ECLI:NL:RBNHO:2025:14607

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/15/366164 / FA RK 25-2884, C/15/367760 / JU RK 25/1017 en C/15/369725 / JU RK 25-1305
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over gezagsbeëindiging en vervanging van de gecertificeerde instelling in een jeugdzorgzaak

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in Haarlem uitspraak gedaan in een complexe jeugdzorgzaak betreffende de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De rechtbank heeft de beslissing van de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven dat er geen gezagsbeëindigende maatregel nodig is. De rechtbank oordeelt dat de huidige maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de minderjarigen voorlopig afdoende zijn. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er zijn zorgen over hun vermogen om een veilige omgeving te bieden. De rechtbank benadrukt dat er nog belangrijke stappen gezet moeten worden in de samenwerking tussen de ouders, de gecertificeerde instelling en de pleegouders. De rechtbank heeft ook besloten om de huidige gecertificeerde instelling, De Jeugd- en Gezinsbeschermers, te vervangen door de William Schrikker Stichting, die naar verwachting beter kan aansluiten bij de behoeften van de ouders en de kinderen. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 21 november 2026. De zelfstandige verzoeken van de ouders tot omgang zijn afgewezen, omdat er geen juridische grondslag voor is. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/366164 / FA RK 25-2884, C/15/367760 / JU RK 25/1017 en C/15/369725 / JU RK 25-1305
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over de noodzaak van gezagsbeëindiging, de vervanging van de gecertificeerde instelling en over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
en
de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
  • [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
  • [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.F.H. Velthuizen uit Zaandam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. P.J. van de Pol uit Haarlem,
de pleegouders,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de WSG.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoek tot beoordeling of beëindiging van het gezag van de ouders moet volgen (zaaknummer C/15/366164 / FA RK 25-2884), met bijlagen, ontvangen op 5 juni 2025;
  • de bereidverklaring voogdij van 15 juli 2025, ontvangen op 25 juli 2025;
  • de bereidverklaring voor overdacht uitvoering ondertoezichtstelling van 15 juli 2025, ontvangen op 25 juli 2025;
  • het (voorwaardelijke) verzoek van de Raad tot vervanging van de GI (zaaknummer C/15/367760 / JU RK 25/1017), met als bijlage een brief(rapport), van 14 augustus 2025 en ontvangen op 15 augustus 2025;
  • het verweerschrift van de moeder, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
  • de brief van de GI van 11 november 2025 met als bijlagen actuele informatie ten aanzien van de ingediende verzoeken, ontvangen op 11 november 2025;
  • het verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, van de zijde van de vader van 11 november 2025;
  • de beschikking van deze rechtbank van 14 november 2025 over de verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing en de daarin genoemde stukken (zaaknummer C/15/369725 / JU RK 25-1305).
1.2.
De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 14 november 2025; de ouders en de pleegouders zijn op verschillende tijdstippen gehoord. Daarbij waren op het eerste tijdstip aanwezig:
  • de pleegouders;
  • de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de WSG, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de WSG] en [vertegenwoordiger van de WSG] .
Op het tweede tijdstip waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de WSG, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de WSG] en [vertegenwoordiger van de WSG] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in een (perspectiefbiedend) pleeggezin op een geheime locatie.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2020 (de toen nog ongeboren) [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna telkens is verlengd, voor het laatst bij beschikking van 14 november 2025, en nu nog voortduurt tot 21 december 2025.
2.4.
Op 15 mei 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] met ingang van 15 mei 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze beslissing is vastgelegd bij beschikking van 17 mei 2021. De machtiging is vervolgens steeds verlengd en heeft geduurd tot 27 mei 2023. Op 15 mei 2023 is [de minderjarige 1] teruggeplaatst bij de ouders.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2023 ook [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 14 november 2025, en nu nog voortduurt tot 21 december 2025.
2.6.
Bij beschikking van 13 februari 2024 heeft de kinderrechter wederom een spoedmachtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken. Vervolgens is deze machtiging meerdere keren verlengd, voor het laatst bij beschikking van 14 november 2025 tot 21 december 2025.
2.7.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 april 2024 is bepaald dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt, maar bij het perspectiefbiedende pleeggezin waar zij nu verblijven.
2.8.
De GI die de ondertoezichtstelling over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uitvoert, heeft de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen over de vraag of beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is.
2.9.
De WSG heeft zich bij brief van 15 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij de aanvaarden.

3.De verzoeken

gezagsbeëindiging
3.1.
De Raad vraagt op verzoek van de GI het oordeel van de rechtbank of de beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet volgen, omdat de Raad na het doen van onderzoek heeft besloten niet over te gaan tot het indienen van een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel.
3.2.
De Raad heeft in het raadsrapport de voor- en nadelen van een gezagsbeëindiging tegen elkaar afgewogen en is tot de conclusie gekomen dat geen gezagsbeëindigende maatregel nodig is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Het opgroeiperspectief van de kinderen is door de rechtbank bevestigd en ligt bij het perspectiefbiedende pleeggezin. Er wordt dan ook niet meer toegewerkt naar thuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . In die zin is er voor de kinderen geen onduidelijkheid over hun opgroeiperspectief. Daarnaast is de Raad van mening dat het niet schadelijk is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] als de ouders hun gezag behouden. De ouders geven tot op heden invulling aan hun gezag en er is op dit moment niet gebleken dat zij de plaatsing bij de pleegouders tegenwerken middels hun gezagspositie. Ook is niet gebleken dat de ouders structureel tegenwerken bij het nemen van gezagsbeslissingen over de kinderen of dat gezagsbeslissingen niet tijdig kunnen worden genomen.
3.3.
Dit neemt echter niet weg dat er voor een veilige ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog belangrijke stappen te maken zijn. Zo moet nog altijd hulpverlening ingezet worden die de kinderen helpt om zich te kunnen verbinden met hun ouders en hun afkomst. Hiervoor is het ook nodig dat de pleegouders een manier vinden om de ouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een rol te geven in hun leven. Zowel de ouders als de pleegouders hebben hier intensieve hulp en begeleiding bij nodig. De Raad heeft grote zorgen dat de aandacht hiervoor bij een gezagsbeëindiging zal verdwijnen, met als gevolg dat het contact nog beperkter wordt en de afstand tussen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en hun ouders nog groter wordt. De Raad is daarom van mening dat nogmaals een poging moet worden gedaan om de opvoedomgeving van de kinderen te verbeteren en de ontwikkelingsbedreiging te verminderen. Mede gelet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), acht de Raad een ondertoezichtstelling (met machtiging uithuisplaatsing) hier de meest passende kinderbeschermingsmaatregel voor; de belangen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] worden met deze minder ingrijpende maatregelen voldoende beschermd.
vervanging GI
3.4.
Indien de rechtbank niet overgaat tot een gezagsbeëindigende maatregel, verzoekt de Raad om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de WSG en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
Hoewel de Raad ziet dat de GI veel tijd heeft geïnvesteerd in de ouders en er onvoldoende verandering in de houding en het gedrag van de ouders is gekomen om een veilige en grotere rol in het leven van de kinderen te kunnen spelen, twijfelt de Raad of de juiste middelen zijn ingezet. De Raad denkt dat de WSG als GI beter bij de ouders kan aansluiten en de ouders meer maatwerk kan bieden vanwege hun expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking (LVB), waardoor er naar verwachting een betere samenwerking tussen de ouders en de GI mogelijk is. Het is voor de ouders lastig om hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden en zij voelen zich nu niet gehoord door de GI en de hulpverlening. Zij voelen zich genegeerd en op afstand van hun kinderen gezet. Vanuit het hun perspectief gezien begrijpt de Raad de ouders; zij weten namelijk helemaal niets over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de omgeving waarin zij opgroeien. Acceptatie van de plaatsing is echter essentieel, omdat de kinderen de instemming van hun ouders nodig hebben om zich te ‘mogen’ hechten aan de pleegouders. De ouders hebben hier begeleiding bij nodig en voor ouders met een LVB is specialistische begeleiding nodig. Daarnaast zouden pleegouders baat kunnen hebben bij psycho-educatie over de ouders met een LVB. De Raad spreekt de hoop uit dat de boosheid bij de ouders weggenomen kan worden door de inzet van de WSG, met als gevolg dat ook meer ruimte ontstaat bij de pleegouders.

4.De standpunten

de GI
4.1.
De GI blijft bij haar standpunt dat een gezagsbeëindigende maatregel nodig is.
De GI en Kenter merken nog steeds dat de ouders niet kunnen berusten in de uithuisplaatsing van de kinderen, ondanks het perspectiefbesluit. In ieder pleeggezin (waar [de minderjarige 1] heeft verbleven) hebben de ouders de kinderen geen emotionele toestemming kunnen geven voor hun verblijf. Zij blijven vechten voor de kinderen, maar niet op de juiste manier. De GI voorziet dat een jaarlijkse verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen voor veel spanning en onrust zal (blijven) zorgen, bij zowel de ouders, pleegouders als [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarnaast hebben de afgelopen jaren volgens de GI voldoende aangetoond dat het de ouders niet lukt op een constructieve manier mee te werken. Afspraken met de GI en de hulpverlening worden jarenlang niet nagekomen, ondanks de vele interventies hiertoe en de verschillende vormen van hulpverlening. Hoewel het momenteel niet nodig is dat de ouders hun toestemming verlenen voor bepaalde specifieke zaken, gezien o.a. de leeftijd van de kinderen, heeft het verleden voldoende aangetoond dat de ouders niet of in elk geval onvoldoende in staat zijn om de belangen van de kinderen voorop te stellen, waardoor toestemming regelmatig lang op zich heeft laten wachten. Volgens de GI is het schadelijk voor de kinderen om de ouders hun gezag te laten behouden. Daarbij is van belang dat beide kinderen zorgelijk gedrag laten zien en [de minderjarige 1] een beschadigd meisje is.
De kinderen verblijven sinds 13 februari 2024 in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] doen het hier erg goed; zij zijn vrolijk en ontwikkelen zich goed. De GI zal blijven onderzoeken hoe de ouders betrokken kunnen blijven bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Vooralsnog komt de GI niet terug op haar beslissing dat er geen contact is tussen ouders en de pleegouders om te voorkomen dat ook deze plaatsing niet slaagt. Het is hierbij van belang dat de ouders aan het werk gaan om hun onvrede en boosheid richting de pleegouders te verminderen. Tot op heden heeft de vader het hiervoor noodzakelijk geachte traject bij De Waag niet doorlopen.
4.2.
De GI staat verder niet achter het verzoek van de Raad tot vervanging van de GI als het gezag niet beëindigd wordt. Al langer is de inzet van de WSG wenselijk bevonden, maar vanwege weerstand daartegen van de vader is dat niet gebeurd. Inmiddels is de GI al bijna vijf jaar betrokken bij het gezin en verwacht wordt dat een overdracht voor ruis zal zorgen. Daarbij komt dat de GI in de samenwerking, de communicatie ook al aanpast op het niveau van de ouders.
de moeder
4.3.
De moeder en haar advocaat hebben zowel schriftelijk als mondeling ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. De moeder staat niet achter beëindiging van het gezag, maar wel achter het verzoek tot vervanging van de GI. De moeder is van mening dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder onderschrijft dat de WSG, als gespecialiseerde jeugdbeschermingsinstantie, meer kundig en beter in staat is om haar te begeleiden en te werken aan het vergroten van de rol van de moeder in het leven van de kinderen. De moeder wil graag weer een belangrijke rol spelen in het leven van de kinderen en vindt dat zij een kans moet krijgen. Daarbij is van belang dat de relatie tussen de ouders is verbroken en de moeder nu beschikt over eigen woonruimte. De moeder werkt ook mee met de hulpverlening. Dat de pleegouders moeite hebben met de vader, hoeft aan omgang tussen de moeder en de kinderen niet in de weg te staan. Gezagsbeëindiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van de moeder en de kinderen. Op deze inmenging is artikel 8 van het EVRM van toepassing. Bij artikel 1:266 BW is de aanvaardbare termijn van het kind het ijkpunt. Artikel 8 EVRM vereist echter dat niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Verder kan blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Het advies van de Raad kan deze beslissing niet dragen, omdat daaruit blijkt dat de moeder invulling geeft aan het gezag en de Raad heeft aangegeven dat de huidige gezagssituatie niet schadelijk is voor de kinderen.
4.4.
De moeder heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht een omgangsregeling vast te stellen van één keer per week, dan wel in goede justitie een regeling vast te stellen, die recht doet aan de belangen van de moeder en de kinderen. De moeder benadrukt dat zij een regeling verzoekt voor zichzelf. De moeder begrijpt ondertussen dat het contact met de pleegouders en de omgang met de kinderen kalm en rustig dient te verlopen. Als zij zich in het verleden anders heeft uitgelaten, heeft zij zich laten leiden tot haar emoties.
de vader
4.5.
De vader is het eens met het advies van de Raad om nog niet over te gaan tot een gezagsbeëindiging. Voor de kinderen is duidelijk dat hun perspectief niet bij de ouders ligt en dat zij bij het pleeggezin moeten opgroeien. De vader moet echter met lede ogen aanzien dat de kinderen niet goed verzorgd worden. Hij blijft zich storen aan het feit dat zijn zorgen over de kinderen niet serieus worden genomen; zorgen over kleding, de ongekamde haren maar ook over zijn geloof en cultuur, waar weinig rekening mee wordt gehouden. Als hij daar wat van zegt, dan wordt gezegd dat hij agressief is. De vader erkent dat hij zijn boosheid uit in gesprekken met de GI, maar daarna is hij een liefdevolle vader die omgang heeft met de kinderen. De vader heeft geen kans gehad om de kinderen met behulp van hulpverlening op te voeden en de GI wil de opening nu nog verder beperken door het gezag bij de vader weg te nemen. Gezagsbeëindiging is een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast. De vader is van mening dat volstaan kan worden met een lichtere maatregel, namelijk verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
4.6.
De vader stemt ook in met wijziging van de GI. Het gevoel dat de GI naast de ouders staat, heeft de vader namelijk gemist. Hij hoopt dat, als de WSG betrokken wordt en op een gelijkwaardige manier met de ouders wordt gepraat, gewerkt kan worden aan het verbeteren van de verstandhouding met de pleegouders. De vader denkt dat veel irritaties vanuit de ouders verholpen kunnen worden, als de ouders en de pleegouders elkaar ontmoeten.
4.7.
Tot slot heeft ook de vader bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht een omgangsregeling vast te stellen van één keer per week, dan wel een in goede justitie vast te stellen regeling die in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is. De vader is net als de moeder van mening dat de omgang tussen hen en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet worden uitgebreid.
de pleegouders
4.8.
De pleegouders vinden het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nodig dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. Zij zijn het met de GI eens dat het verleden voldoende heeft aangetoond dat de ouders niet of in elk geval onvoldoende in staat zijn om de belangen van de kinderen voorop te stellen. Uit de stukken blijkt dat de ouders beslissingen nemen vanuit eigen emoties. De pleegouders maken zich dan ook zorgen om de toekomst, waarbij mogelijk overleg moet plaatsvinden tussen de gezaghebbende ouders en de pleegouders over bijvoorbeeld het verkrijgen van toestemming voor medische behandelingen en het regelen van praktische zaken. Dit vinden de pleegouders ingewikkeld, omdat er uit veiligheidsoverwegingen geen contact is tussen hen en de ouders, en zij bovendien van mening zijn dat een ontmoeting onhaalbaar is. Daarbij levert het veel stress, spanning en onduidelijkheid op dat de pleegouders ieder jaar naar de rechtbank moeten voor verlenging van de maatregelen.
4.9.
Hoewel de pleegouders geen bezwaar hebben tegen betrokkenheid van de WSG, staan zij niet achter een vervanging van de huidige GI, omdat zij daar geen meerwaarde in zien. Verder achten zij een uitbreiding van de omgangsregeling zoals door de beide ouders is verzocht, nu niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . [de minderjarige 1] is tot ongeveer een week na de omgang onrustig, ze weet dan niet wat ze met zichzelf aan moet en ook het bonken met haar hoofd is dan weer terug. Ook op school wordt opgemerkt dat ze de week na de omgang van slag is. De pleegouders hebben hierbij opgemerkt dat de school niet op de hoogte is van de omgangsmomenten zodat [de minderjarige 1] neutraal behandeld wordt.

5.De mening van de informant

5.1.
De WSG heeft ter zitting aangegeven dat zij inderdaad een specialistische benadering heeft bij ouders en minderjarigen met een LVB. Hoewel in eerste instantie een overdracht van de ondertoezichtstelling naar de WSG een stap terug zal betekenen, omdat de ouders en de WSG elkaar moeten leren kennen, is de WSG op basis van het raadsrapport van mening dat er nog wel een weg in te slaan is met de ouders en de pleegouders.

6.De (verdere) beoordeling

gezagsbeëindigende maatregel
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de Raad en de GI het oneens zijn over de noodzaak tot beëindiging van het gezag en daarom het oordeel van de rechtbank vragen. Als de rechtbank van oordeel is dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is, dan kan de rechtbank het gezag beëindigen. [1]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om het gezag van de ouders te beëindigen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
6.3.
Voor alle betrokkenen is duidelijk dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. In de beschikking van 11 april 2024 is al door de meervoudige kamer van deze rechtbank onderschreven dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet bij de ouders zullen opgroeien. Omdat het perspectief bij de pleegouders ligt, wordt er vanuit de GI ook niet toegewerkt naar terugplaatsing naar (een van) de ouders en hoeven [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geen onzekerheid (meer) te hebben over hun perspectief. Dat ouders geen gezagsbeslissingen meer zouden kunnen nemen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer toe dat ouders die plaatsing wel zullen accepteren. Deze maatregel heeft een ander doel.
6.4.
Verder is ter zitting gebleken dat de plaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het pleeggezin veel van het pleeggezin vraagt, maar dat het ook goed gaat met de kinderen. De rechtbank acht het in hun belang dat de plaatsing in het huidige pleeggezin slaagt. Daarnaast is het ook van groot belang dat de band van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de ouders blijft bestaan. Uit het rapport van de Raad blijkt dat er een aantal risico’s zijn voor een duurzame en succesvolle pleegzorgplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij het huidige pleeggezin. Allereerst is dat de omstandigheid dat de ouders de plaatsing van de kinderen bij het pleeggezin nog onvoldoende hebben geaccepteerd en dit laten merken door veel weerstand en kritiek te tonen richting het pleeggezin. Verder kan ook de afwezigheid van (werkbaar) contact tussen de pleegouders en de ouders aan een goede relatie tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met de pleegouders in de weg staan. De pleegouders hebben aangegeven te vrezen voor hun veiligheid als de ouders weten waar zij met de kinderen verblijven op grond van incidenten tussen de ouders en eerdere pleeggezinnen. Zij hebben aangegeven hun veiligheid niet op het spel te willen zetten en in het uiterste geval daardoor de plaatsing te willen beëindigen. De rechtbank vindt het van belang te vermelden deze keuze te respecteren. Op dit moment, nu de kinderen nog jong zijn en geen informatie kunnen prijsgeven over waar de pleegouders wonen, is de afwezigheid van contact tussen de pleegouders en de ouders wellicht ook nog houdbaar. De rechtbank is het echter met de Raad eens dat er op de langere termijn problemen kunnen ontstaan en deze constructie zelfs schadelijk kan zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Van oudere kinderen kan niet gevraagd worden het geheime adres van de pleegouders te garanderen. Dan kan de geheime plaatsing spanningen en uiteindelijk loyaliteitsproblemen gaan veroorzaken voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , omdat zij hiermee (indirect) de boodschap krijgen dat zij niet onbelast van zowel hun ouders als de pleegouders mogen houden. Voorkomen moet worden dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich klemgezet gaan voelen en het idee gaan krijgen dat zij voor een van beide partijen moeten gaan kiezen. Het kiezen uit zelfbescherming voor een van beide partijen, om die partij niet te verliezen, betekent immers ook het kiezen tegen de andere partij, wat voor hun ontwikkeling schadelijk is. Voor de langere duur lijkt het contact tussen de ouders en pleegouders gelet op het voorgaande dan ook onmisbaar te zijn.
6.5.
Daartoe constateert de rechtbank dat niet is gebleken dat gezagsbeslissingen zodanig moeizaam verlopen dat op dit moment het behouden van het gezag van de ouders schadelijk is voor de kinderen. Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van zowel de ouders als de kinderen waarover het gezag wordt uitgeoefend. De rechtbank is van oordeel dat in het belang van een veilige ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog belangrijke stappen te zetten zijn, met name in de samenwerking tussen de ouders en de GI maar ook tussen de ouders en de pleegouders. Op grond van het dossier en wat ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu afdoende kunnen zijn. De rechtbank onderschrijft daarom de beslissing van de Raad dat geen gezagsbeëindigende maatregel moet volgen. De rechtbank weegt daarbij mee dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment geen last van de situatie lijken te ervaren.
6.6.
De rechtbank benadrukt tot slot dat de middelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu kunnen volstaan, maar dat het noodzakelijk is dat de ouders het vastgestelde perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aanvaarden en zich neerleggen bij het feit dat de kinderen niet meer bij hen maar bij het pleeggezin gaan opgroeien. Alleen wanneer de ouders daarin kunnen berusten en hun gedrag daarop afstemmen, kan van een voortzetting van hun gezag sprake zijn.
ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
6.7.
Duidelijk is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (nog steeds) ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [2] Bij beide ouders is sprake (geweest) van verslavingsproblematiek en bij de vader ook van forse agressieproblematiek. [de minderjarige 1] heeft toen zij nog thuis woonde bij de ouders onveilige situaties meegemaakt en zij is getuige geweest van huiselijk geweld. De ouders kunnen door hun persoonlijke problematiek niet zorgen voor een veilige thuissituatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarbij zijn er, sinds de genomen beschermingsmaatregelen, ook zorgen over de omgang van de kinderen met de ouders en het feit dat de ouders niet samenwerken en geen contact hebben met de pleegouders, bij wie de kinderen zullen opgroeien, zoals hierboven genoemd.
6.8.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Langdurige hulpverlening in de thuissituatie heeft niet geleid tot verbetering. Het ontbreekt ouders aan probleembesef en het contact met de GI is sinds de uithuisplaatsing alleen maar verslechterd.
6.9.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig en de ouders hebben ingestemd met het verzoek. De rechtbank zal de resterende termijn van het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen voor de duur van elf maanden. Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.10.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [4] [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontwikkelen zich goed in het huidige pleeggezin, waar hun perspectief is bepaald, en hun verblijf dient geborgd te worden. De resterende termijn van het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
vervanging GI
6.11.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de GI, die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door de WSG. Hoewel de rechtbank begrijpt dat vervanging van de GI eerst een stap terug kan betekenen, kan de WSG vanwege hun expertise naar verwachting beter aansluiten bij de mogelijkheden van de ouders en beter op het niveau van de ouders met hen communiceren, waardoor een betere samenwerking tot stand kan komen. Dit wordt in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk geacht. Daarbij komt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] veilig zijn in het pleeggezin en daar niet weggaan nu het perspectief al is bepaald. De rechtbank hoopt dat de ouders een betere aansluiting kunnen vinden bij de nieuwe GI en dat dit hen zal helpen in het accepteren van de situatie dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zullen opgroeien bij de pleegouders en hun rol als ouder op afstand. Volgens de Raad zijn de pleegouders gebaat bij psycho-edcuatie over ouders met een LVB, zodat hun angst voor het gedrag van de ouders weggenomen of in ieder geval verminderd kan worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de huidige GI zal zorgdragen voor een warme overdracht, zodat zo min mogelijk (achtergrond)informatie verloren gaat. Met de vervanging van de GI door de WSG kan gewerkt worden aan de binnen de ondertoezichtstelling gestelde doelen.
6.12.
De rechtbank wijst de ouders erop dat deze beslissing niet automatisch tot gevolg heeft dat er door de WSG een andere koers zal worden gevaren met betrekking tot (het toekomstperspectief van) [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Het belang van de kinderen zal voorop blijven staan.
de zelfstandige verzoeken van de moeder en de vader
6.13.
Zoals besproken ter zitting en bevestigd door beide advocaten, bestaat er bij verlenging van de ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing voor de rechtbank geen juridische grondslag om zich te buigen over het verzoek tot vaststelling of uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
6.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
onderschrijft de beslissing van de Raad dat geen gezagsbeëindigende maatregel moet volgen;
7.2.
vervangt de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;
7.3.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]tot 21 november 2026;
7.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]in een voorziening voor pleegzorg tot 21 november 2026;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
wijst de zelfstandige verzoeken van de vader en de moeder tot omgang af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, mr. B.M.A. Bataille en mr. M.H. Simons, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier.
Tegen eindbeslissingen (met uitzondering van de vervanging van de GI) in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:267, tweede lid, BW
2.Artikel 1:260 BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
4.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.