dat deze handelwijze een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dit gedrag is ook ernstig verwijtbaar, waardoor de werknemer het recht op een transitievergoeding verliest. Verder oordeelt de kantonrechter dat de werkgever recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer, zodat de werknemer aansprakelijk is voor de door de werkgever geleden schade en deze moet vergoeden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 september 2025
- het verweerschrift van [verzoeker] ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek om schadevergoeding en de reactie hierop van [verweerder] ;
- de akte uitlating producties van [verweerder] , ontvangen op 7 oktober 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren 17 februari 1963, was vóór 2021 in dienst bij de eenmanszaak ‘ [naam 1] ’, de rechtsvoorganger van de VOF ‘ [naam 2] ’. De functie van [verzoeker] is administratief medewerker met een loon van laatstelijk € 3.719,00 bruto per maand. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is de levenspartner van [verzoeker] .
2.2.
[naam 3] heeft zijn bedrijf verkocht aan [verweerder] en daartoe is dat bedrijf per 1 juli 2021 gefuseerd met ‘ [naam 4] ’, de eenmanszaak van [verweerder] , door oprichting van de VOF ‘ [naam 2] ’, met [verweerder] en [naam 3] als vennoten. De vennootschapsovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar, waarbij het bedrijf van [naam 3] over deze periode maandelijks steeds voor 1/36e deel is overgedragen aan [verweerder] en [verweerder] verantwoordelijk is voor de dagelijkse bedrijfsvoering. [verzoeker] was in haar functie (als enige) verantwoordelijk voor de financiële administratie van het bedrijf.
2.3.
In het uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) staat dat de VOF is beëindigd op 1 juli 2024 en op 1 januari 2025 is ontbonden. De VOF is voortgezet als de eenmanszaak van [verweerder] .
2.4.
Op 13 januari 2025 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.
2.5.
Op 7 februari 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de beperkingen van [verzoeker] werk gerelateerd zijn en dermate van ernst dat er sprake is van een ziektecomponent. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd om in gesprek te gaan en is van oordeel dat er geen medische reden is waarom een dergelijk gesprek niet kan plaatsvinden.
2.6.
Op 11 maart 2025 heeft de bedrijfsarts partijen geadviseerd om, gezien de verstreken duur en het feit dat er tot op heden geen oplossing is gekomen, een gesprek te houden in bijzijn van een als onafhankelijk ervaren derde. Volgens de bedrijfsarts is een start van re-integratie niet aan de orde omdat dit pas een kans van slagen heeft als het onderliggende probleem voldoende is opgelost.
2.7.
In een e-mail van 12 maart 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] opgeroepen voor een gesprek de volgende dag, omdat hij een aantal bevindingen over ongebruikelijke betalingen met haar wil bespreken.
2.8.
In een e-mail van 12 maart 2025 heeft [verzoeker] aan [verweerder] geschreven dat zij nog in de Ziektewet zit en niet op het gesprek komt.
2.9.
In een e-mail van 12 maart 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] geschreven dat hij op grond van een aantal bevindingen overweegt om [verzoeker] op staande voet te ontslaan, dat hij eerst haar kant van het verhaal wil horen en haar uitnodigt voor een gesprek op de volgende dag en dat er volgens de bedrijfsarts geen medische reden is waarom [verzoeker] niet met [verweerder] in gesprek zou kunnen.
2.10.
In een e-mail van 12 maart 2025 heeft [verzoeker] aan [verweerder] geschreven dat uit de bevindingen van de bedrijfsarts blijkt dat een gesprek tussen partijen zou moeten plaats vinden met een bedrijfsmaatschappelijk werker of mediator, dat zij open staat om onder die voorwaarde een gesprek aan te gaan maar dat het niet mogelijk is om dat op korte termijn te regelen.
2.11.
In een brief van 14 maart 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan [verweerder] geschreven dat [verzoeker] bereid is tot een gesprek conform het advies van de Arbo-arts onder begeleiding van een onafhankelijk persoon en/of mediator. Verder is [verweerder] verzocht om aan te geven om welke bevindingen het gaat.
2.12.
In een brief van 15 maart 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] de bevindingen toegelicht.
2.13.
In een e-mail van 17 maart 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] op de bevindingen gereageerd.
2.14.
In een brief van 18 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen per 18 maart 2025.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt – samengevat – de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat hiervoor geen dringende reden is en het niet onverwijld is gegeven. [verzoeker] berust echter in het einde van de arbeidsovereen-komst.
3.2.
[verweerder] voert verweer en is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de handelwijze van [verzoeker] een dringende reden in de zin van de wet oplevert.
3.3.
[verweerder] verzoekt dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.312,86 aan [verweerder] is verschuldigd en dat [verweerder] een rechtsgeldig beroep op verrekening heeft gedaan. Daarnaast verzoekt [verweerder] dat de kantonrechter [verzoeker] veroordeelt tot betaling aan [verweerder] van een gefixeerde schadevergoeding van € 5.312,86 en de proceskosten.
3.4.
Verder verzoekt [verweerder] als zelfstandig tegenverzoek dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [verzoeker] met haar handelswijze richting [verweerder] een toerekenbare tekortkoming heeft gepleegd in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de arbeidsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en dat [verzoeker] gehouden is alle als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. [verweerder] vordert een veroordeling van [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 53.000,00 en, voor zover een transitievergoeding aan [verzoeker] wordt toegekend, te bepalen dat de te betalen schadevergoeding daarop in mindering strekt en, voor zover nodig, de schade te bepalen op een bedrag nader op te maken bij staat en de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen.
3.5.
[verzoeker] voert verweer tegen het verzoek van [verweerder] en het zelfstandig tegenverzoek en is van mening dat deze verzoeken moeten worden afgewezen.
3.6.
Op de standpunten van partijen wordt – voor zover dat nodig is voor de beoordeling – hierna verder ingegaan.

4.De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Daarvoor is van belang of het ontslag op staande voet geldig is.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, hoewel een aantal van de ontslaggronden niet kunnen worden gehandhaafd. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
de ontslaggronden
4.4.
In de ontslagbrief van 18 maart 2025 schrijft [verweerder] dat [verzoeker] op staande voet is ontslagen – kort weergegeven – in verband met de gang van zaken bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst (VSO), het frauderen met facturen, het wegnemen van € 1.000,00 contant, het bestellen van onderdelen bestemd voor [naam 3] op naam en kosten van [verweerder] /de VOF, het overmaken van onjuiste en te hoge bedragen aan [naam 3] voor verrichte werkzaamheden als zzp-er en het overboeken van gelden ter hoogte van circa € 53.000,00 naar [naam 3] . In deze brief schrijft [verweerder] verder dat deze gronden, ieder voor zich, alle gezamenlijk en/of in welke combinatie dan ook een dringende reden opleveren.
4.5.
De kantonrechter zal deze ontslaggronden hierna achtereenvolgens bespreken.
opdracht geven tot opstellen van een VSO
4.6.
[verweerder] verwijt [verzoeker] dat zij zonder toestemming van [verweerder] de toenmalige accountant, [naam 5] (hierna: [naam 5] ), opdracht heeft gegeven om een VSO op te stellen en [verweerder] daarvan de kosten te laten dragen. Dit alles heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist. Zij voert onder meer aan dat de concept-VSO op verzoek van [verweerder] is opgesteld nadat [naam 5] dit met [verweerder] heeft besproken.
4.7.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] en de verklaring van [verweerder] op de zitting, is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat [verzoeker] de toenmalige accountant de opdracht heeft gegeven om een VSO op te stellen. Weliswaar is het [verzoeker] geweest die, met het oog op de inmiddels gespannen verhouding tussen partijen en vanwege haar verhuizing van [plaats 2] naar [plaats 1] , de mogelijkheid van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst door middel van een VSO ter sprake heeft gebracht. Maar op de zitting is gebleken dat [verweerder] – zo heeft hij verklaard – hierop informatie heeft ingewonnen bij de toenmalige accountant, heeft geïnformeerd naar de kosten, die een dergelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich meebrengen en dat hij tegen de toenmalige accountant heeft gezegd ‘wel eens te willen zien hoe zo’n VSO eruit ziet’. Vervolgens is de toenmalige accountant met een concept-VSO naar het kantoor van [verweerder] gekomen. Deze verklaring komt ook overeen met de schriftelijke verklaring van de toenmalige accountant op dit punt [1] . Gelet hierop is niet gebleken dat het [verzoeker] is geweest die de toenmalige accountant opdracht heeft gegeven om een VSO op te stellen. Dit verwijt is dan ook niet komen vast te staan en kan daarom niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd.
onregelmatigheden in facturen
4.8.
Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] gefraudeerd met facturen, waarmee [verzoeker] de indruk wekt dat zij geld van [verweerder] heeft toegeëigend. [verweerder] onderbouwt dit verwijt met twee concrete voorbeelden, te weten de factuur voor de heer [naam 6] (hierna: [naam 6] ) en de factuur voor de heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ). De kantonrechter is van oordeel dat deze twee voorbeelden geen dringende reden opleveren, omdat deze verwijten niet zijn komen vast te staan. Overwogen wordt als volgt.
4.9.
Ten aanzien van de factuur voor [naam 6] kan naar het oordeel van de kantonrechter alleen maar worden vastgesteld dat [verzoeker] de oorspronkelijke factuur van € 319,50 heeft vervangen door een factuur voor het lagere bedrag van € 282,06. [verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat [naam 6] altijd wat korting kreeg, maar dat zij de hogere factuur al had opgemaakt toen [naam 6] naar de balie kwam om te vragen om korting, nadat hij dit met [naam 3] had besproken. Volgens [verzoeker] heeft zij daarom de factuur veranderd en hem alsnog het lagere bedrag laten betalen. Deze verklaring acht de kantonrechter niet onaannemelijk. Het verwijt van [verweerder] dat het hogere bedrag per kas is betaald en dat de indruk bestaat dat [verzoeker] zich het verschil heeft toegeëigend, is niet onderbouwd met bijvoorbeeld een afschrift van het kasboek, en strookt ook niet met de aantekening ‘voldaan per kas’ op de lagere factuur. Dit alles maakt dat dit verwijt niet is komen vast te staan.
4.10.
Wat betreft de factuur voor [naam 7] lijkt er wel sprake te zijn van een onregelmatigheid. Uit de stukken blijkt namelijk voldoende dat [naam 7] de factuur van € 295,72 per pin heeft betaald en dat [verzoeker] vervolgens deze factuur heeft verwijderd en vervangen door een factuur van € 51,30 met hetzelfde factuurnummer. De verklaring die [verzoeker] op de zitting hiervoor desgevraagd heeft gegeven, namelijk dat [naam 7] de apk op naam van zijn vrouw wilde hebben en de rest van de werkzaamheden op een andere naam, omdat hij een bekeuring had gehad en zijn vrouw dat niet mocht weten, overtuigt niet, omdat de factuur van de apk op naam van [naam 7] zelf staat. Echter, de door [verweerder] verstrekte informatie en de overgelegde stukken zijn onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [verzoeker] heeft gefraudeerd en dat zij zich het verschil tussen deze bedragen heeft toegeëigend. Het overleggen van de factuur van € 51,30, de pinbon van € 295,72 en een afschrift van het kasboek is daarvoor niet toereikend. Hieruit kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] het verschil in haar eigen zak heeft gestoken. Verder is hierbij van belang dat niet is gebleken van een (onafhankelijk) boekhoudkundig onderzoek, althans hiervan heeft [verweerder] geen bevindingen overgelegd. Daarbij heeft [verweerder] zijn stelling dat [naam 7] geen geld heeft teruggekregen, niet onderbouwd door middel van een verklaring van [naam 7] zelf, zodat de kantonrechter aan deze stelling voorbij gaat. Ook heeft [verweerder] niet uitgelegd of, en zo ja in hoeverre, de mutatie van 10 januari 2024 in het kasboek verband houdt met de factuur voor [naam 7] . Terwijl [verzoeker] op de zitting heeft verklaard dat de kasmutatie niets met de factuur van [naam 7] te maken heeft, dat zij wel eens geld uit de kas haalde, dat vervolgens weer terugpinde en dat de kasmutatie daarop ziet. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat ook dit verwijt niet is komen vast te staan.
het wegnemen van € 1.000,- contant
4.11.
In de ontslagbrief verwijt [verweerder] dat [verzoeker] dat zij zich een bedrag van € 1.000,- heeft toegeëigend omdat dit bedrag niet in het kasboek is opgenomen of anderszins is aangetroffen. Dit bedrag ziet op de contante betaling van de factuur door de heer [naam 8] . Op de zitting heeft [verweerder] verklaard dit verwijt niet langer te handhaven omdat de echtgenote van [verweerder] € 1.000,- contant toch heeft teruggevonden in de boekhouding. De kantonrechter laat dit verwijt dan ook verder buiten beschouwing.
het bestellen van onderdelen bestemd voor [naam 3]
4.12.
Verder legt [verweerder] aan het ontslag op staande voet ten grondslag dat [verzoeker] heeft bewerkstelligd dat op naam en voor rekening van [verweerder] /de VOF voor ongeveer € 25.000,- aan onderdelen is besteld, die zijn bestemd voor (de raceauto van) haar levenspartner [naam 3] in privé, terwijl het niet is toegestaan om in privé bestellingen op naam van [verweerder] /de VOF te doen en dat daar ook geen betalingen door [naam 3] tegenover staan. Door toedoen van [verzoeker] is een schadepost voor [verweerder] ontstaan.
4.13.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] zijn standpunt met stukken heeft onderbouwd [2] en dat [verzoeker] dit verwijt niet eerder dan op de zitting heeft weersproken. [verzoeker] heeft op de zitting aangevoerd dat beide vennoten een raceauto hebben en daarvoor spullen bestelden. Deze enkele stelling is niet voldoende om haar handelen te rechtvaardigen. Bovendien is daarmee niet gezegd dat [verweerder] daar geen betalingen tegenover stelde. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] richting [verweerder] dermate verwijtbaar heeft gehandeld door [naam 3] de bestelde spullen niet in rekening te brengen en dat dit kwalificeert als een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] was vanuit haar functie van administratief medewerker immers verantwoordelijk voor de (juiste) facturatie bij [verweerder] . Daarbij komt dat [naam 3] haar levenspartner is, waardoor [verzoeker] hiervan (indirect) profiteerde. [verweerder] kon dit verwijt dan ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag leggen.
het overmaken van bedragen aan [naam 3] voor verrichte werkzaamheden
4.14.
In de brief van 15 maart 2025 stelt [verweerder] dat [verzoeker] zonder toestemming van [verweerder] aan [naam 3] voor door hem per 1 juli 2024 als zzp-er verrichtte werkzaamheden hogere bedragen heeft overgemaakt dan de waarde van de facturen die de klanten hebben betaald voor deze werkzaamheden. Volgens [verweerder] bestaat voor dit verschil geen rechtvaardiging en lijdt hij hierdoor schade. Ook stelt [verweerder] dat [verzoeker] hiervan lijkt te hebben geprofiteerd, omdat het geld is betaald aan haar levenspartner.
4.15.
[verzoeker] voert in de brief van 17 maart 2025 aan dat voor de werkzaamheden van [naam 3] een uurtarief van € 63,- exclusief btw is overeengekomen, maar dat dit bedrag in eerste instantie als inclusief btw is verwerkt en betaald. Volgens [verzoeker] is de omzetbelasting later alsnog aan [naam 3] betaald en heeft [verweerder] de betaalde btw via de aangifte omzetbelasting verrekend, waardoor hij geld terugkreeg of minder omzetbelasting hoefde te betalen.
4.16.
In de ontslagbrief van 18 maart 2025 handhaaft [verweerder] dit verwijt zoals uiteengezet in de brief van 15 maart 2025 en stelt dat uit de administratie blijkt dat het hoge verschil niet kan worden verklaard door slechts verschillen in btw.
4.17.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] over dit verwijt niets meer heeft aangevoerd in haar verzoekschrift, ook niet in reactie op de ontslagbrief. [verweerder] heeft op de zitting toegelicht dat [verzoeker] de facturen voor [naam 3] opmaakte aan de hand van de werkorders en dat de uren op de werkorders niet kloppen met de uren op de facturen. Deze toelichting heeft [verzoeker] niet (voldoende) weersproken. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat [verzoeker] niet heeft gehandeld, zoals van haar als een goed werknemer mag worden verwacht, door onjuiste facturen voor [naam 3] op de maken in het voordeel van [naam 3] en hiervan mogelijk indirect te profiteren, omdat [naam 3] haar levenspartner is. Deze handelwijze van [verzoeker] is naar het oordeel van de kantonrechter dermate ernstig van aard dat dit kwalificeert als een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Verder acht de kantonrechter het aannemelijk dat [verweerder] door deze handelwijze van [verzoeker] schade heeft geleden. Deze schade heeft [verweerder] echter niet gevorderd.
het overboeken van € 53.000,00 aan [naam 3]
4.18.
Het zwaarste verwijt dat [verzoeker] wordt gemaakt betreft het zonder opdracht, toestemming en medeweten van [verweerder] overboeken van gelden aan [naam 3] . [verweerder] rekent het [verzoeker] in de ontslagbrief zwaar aan dat zij zelfstandig in de periode van 2 oktober tot en met 29 november 2024 meermaals grote geldbedragen voor een totaalbedrag van bijna € 53.000,00 heeft overgemaakt aan [naam 3] , haar levenspartner. [verweerder] stelt dat [verzoeker] dit niet zonder toestemming of opdracht van [verweerder] had mogen doen, omdat voor het overboeken van dergelijk grote bedragen geen geldige grondslag is. De stelling van [verzoeker] dat het kapitaal betrof dat [naam 3] ‘in de VOF had opgebouwd’ vindt [verweerder] geen rechtvaardiging. De jaarrekening van 2023 en de verdeling van het vermogen van de VOF waren tussen de vennoten nog onderwerp van discussie en niet vastgesteld. Door de betalingen te spreiden over meerdere transacties heeft [verzoeker] de indruk gewekt dat zij de overboekingen niet wilde laten opvallen. Ook achteraf heeft zij geen melding gemaakt van de betalingen. Omdat [verzoeker] dit geld aan haar levenspartner heeft overgemaakt, gaat [verweerder] ervanuit dat dit geld mogelijk ook aan [verzoeker] ten goede is gekomen.
4.19.
[verzoeker] voert – samengevat – aan dat [naam 3] nog steeds een vennoot van de vennootschap was toen hij [verzoeker] opdracht gaf om een deel van zijn kapitaal uit te keren. Daarbij was de kapitaalstand van [naam 3] blijkens de jaarrekening van 2023 per eind 2023 € 57.813,00. Dat opgebouwde kapitaal is niets anders dan door een vennoot opgebouwde spaarpot. Verder voert [verzoeker] aan dat de betalingen open en bloot zijn gedaan, dat zij heeft niets trachtte te verhullen en dat [verweerder] op of rond de betalingsmomenten nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de betalingen. Volgens [verzoeker] zijn de betalingen volstrekt valide en normaal.
4.20.
De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat [verzoeker] in totaal
€ 52.969,00 aan [naam 3] heeft overgemaakt. Ook is niet in geschil dat [verzoeker] daarvoor geen opdracht of toestemming van [verweerder] had of hem daarvan – vooraf dan wel achteraf - uitdrukkelijk op de hoogte heeft gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] daarmee haar bevoegdheden als financieel administratief medewerker te buiten is gegaan en dat zij daarmee ernstig verwijtbaar jegens [verweerder] heeft gehandeld.
4.21.
De stelling van [verzoeker] dat het overmaken van de gelden geoorloofd was, omdat [naam 3] nog vennoot was toen [verzoeker] dit geld (in zijn opdracht) heeft overgemaakt, volgt de kantonrechter niet. [verweerder] en [naam 3] zijn een einde van de VOF per 1 juli 2024 overeengekomen en op die datum was het bedrijf van [naam 3] volledig overgedragen aan [verweerder] . De kantonrechter wijst op de tussen [verweerder] en [naam 3] gesloten vennootschapsovereenkomst en de overeenkomst koop en verkoop [naam 1] , de voormalige eenmanszaak van [naam 3] . Uit deze overeenkomsten volgt dat de VOF voor de duur van 36 maanden is aangegaan, gelijk aan het aantal termijnen voor de koopsom van de voormalige eenmanszaak van [naam 3] , en dat de VOF eindigt door betaling van alle verschuldigde termijnen door [verweerder] . Niet in geschil is dat [verweerder] alle verschuldigde termijnen vóór 1 juli 2024 heeft voldaan. Dat de VOF is geëindigd op 1 juli 2024 vindt ook steun in het uittreksel van de KvK en in de omstandigheid dat [naam 3] vanaf 1 juli 2024 in het bedrijf werkzaamheden als zzp-er verrichtte en deze bij [verweerder] in rekening bracht. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat [verweerder] per 1 juli 2024 de juridische en enige eigenaar is van het bedrijf en dat het overboeken van gelden in ieder geval niet zonder een daartoe strekkende opdracht of toestemming van [verweerder] mocht gebeuren. [verzoeker] wijst nog op een Whatsapp-bericht van 13 november 2024 waarin [verweerder] aan [naam 5] vraagt of hij de scheiding van de VOF wil regelen. Maar de kantonrechter is het met [verweerder] eens dat dit bericht moet worden gelezen in het kader van de verdeling van de VOF, die tot op heden nog altijd niet heeft plaatsgevonden.
4.22.
[verzoeker] mocht dus niet zonder toestemming of opdracht van [verweerder] in totaal
€ 52.969,00 aan [naam 3] overmaken. Dat [verzoeker] stelt dat de bedragen ‘open en bloot’ zijn overgemaakt, acht de kantonrechter in het licht van het voorgaande, dan ook niet voldoende. Het gaat er om dat [verzoeker] in ieder geval aan [verweerder] had moeten melden en toestemming had moeten vragen alvorens de bedragen over te maken aan [naam 3] en vast staat dat zij dat niet heeft gedaan.
4.23.
De kantonrechter overweegt verder dat ook in de situatie dat [naam 3] (nog) vennoot zou zijn geweest ten tijde van het overboeken van de bedragen, het [verzoeker] ook dan niet vrij stond om zonder medeweten van [verweerder] deze bedragen over te maken. Het vermogen van de VOF is, anders dan namens [verzoeker] is gesteld, geen eigen vermogen waarover de vennoten zo maar vrijelijk kunnen beschikken. Daarbij waren de jaarstukken over 2023 nog niet vastgesteld, zodat [verzoeker] er niet vanuit mocht gaan dat het door haar overgemaakte bedrag het bedrag was waarop [naam 3] recht had. Bovendien was het ook niet aan [verzoeker] in haar functie van administratief medewerker om de hoogte van het bedrag te bepalen waarop [naam 3] als vennoot (in het kader van de verdeling van de VOF) recht heeft, ook niet als zij dat bij de accountant zou hebben gecheckt. Dat is aan de vennoten gezamenlijk om te bepalen en dat had [verzoeker] kunnen en moeten weten. De omstandigheid dat de jaarstukken over 2023 in juni 2024 met [verweerder] zijn besproken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
4.24.
De kantonrechter acht verder van belang dat er al de nodige spanningen tussen [verzoeker] en [verweerder] waren en dat het in dit geval gaat om het overboeken van gelden aan de levenspartner van [verzoeker] , zodat zij daarbij ook een persoonlijk belang had en de bedragen hoogstwaarschijnlijk ook [verzoeker] ten goede zullen zijn komen, althans dat zij daarvan (mede) heeft geprofiteerd. Daarnaast vindt de kantonrechter ook van betekenis de wijze (in zes verschillende delen, variërend van € 2.969,00 tot € 25.000,00 over een periode van ongeveer acht weken) en het tijdstip (rond de aankoop van een andere woning door [verzoeker] en [naam 3] ) waarop [verzoeker] de bedragen heeft overgemaakt. Dit roept vragen op en draagt bij aan het vermoeden dat [verzoeker] het overboeken van de gelden geheim heeft willen houden voor [verweerder] . Hiervoor heeft [verzoeker] geen duidelijke en overtuigende verklaring kunnen geven. De verklaring van [verzoeker] op de zitting dat zij de spaarrekening van het bedrijf niet teveel wilde belasten, acht de kantonrechter niet toereikend. De indruk dat de gelden welbewust zijn onttrokken om [naam 3] en daarmee mogelijk ook zichzelf te bevoordelen, heeft [verzoeker] dan ook niet kunnen wegnemen.
4.25.
Dat, zo stelt [verzoeker] , bij herhaling ook grote bedragen zonder medeweten van [naam 3] aan [verweerder] zouden zijn betaald, leidt evenmin tot een ander oordeel. Niet alleen is niet onderbouwd dat [naam 3] hiervan geen weet had, maar naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze betalingen ook niet los worden gezien van de bijna voltooide eigendomsoverdracht van het bedrijf. Het was immers [verweerder] die eigenaar zou worden van het bedrijf en dat bedrijf zou voortzetten. Die situatie is alleen daarom al niet vergelijkbaar met de situatie waarin [verzoeker] gelden overboekte naar haar levenspartner [naam 3] .
tussenconclusie
De kantonrechter concludeert dat de hiervoor vastgestelde verwijten (het bestellen van onderdelen voor [naam 3] in privé, het overmaken van onjuiste en te hoge bedragen voor de werkzaamheden van [naam 3] en het overboeken van ongeveer € 53.000,00 aan [naam 3] ) dermate ernstig van aard zijn dat deze zowel afzonderlijk als in samenhang bezien kwalificeren als een dringende reden en dat redelijkerwijs van [verweerder] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven
4.26.
Zoals hiervoor al is overwogen is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet verder vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer. [3] Anders dan [verzoeker] , vindt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, om de volgende reden.
4.27.
[verweerder] heeft gesteld dat hij op 13 januari 2025 tegen [verzoeker] heeft gezegd dat hij vragen had over een aantal ongebruikelijke betalingen die door [verzoeker] leken te zijn uitgevoerd, maar dat een gesprek hierover toen niet heeft plaatsgevonden omdat [verzoeker] zich vrijwel direct na de mededeling van [verweerder] ziek meldde en is vertrokken, waarna [verweerder] onderzoek heeft laten uitvoeren naar de gang van zaken. Dit alles heeft [verzoeker] niet betwist. De kantonrechter vindt het voldoende aannemelijk dat het onderzoek om de financiële administratie door te (laten) nemen enige tijd in beslag heeft genomen, te meer omdat [verweerder] daarvoor een andere boekhouder heeft ingeschakeld. Dit staat [verweerder] vrij. Vervolgens heeft [verweerder] op 12 maart 2025 aan [verzoeker] gemeld dat hij de bevindingen van dit onderzoek op 13 maart 2025 met [verzoeker] wil bespreken. Vast staat dat [verzoeker] dat in eerste instantie heeft geweigerd en dat zij bij nader inzien alleen wilde komen als daarbij een onafhankelijke derde/mediator aanwezig was. Dit kon echter niet de volgende dag worden geregeld. Op 14 maart 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] zich gemeld met een verzoek om een toelichting op de onderzoeksbevindingen. De gemachtigde van [verweerder] heeft deze toelichting op 15 maart 2025 aan de gemachtigde van [verzoeker] verstrekt, waarna deze op 17 maart 2025 heeft gereageerd. Op 18 maart 2025 heeft [verweerder] het ontslag op staande voet gegeven. In het licht van deze omstandigheden heeft [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende voortvarend gehandeld met het geven van het ontslag en het meedelen van de dringende reden. Verder acht de kantonrechter het zorgvuldig van [verweerder] om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen om te reageren en juridisch advies in te winnen. De conclusie is dat het ontslag onverwijld is gegeven en dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
ten aanzien van de door [verzoeker] verzochte vergoedingen
4.28.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding moet dus worden afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Hetzelfde geldt voor het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
4.29.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd. [4]

5.De beoordeling van het verzoek van [verweerder] om een gefixeerde schadevergoeding

5.1.
[verweerder] verzoekt om een wettelijke gefixeerde schadevergoeding. [verzoeker] is van mening dat dit verzoek moet worden afgewezen omdat het verzoek zonder onderbouwing is ingediend. Hoewel het verzoek wat summier is onderbouwd, volgt de kantonrechter [verzoeker] hierin niet. Hierbij betrekt de kantonrechter dat [verzoeker] tot enkele dagen voor het verstrijken van de vervaltermijn heeft gewacht om een verzoek om een billijke vergoeding in te dienen. Dit staat [verzoeker] vrij, maar dat heeft wel tot gevolg dat [verweerder] niet kon wachten met het indienen om een verzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding totdat hij in de gelegenheid werd gesteld om een verweerschrift in te dienen. In zijn verzoek heeft [verweerder] nadrukkelijk gewezen op de ontslagbrief van 18 maart 2025, heeft hij aangekondigd in zijn verweerschrift nader in te gaan op de dringende redenen en dat heeft [verweerder] ook gedaan. Gelet op de samenhang tussen het verzoek van [verzoeker] en het verzoek van [verweerder] , acht de kantonrechter dit een voldoende onderbouwing.
5.2.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding omdat [verzoeker] door opzet of schuld aan [verweerder] een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet. [5] Hiervoor heeft de kantonrechter al geoordeeld dat het handelen van [verzoeker] ernstig verwijtbaar is. [verzoeker] heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten volgen dat de dringende reden buiten haar schuld om is ontstaan.
5.3.
Op grond van de wet [6] is het bedrag van de gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In dit geval zou dat zijn geweest tot en met 30 april 2025, rekening houdend met de opzegtermijn van één maand en met de omstandigheid dat opzegging dient te geschieden tegen het eind van de maand [7] . Uitgaande van het loon van [verzoeker] , heeft [verweerder] de vergoeding van € 5.312,86 bruto over de periode van 18 maart 2025 tot en met 30 april 2025 dan ook correct berekend.
5.4.
[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om die vergoeding te matigen, omdat zij deze onredelijk hoog vindt. De kantonrechter heeft ruimte daarvoor als zij dat redelijk vindt. [8] Maar in hetgeen door [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen reden om te matigen.
5.5.
De door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht dat [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd, zal worden afgewezen, omdat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet valt in te zien welk belang hij heeft bij toewijzing daarvan.
5.6.
De door [verweerder] gevorderde wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding
vanaf de datum van ontslag is toewijsbaar. [9]
5.7.
Verder verzoekt [verweerder] om voor recht te verklaren dat hij rechtsgeldig beroep heeft gedaan op verrekening van het nog verschuldigde loon met de gefixeerde schadevergoeding. Gelet op hetgeen hiervoor in het verzoek van [verzoeker] is geoordeeld, faalt het verweer van [verzoeker] dat er niets te verrekenen is. De bevoegdheid om de gefixeerde schadevergoeding met het nog verschuldigde loon te verrekenen, heeft [verzoeker] als zodanig niet betwist en de kantonrechter heeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen als navolgt.

6.De beoordeling van het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] om schadevergoeding

6.1.
[verweerder] stelt dat [verzoeker] een toerekenbare tekortkoming heeft gepleegd in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door € 53.000,00 over te maken aan [naam 3] , dat [verzoeker] voor de door [verweerder] geleden schade ter hoogte van het overgeboekte bedrag aansprakelijk is en dat [verzoeker] het overgemaakte bedrag moet terugbetalen. Volgens [verweerder] moet de beoordeling van de aansprakelijkheid primair plaatsvinden aan de hand van artikel 6:162 BW, omdat de schade niet door [verzoeker] is toegebracht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, zoals omschreven in artikel 7:661 lid 1 BW, en subsidiair aan de hand van artikel 7:661 BW.
6.2.
[verzoeker] voert aan dat het uitvoeren van opdrachten van de vennoten die toen haar werkgever waren en het doen van betalingen tot haar taak als administratief medewerker behoorde en dat de schade die [verweerder] meent te hebben geleden voortvloeit uit een handeling die [verzoeker] heeft verricht in de VOF-periode. Het is dan niet [verweerder] die deze schade heeft geleden, maar de voormalige VOF. Verder voert [verzoeker] aan dat beide vennoten afzonderlijk van elkaar en zonder elkaar op de hoogte te stellen betalingsinstructies aan [verzoeker] gaven en dat er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW. Mocht [verweerder] menen dat hij schade heeft geleden, dan meent [verzoeker] dat [verweerder] dat met bewijzen moet onderbouwen en dat hij zijn pijlen moet richten op [naam 3] .
6.3.
De kantonrechter overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat [verzoeker] de gelden heeft overgeboekt bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het behoorde immers tot haar werkzaamheden als administratief medewerker om gelden over te boeken. Dat betekent dat zij als werknemer slechts aansprakelijk is voor de schade toegebracht aan de werkgever voor zover de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid als bedoeld in artikel 7:661 BW.
6.4.
De kantonrechter is van oordeel dat daarvan sprake is. Hiervoor is al geoordeeld dat er sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Die dringende reden is – samengevat – gelegen in het feit dat [verzoeker] zonder toestemming, opdracht en medeweten van [verweerder] , die het bedrijf van [naam 3] had gekocht en waarvoor tijdelijk een VOF was opgericht, aan [naam 3] een totaalbedrag van € 52.969,00 heeft overgeboekt. Bij de beoordeling daarvan speelt een rol dat de overboeken van de gelden in delen is gebeurd over een periode van ongeveer acht weken, dat [verzoeker] daarvoor geen toereikende verklaring heeft gegeven, dat daarmee de indruk is gewekt dat de betalingen verborgen moesten blijven en dat de betalingen niet aan zomaar een vennoot zijn gedaan, maar aan de levenspartner van [verzoeker] , waardoor zij (indirect) meeprofiteerde, juist op een moment waarop zij en [naam 3] bezig waren met de aankoop van een woning. Dit samenstel maakt dat er tot opzet dan wel bewuste roekeloosheid kan worden geconcludeerd. De stelling van [verzoeker] dat zij alleen ter uitvoering van de opdrachten van [naam 3] zou hebben gehandeld, maakt niet dat daarvan geen sprake zou zijn. Zoals hiervoor al is overwogen had [verzoeker] deze opdrachten niet zo maar mogen uitvoeren. Zij had naar [verweerder] toe moeten gaan voor overleg en toestemming. Dat geldt zeker omdat sprake was van een bijzondere situatie: de vennootschapsovereenkomst was geëindigd, [verweerder] was degene die het bedrijf over had genomen en het betroffen overboekingen aan haar eigen levenspartner, waardoor [verzoeker] een persoonlijke belang had bij overboekingen en daarvan mogelijk (mee) profiteerde. Dat zoals [verzoeker] aanvoert de betalingen voor [verweerder] zichtbaar hadden kunnen zijn, is niet genoeg. [verzoeker] is degene die niet juist heeft gehandeld, zodat [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden schade.
6.5.
De stelling van [verzoeker] dat niet [verweerder] de gevorderde schade heeft geleden maar de voormalige VOF, volgt de kantonrechter niet. Het is immers [verweerder] die het bedrijf heeft overgenomen en inmiddels eigenaar daarvan is. Naar het oordeel van de kantonrechter is het dan ook [verweerder] , in zijn hoedanigheid van voormalig vennoot en degene die het bedrijf heeft overgenomen, die het bedrag kan en moet terugvorderen.
6.6.
De kantonrechter acht het niet relevant of aan [naam 3] al dan niet gelden uit de VOF toekwamen en of het al dan niet zijn privékapitaal is. Het was immers niet aan [verzoeker] als administratief medewerker om dat te beoordelen of na te vragen bij de voormalige accountant. Door alle discussie tussen partijen en met de voormalige accountant is dat ook niet met voldoende zekerheid vast te stellen. Het gaat hier om het verwijt aan [verzoeker] dat zij eigenhandig het geld heeft overgeboekt en haar aansprakelijkheid voor dat handelen, en niet om de vraag of [naam 3] daar al dan niet recht op had. [verzoeker] zal dan ook worden veroordeeld tot terugbetaling van de schade ter hoogte van het door haar overgeboekte bedrag van € 52.696,00. De door [verweerder] gevorderde rente is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de indiening van het schadeverzoek.
6.7.
De kantonrechter merkt nog op dat gebleken is dat de financiële afwikkeling van de VOF nog moet plaatsvinden. Daarbij zal ook het terug te betalen bedrag moeten worden betrokken en hetgeen aan [verweerder] en [naam 3] in hun onderlinge verhouding nog toekomt. Maar dit betreft [verweerder] en [naam 3] als voormalige vennoten en staat los van deze procedure en de aansprakelijkheid van [verzoeker] als werknemer. Voor enige verrekening met het kapitaal dat [naam 3] nog zou toekomen is dan ook geen plaats.
6.8.
Gelet op het voorgaande kan de door [verweerder] verzochte verklaring voor recht dat [verzoeker] met haar handelswijze richting [verweerder] een toerekenbare tekortkoming heeft gepleegd in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de arbeidsovereenkomst en de als gevolg daarvan de door [verweerder] geleden schade te vergoeden, worden toegewezen.

7.De proceskosten

in het verzoek van [verzoeker]
7.1.
De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
in het verzoek van [verweerder]
7.2.
De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op
€ 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
7.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder]
7.4.
De proceskosten in het zelfstandig tegenverzoek komen eveneens voor rekening van [verzoeker] , omdat zij ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in het tegenverzoek op nihil te stellen.

8.De beslissing

De kantonrechter
in het verzoek van [verzoeker]
8.1.
wijst het verzoek af;
8.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [10] ;
in het verzoek van [verweerder]
8.4.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 5.312,86 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag van algehele betaling;
8.5.
verklaart voor recht dat het [verweerder] is toegestaan om het toegewezen bedrag aan gefixeerde schadevergoeding te verrekenen met het nog aan [verzoeker] verschuldigde loon;
8.6.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
8.7.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
8.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
8.9.
wijst af het meer of anders verzochte;
in het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder]
8.10.
verklaart voor recht dat [verzoeker] met haar handelswijze richting [verweerder] een toerekenbare tekortkoming heeft gepleegd in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de arbeidsovereenkomst en dat [verzoeker] als gevolg daarvan de door [verweerder] geleden schade moet vergoeden;
8.11.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 52.696,00 aan schadevergoeding, te betalen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot de dag van algehele betaling;
8.12.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, die van de zijde van [verweerder] worden begroot op nihil;
8.13.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
8.14.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
de griffier de rechter

Voetnoten

1.Prod. E10, vierde pagina.
2.Zie producties 22 en 23.
3.Zie artikel 7:677 lid 1 BW.
4.Zie artikel 7:673 lid 7, onder c, BW.
5.Zie artikel 7:677 lid 2 BW.
6.Zie artikel 7:677 lid 3 BW.
7.Zie artikel 7:672 lid 1 BW.
8.Zie artikel 7:677 lid 5 BW.
9.Zie artikel 7:686a lid 1 BW.
10.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.