ECLI:NL:RBNHO:2025:14549

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/15/362090 / HA ZA 25- 77
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling legitieme portie in erfrechtelijke procedure tussen erfgenamen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een erfrechtelijke procedure tussen twee erfgenamen, [eiser] en [gedaagde], naar aanleiding van de nalatenschap van de heer [erflater]. De rechtbank heeft de legitieme portie van [eiser] vastgesteld, die voortvloeit uit de nalatenschap van de erflater, die op 20 juni 2022 is overleden. De erflater had bij testament [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam, executeur en afwikkelingsbewindvoerder. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] recht heeft op een legitieme portie, die is berekend op basis van de waarde van de nalatenschap, verminderd met de giften die aan beide partijen zijn gedaan. De rechtbank heeft de legitimaire massa vastgesteld op € 190.841,37 en de legitieme portie van [eiser] op € 25.673,59. [gedaagde] is veroordeeld om dit bedrag aan [eiser] te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 april 2024. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/362090 / HA ZA 25-77 WD
Vonnis van 17 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Lof,
tegen
[gedaagde] , zowel in privé als in hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.H.M. de Boer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 2 april 2025;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de zijde van [eiser] ingekomen producties 11 tot en met 21;
- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de zijde van [gedaagde] ingekomen producties 6 tot en met 10;
- de na afloop van de mondelinge behandeling van de zijde van partijen ingekomen producties (notariële akte en taxatierapport).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 20 juni 2022 is de vader van partijen overleden, de heer [erflater] (hierna: de erflater). De erflater was bij overlijden niet gehuwd en was evenmin een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2.
De erflater heeft bij testament van 26 april 2021 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt, waarbij hij [gedaagde] – samengevat – tot enig erfgenaam, executeur en afwikkelingsbewindvoerder heeft benoemd.
2.3.
[gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. Ook heeft hij zijn benoeming tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.
2.4.
Op 28 juli 2003 heeft de erflater een aan hem toebehorend woonhuis aan [gedaagde] verkocht voor een koopprijs van € 144.000,00. Voordien huurde en bewoonde [gedaagde] dit woonhuis. In het kader van de aankoop door [gedaagde] en zijn financiering van de koopsom heeft taxateur [taxateur] (hierna: de taxateur) in opdracht van [gedaagde] de woning getaxeerd en een taxatierapport uitgebracht.
2.5.
Ten tijde van het overlijden van de erflater, had hij samen met partijen een woonhuis in Duitsland in eigendom, ieder voor 1/3 deel. Op of omstreeks 11 december 2023 is dit huis aan een derde verkocht voor een koopsom van € 270.000,00. Met de koopsom is de aan de woning verbonden hypothecaire lening afgelost. Van het restant heeft [eiser] 1/3 deel ontvangen, wat neerkomt op € 83.086,17. [gedaagde] heeft 2/3 deel van de restant koopsom ontvangen, wat neerkomt op € 166.172,32.
2.6.
Bij brief van 31 juli 2022 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de erflater.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank:
(i) de legitimaire massa van de nalatenschap van de erflater vaststelt;
(ii) de legitieme portie van [eiser] berekent;
(iii) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] het bedrag van zijn legitieme portie te betalen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak draait om de hoogte van de aanspraak in geld die [gedaagde] als legitimaris heeft op de nalatenschap van de erflater. De hoogte van deze aanspraak zal worden aangeduid als “de legitieme portie”.
4.2.
De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met diverse schulden [1] . Deze waarde zal worden aangeduid als “de legitimaire massa”.
4.3.
Om de legitimaire massa te bepalen, zal de rechtbank eerst vaststellen uit welke goederen de nalatenschap bestaat. Daarna zal de rechtbank beoordelen welke giften bij de berekening van de legitimaire massa moeten worden betrokken. Vervolgens zal de rechtbank bepalen met welke schulden rekening moet worden gehouden.
4.4.
Op zichzelf staat niet ter discussie dat de volgende goederen (activa) deel uitmaken van de nalatenschap:
(i) saldi van verschillende bankrekeningen;
(ii) gereedschap en machines;
(iii) beelden en kunstobjecten;
(iv) overige roerende zaken;
(v) netto opbrengst verkoop huis in Duitsland.
De waardes die aan deze goederen moeten worden toegekend, staan wel ter discussie. Daarnaast is in geschil of de nalatenschap al dan niet een vordering heeft op [gedaagde] . De rechtbank overweegt over één en ander als volgt.
saldi van bankrekeningen
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat het totale saldo van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen € 5.693,00 bedraagt.
gereedschap en machines;4.6. [eiser] begroot de waarde van het tot de nalatenschap behorende gereedschap en de machines op € 7.350,95 [2] . Ter onderbouwing heeft [eiser] een overzicht van het volgens hem tot de nalatenschap behorende gereedschap en de machines overgelegd [3] . Bij dit overzicht heeft hij foto’s gevoegd van het gereedschap en de machines, [eiser] heeft daarbij per object een van internet afkomstige advertentie met aanbiedingsprijs gevoegd. Aan de hand van de in de advertenties vermelde prijzen, begroot [eiser] de totaalwaarde op
€ 7.350,95.
4.7.
[gedaagde] brengt daar tegenin dat het gereedschap en de machines in totaal een waarde van € 1.000,00 vertegenwoordigt. In tegenstelling tot [eiser] heeft [gedaagde] de door hem gestelde waarde niet onderbouwd. Dit terwijl hij degene is die het gereedschap en de machines feitelijk in bezit heeft (gehad) en daarom bij uitstek in staat is (geweest) om de waardes van de verschillende gereedschappen en machines deugdelijk te begroten of te laten taxeren. [gedaagde] is bovendien niet inhoudelijk ingegaan op de door [eiser] ingediende onderbouwing van de waarde. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [gedaagde] de door [eiser] gestelde waarde(s) onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Omdat hij bovendien de door hem gestelde waarde niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling uit van de door [eiser] gestelde waarde van € 7.350,95.
beelden en kunstobjecten;4.8. [eiser] begroot de waarde van de tot de nalatenschap behorende beelden- en kunstcollectie op € 17.409,50 [4] . Ter onderbouwing heeft [eiser] een overzicht van de volgens hem tot de nalatenschap behorende beelden en objecten, voorzien van nummers en foto’s, in het geding gebracht [5] . Tevens heeft [eiser] daarbij per object een van internet afkomstige advertentie met aanbiedingsprijs gevoegd. Aan de hand van de in de advertenties vermelde prijzen, begroot [eiser] de totaalwaarde op € 17.409,50.
4.9.
[gedaagde] brengt daar tegenin dat niet alle op het overzicht van [eiser] voorkomende objecten deel uitmaken van de nalatenschap. De totaalwaarde van de nog wel tot de nalatenschap behorende beelden en overige kunstobjecten begroot [gedaagde] op € 1.000,00.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Op dezelfde gronden als hiervoor onder 4.7. overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zijn betwisting van de door [eiser] gestelde en onderbouwde (totaal)waarde onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen aan de hand van de gespecificeerde lijst van [eiser] aan te geven welke objecten wel c.q. niet (meer) tot de nalatenschap behoren. [gedaagde] heeft dit nagelaten. Om deze redenen gaat de rechtbank voorbij aan de door [gedaagde] gestelde waarde en zal zij bij de verdere beoordeling uitgaan van de door [eiser] gestelde waarde van € 17.409,50.
overige roerende zakende auto4.11. Partijen zijn het erover eens dat voor de (voorheen) tot de nalatenschap behorende auto, rekening moet worden gehouden met een waarde van € 2.800,00.
de elektrische fiets(en)
4.12.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de erflater ten tijde van zijn overlijden twee elektrische fietsen in eigendom had. Deze fietsen worden door hem op € 1.000,00 en € 2.000,00 gewaardeerd. [gedaagde] brengt hier tegenin dat slechts één fiets van de nalatenschap deel heeft uitgemaakt en dat de waarde van deze fiets op € 850,00 moet worden vastgesteld, het bedrag waartegen hij de fiets heeft verkocht.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij gebrek aan voldoende objectieve aanknopingspunten kan de rechtbank niet vaststellen dat de erflater ten tijde van zijn overlijden twee elektrische fietsen in eigendom had. De rechtbank heeft er notie van genomen dat uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften blijkt dat de erflater in 2018 en 2019 in totaal twee elektrische fietsen heeft aangeschaft, maar gelet op de betwisting van [gedaagde] en gelet op het tijdsverloop tussen september 2019 (de datum van de aankoop van de laatste fiets) en het moment van overlijden van de erflater, staat daarmee niet vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden beide fietsen nog in eigendom had.
4.14.
De rechtbank gaat daarom uit van één elektrische fiets. De rechtbank gaat tevens uit van de door [gedaagde] gestelde waarde van € 850,00. Ook als moet worden uitgegaan van een aanschafwaarde van € 3.899,00 – het bedrag waarvoor de erflater de duurste fiets op 1 september 2018 heeft gekocht -, is een waarde van € 850,00 per 20 juni 2022 (sterfdag erflater) niet onredelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat objectieve aanknopingspunten die duiden op een hogere waarde, niet voorhanden zijn.
de twee televisies4.15. [eiser] stelt dat twee televisies tot de nalatenschap behoren en dat deze een totaalwaarde vertegenwoordigen van € 1.000,00. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De rechtbank neemt een waarde van € 1.000,00 mee in de verdere beoordeling.
meubels en audio4.16. [eiser] stelt dat de tot de nalatenschap behorende meubels en audio moeten worden gewaardeerd op € 600,00. [gedaagde] heeft hier tegen ingebracht dat een deel van de inboedel bij de verkoop van het huis in Duitsland in het huis moest achterblijven. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar een WhatsApp bericht van de door hem ingeschakelde makelaar [6] . [eiser] heeft één en ander weersproken. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] . Uit het bericht van de makelaar valt slechts op te maken dat deze een bod had ontvangen op grond waarvan partijen het huis niet behoefden te ontruimen. Dat de overeenkomst met deze koper uiteindelijk onder dezelfde voorwaarden is gesloten, blijkt nergens uit. De stelling van [gedaagde] dat de inboedel in het huis moest achterblijven, heeft hij onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank neemt een waarde van € 600,00 mee in de verdere beoordeling.
netto opbrengst verkoop huis in Duitsland.4.17. Tussen partijen staat vast dat zij samen met erflater een huis in Duitsland in eigendom hebben gehad, ieder voor 1/3 deel, en dat dit huis op of omstreeks 11 december 2023 is verkocht voor een bedrag van € 270.000,00. Uit de door de Duitse notaris op 11 december 2023 opgestelde “nota van afrekening” blijkt dat op deze verkoopopbrengst de aflossing van de aan de woning verbonden maar enkel op naam van de erflater staande hypothecaire geldlening van € 20.741,51 in mindering is gebracht [7] . De rechtbank ziet in de door [gedaagde] overgelegde maar niet nader toegelichte bescheiden [8] geen aanleiding om uit te gaan van een ander hypotheeksaldo. De netto-opbrengst na aftrek van de hypothecaire lening kan daarmee worden vastgesteld op € 249.258,49, waarvan 1/3 deel dus € 83.086,17 aan de erflater toekwam. Dit bedrag maakt deel uit van de nalatenschap.
4.18.
De vraag of het door [eiser] ontvangen deel van de verkoopopbrengst als een gift moet worden beschouwd die bij de berekening van de legitieme in aanmerking moet worden genomen, komt hierna onder r.o. 4.29. e.v. aan de orde.
vordering op [gedaagde]
4.19.
[eiser] stelt dat uit de akte van levering waarmee de erflater het door hem aan [gedaagde] verkochte huis aan [gedaagde] heeft geleverd, volgt dat [gedaagde] een deel van de koopsom, te weten een bedrag van € 9.000,00, heeft voldaan door middel van het aangaan van een geldlening met de erflater. Dit (geleende) bedrag heeft [gedaagde] nimmer aan de erflater terugbetaald. De nalatenschap heeft een vordering op [gedaagde] ter hoogte van genoemd bedrag, aldus [eiser] .
4.20.
[gedaagde] heeft hier tegen ingebracht dat uit de akte van levering valt af te leiden dat hij het bedrag van € 9.000,00 niet van de erflater heeft geleend, maar dat de erflater afstand van zijn vorderingsrecht jegens [gedaagde] heeft gedaan vanwege een door [gedaagde] geleverde tegenprestatie.
4.21.
De rechtbank is van oordeel dat de lezing van [gedaagde] niet valt te rijmen met de inhoud van de betreffende bepaling in de notariële akte. Op de mondelinge behandeling hebben partijen er mee ingestemd dat deze akte alsnog compleet in het geding wordt gebracht. De bepaling luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Verkoper en koper zijn met betrekking tot de betaling van het restant bedrag, derhalve een bedrag van negenduizend euro (€ 9.000,00), een overeenkomst van afstand om baat aangegaan. Ter uitvoering daarvan heeft verkoper ten gunste van de koper afstand gedaan van haar vorderingsrecht tot betaling van dat bedrag, waartegenover koper, ten titel van geldlening jegens de verkoper, schuldig heeft erkend een bedrag groot negenduizend euro (€ 9.000,00), welke schuldigerkenning door verkoper is aanvaard.”
4.22.
Uit deze bepaling blijkt dat [gedaagde] destijds een bedrag van € 9.000,00 van de erflater heeft geleend. Dat hij dit bedrag ooit heeft terugbetaald, is gesteld noch gebleken. De rechtbank zal bij de berekening van de legitieme portie uitgaan van een vordering van de nalatenschap op [gedaagde] van € 9.000,00.
de totaalwaarde van de goederen van de nalatenschap
4.23.
De totaalwaarde van de goederen van de nalatenschap kan daarmee worden bepaald op: € 127.789,62 [9]
de in aanmerking te nemen giftengiften aan [gedaagde]
4.24.
[eiser] stelt dat bij de berekening van de legitieme rekening moet worden gehouden met de volgende giften van de erflater aan [gedaagde] :
(i) een gift van € 36.000,00 in verband met de verkoop van de woning in Heerhugowaard;
(ii) een gift van € 5.363,00 d.d. 5 mei 2018 (schenking);
(iii) een gift van € 1.300,00 d.d. 27 augustus 2020 (tv);
(iv) een gift van € 1.000,00 d.d. 7 september 2020 (ballonvaart);
(v) een gift van € 1.525,00 d.d. 3 maart 2017 (huur);
(vi) een gift van € 1.500,00 d.d. 7 maart 2017 (huur);
(vii) een gift van € 1.500,00 d.d. 23 maart 2017 (tv);
(viii) een gift van € 229,00 d.d. 23 augustus 2021 (huur);
(ix) een gift van € 210,00 d.d. 24 juni 2021 (stofzuigen). [10] Het totaalbedrag van deze gestelde giften is: € 48.627,00.
4.25.
Eén van deze giften betreft een bedrag van € 36.000,00 waarvan [eiser] stelt dat de erflater dit aan [gedaagde] heeft geschonken in het kader van de verkoop van de woning in Heerhugowaard door de erflater aan [gedaagde] . [eiser] voert onder verwijzing naar de notariële akte aan dat de erflater de woning voor 80% van de verkoopwaarde van € 180.000,00 aan [gedaagde] heeft verkocht. Dit brengt mee dat 20% van de waarde, wat neerkomt op € 36.000,00, als een gift moet worden beschouwd.
[gedaagde] brengt hier tegenin dat de door de taxateur bij zijn waardering geen rekening heeft gehouden met het feit dat [gedaagde] de woning huurde van de erflater. Daarbij komt dat [gedaagde] aan de taxateur heeft verzocht de woning tegen een hogere waarde dan de werkelijke waarde te taxeren. Dit omdat [gedaagde] een hogere hypothecaire geldlening wenste te verkrijgen, aldus [gedaagde] .
De rechtbank overweegt als volgt. Het feit dat [gedaagde] huurder was van de door hem van de erflater gekochte woning, heeft geen effect gehad op de getaxeerde verkoopwaarde van de woning. Dit omdat [gedaagde] het huis zelf in onverhuurde staat verkreeg.
Dat de taxateur op verzoek van [gedaagde] de woning tegen een hogere waarde dan de reële waarde heeft getaxeerd, blijkt nergens uit. Ook niet uit het door [gedaagde] met instemming van [eiser] na de mondelinge behandeling nagezonden taxatierapport. De rechtbank verwerpt de verweren van [gedaagde] .
De slotsom van het voorgaande is dat bij de verdere beoordeling van dit geschil, rekening zal worden gehouden met een gift van € 36.00,00 van de erflater aan [gedaagde] .
4.26.
Terzake de overige giften is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hier sprake is van giften die bij de berekening van de legitieme in aanmerking dienen te komen.
In totaal dient een bedrag van € 48.627,00 wegens aan [gedaagde] gedane giften bij de berekening van de legitieme in aanmerking te worden genomen.
Giften aan [eiser]
4.27.
[gedaagde] voert onder verwijzing naar een door hem ingediend overzicht [11] aan dat rekening moet worden gehouden met diverse door de erflater aan [eiser] gedane schenkingen en giften. [gedaagde] begroot het totaalbedrag hiervan op € 121.599,35 [12] .
4.28.
[eiser] erkent dat bij de berekening van de legitieme rekening moet worden gehouden met de volgende door de erflater aan hem gedane giften:
(i) een gift van € 1.300,00 d.d. 12 juli 2016;
(ii) een gift van € 400,00 d.d. 7 december 2017;
(iii) een schenking van € 5.363,00 d.d. 1 juli 2018;
(iv) een gift van € 4.400,00 d.d. 1 september 2018;
(v) een gift van € 1.000,00 d.d. 18 februari 2019;
(vi) een gift van € 9.315,00 (auto 2012);
(vii) een gift van € 258,75 (Nibo houten schutting) [13] .
[eiser] erkent hiermee voor een bedrag van € 22.036,75 aan giften te hebben ontvangen van de erflater.
De overige door [gedaagde] gestelde giften heeft [eiser] betwist.
4.29. Onderdeel van het door [gedaagde] gestelde totaalbedrag van € 121.599,35 is een bedrag van € 83.086,17. Laatstgenoemd bedrag ziet op het aan [eiser] betaalde deel van de netto-verkoopopbrengst van de woning in Duitsland.
4.30.
[gedaagde] is van mening dat dit deel als een gift van de erflater aan [eiser] moet worden beschouwd. [gedaagde] voert hiertoe aan dat de erflater de woning in Duitsland geheel uit eigen middelen heeft betaald, maar dat om fiscale redenen en om partijen te bevoordelen de woning voor 1/3 deel op naam van de erflater en partijen is gezet. Daarbij komt dat de erflater de aflossing en rentebetaling van de hypothecaire lening die aan de betreffende woning was verbonden volledig voor zijn rekening heeft genomen, aldus [gedaagde] .
4.31.
[eiser] brengt hier tegenin dat beide partijen, maar in ieder geval [eiser] , de erflater financieel in staat hebben gesteld om de woning in Duitsland aan te schaffen. De erflater beschikte niet over voldoende eigen middelen hiervoor. Hierom hebben [eiser] en zijn partner het vrijgekomen deel van hun spaarloonregelingen in 2007 opgenomen en in de woning geïnvesteerd. In totaal gaat het om een bedrag van € 10.104,00. Als tegenprestatie hiervoor werd de woning voor 1/3 op naam van [eiser] gezet.
4.32.
De rechtbank neemt als vaststaand aan dat [eiser] bij de aankoop van de woning in Duitsland een bedrag van € 10.104,00 heeft geïnvesteerd. [eiser] heeft dit op de mondelinge behandeling nader toegelicht aan de hand van de in dit geding overgelegde bankafschriften. [gedaagde] heeft op deze nadere toelichting niet inhoudelijk gereageerd en daarmee zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. Ook staat vast dat [gedaagde] een bedrag van € 2.000,00 in de woning heeft geïnvesteerd. Dat de erflater over voldoende eigen financiële middelen beschikte, heeft [eiser] betwist en is door [gedaagde] niet onderbouwd. Dat zo zijnde, ziet de rechtbank niet in dat het aan [eiser] toegekomen deel van de netto-verkoopopbrengst moet worden beschouwd als een gift aan [eiser] . Dat de erflater de betaling van de aflossing en rente voor zijn rekening heeft genomen, doet hieraan niet af. Hier staat namelijk tegenover dat, zoals ter zitting is komen vast te staan, de erflater jarenlang het exclusieve gebruiksrecht had op de woning.
4.33.
Terzake de overige betalingen van de erflater die [gedaagde] als gift aan [eiser] aanmerkt, heeft [eiser] op de mondelinge behandeling zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van een gift aan hem geen sprake is. [gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd. De rechtbank laat deze betalingen bij de berekening van de legitieme portie buiten beschouwing. Dit betreft, meer specifiek maar niet uitsluitend, de betalingen die zien op: vakantie Landal, lampen tuin De Boet, coniferen, huur en kadaster.
4.34.
Wegens aan [eiser] gedane giften dient bij de berekening van de legitieme een bedrag van € 22.036,75 [14] in aanmerking te worden genomen.
4.35.
In totaal dient wegens aan partijen gedane giften bij de berekening van de legitieme een bedrag van € 70.663,75 [15] in aanmerking te worden genomen.
de schulden van de nalatenschapde uitvaart- en notariskosten
4.36.
Dat de legitimaire massa moet worden verminderd met een bedrag van € 7.612,00 aan uitvaart- en notariskosten, is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank zal dit bedrag meenemen bij de verdere beoordeling.
de lening aan [tante]
4.37.
[gedaagde] stelt dat [tante] , een zus van de erflater en tante van partijen, een vordering op de nalatenschap had uit hoofde van een aan de erflater verstrekte geldlening. [gedaagde] stelt daarnaast dat hij uit de verkoopopbrengst van verschillende nalatenschapsgoederen inmiddels de vordering contant heeft afbetaald. [gedaagde] beroept zich ter onderbouwing op een door hem overgelegd bankrekeningafschrift [16] en een door [tante] afgelegde schriftelijke verklaring [17] .
[eiser] heeft één en ander weersproken.
4.38.
De rechtbank overweegt als volgt. Het bestaan van de geldlening vindt geen steun in het door [gedaagde] overgelegde rekeningafschrift. De betaling waar [gedaagde] ter zitting naar heeft verwezen vermeldt namelijk als omschrijving:
“Betaling van een bike en rolstoel”. Ook het beroep van [gedaagde] op de door hem ingediende schriftelijke verklaring is vergeefs. Bij gebrek aan bijkomende objectieve aanknopingspunten, is de enkele overlegde schriftelijke verklaring, kennelijk opgesteld vanwege deze procedure, van onvoldoende gewicht om het bestaan van de betwiste geldlening uit af te leiden.
4.39.
In totaal dient voor de berekening van de legitimaire massa te worden uitgegaan van een schuldenlast van € 7.612,00.
de legitimaire massa en de legitieme portie4.40. Uit het voorgaande volgt dat de legitimaire massa kan worden begroot op
€ 190.841,37 [18] .
4.41.
De legitieme portie van [eiser] moet worden bepaald door ¼ breukdeel te nemen van de legitimaire massa en door op dat breukdeel in mindering te brengen de giften die [eiser] heeft ontvangen. Dit leidt tot de volgende rekensom: (¼ x € 190.841,37) - € 22.036,75 =
€ 25.673,59.
4.42.
De rechtbank zal, zoals gevorderd, [gedaagde] veroordelen om dit bedrag aan [eiser] te betalen. Omdat [eiser] ter zake de legitieme portie een vordering heeft op [gedaagde] , als enig erfgenaam, en [gedaagde] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, zal de rechtbank [gedaagde] in persoon veroordelen.
4.43.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is, loopt de wettelijke rente. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] vanaf 3 april 2024 in verzuim is. Op die datum is de in de ingebrekestelling van 18 maart 2024 genoemde termijn verstreken. [19] De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 3 april 2024.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het voor hem moeilijk was om de informatie te verzamelen die nodig was voor het begroten van de legitieme portie van [eiser] . Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op persoonlijke omstandigheden. [gedaagde] verbindt aan een en ander de conclusie dat het niet redelijk zou zijn als hij wettelijke rente zou moeten betalen. De rechtbank gaat daaraan voorbij, omdat alle door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden niet afdoen aan het feit dat hij met ingang van 3 april 2024 in verzuim is.
4.44.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt de legitimaire massa vast op € 190.841,37,
5.2.
stelt de aan [eiser] toekomende legitieme portie vast op € 25.673,59,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.673,59, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over voornoemd bedrag met ingang van 3 april 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:65 BW
2.Zie alinea 8 van de pleitnota van [eiser]
3.Zie productie 12 van [eiser]
4.Zie alinea 9 van de pleitnota van [eiser]
5.Zie productie 13 van [eiser]
6.Zie productie 8 van [gedaagde]
7.Zie productie 9 bij dagvaarding;
8.Zie productie 1 bij conclusie van antwoord
9.€ 5.693,00 (r.o. 4.5.) + € 7.350,95 (zie r.o. 4.7.) + € 17.409,50 ( zie r.o. 4.10.) + € 2.800,00 (zie r.o. 4.11) + € 850,00 (zie r.o. 4.14 ) + € 1.000,00 (zie r.o, 4.15) + € 600,00 (zie r.o. 4.16) + € 83.086,17 (zie r.o. 4.17.) + € 9.000,00 (zie r.o. 4.22.)
10.De rechtbank ontleent deze opsomming aan alinea 2 van de pleitnota van [eiser] (“herziene boedelbeschrijving en berekening legitieme portie”) en alinea 12 van dezelfde pleitnota
11.Zie alinea 21 van de conclusie van antwoord en productie 5 bij de conclusie van antwoord
12.Zie alinea 10 van de pleitnota van [gedaagde]
13.De rechtbank ontleent deze opsomming aan alinea 2 van de pleitnota van [eiser] (“herziene boedelbeschrijving en berekening legitieme portie”), alinea 15 en alinea 18 van dezelfde pleitnota
14.Zie r.o. 4.28.
15.€ 48.627,00 (r.o. 4.25.) + € 22.036,75 (r.o. 4.34.)
16.Zie productie 2 bij conclusie van antwoord in het incident, datum afschrift 09-12-2021; volgnummer 0491 bladnummer 002
17.Zie productie 10 van [gedaagde]
18.€ 127.789,62 (zie 4.23.) + € 70.663,75 (zie 4.35.) - € 7.612,00 (zie 4.39.)
19.Zie productie 3 bij dagvaarding