Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:14470

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
HAA - 24 _ 6682
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:29 AwbArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteloperatie toeslagen: compensatie afgeloste private schuld ondanks ontbreken notariële akte

Eiseres, gedupeerde van de Toeslagenaffaire, vordert compensatie voor een afgeloste private schuld van €8.000 aan haar vader. Hoewel de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte, overlegt zij een affidavit en andere authentieke documenten waaruit het bestaan en de omvang van de schuld blijken.

Verweerder weigert terugbetaling omdat niet aan de wettelijke eis van een notariële akte is voldaan. De rechtbank stelt vast dat de schuld een informele schuld betreft en dat de eis van een notariële akte in principe geldt, maar dat de hardheidsclausule toepassing vindt vanwege de bijzondere omstandigheden en het ontbreken van twijfel over het bestaan van de schuld.

Verder oordeelt de rechtbank dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, omdat eiseres vanaf mei 2021 over voldoende middelen beschikte om terug te betalen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar, en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de schuld en vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de schuld van €8.000 aan eiseres.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),
en

de Minister van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Sociale Banken Nederland (hierna: SBN) heeft namens verweerder aan eiseres een beschikking voor het terugbetalen van al betaalde schulden gegeven.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Op 22 juli 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van de gedingstukken gedeeltelijk gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft zich door middel van een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst aangemeld om in aanmerking te komen voor het terugbetalen van haar reeds afbetaalde private geldschulden door SBN. Eiseres heeft hierbij onder meer een schuld van € 8.000 aan [naam 3] (de vader van eiseres) voor terugbetaling aangemeld (hierna ook: de schuld).
2. Eiseres heeft een kopie van een door zichzelf en haar vader ondertekend schriftelijk stuk van 20 mei 2019 overgelegd (hierna: de affidavit) waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“Affidavit Give Loan Deed
This Loan Deed is made at [stad] Dated 20th May 2019.
I. [naam 3] (…) do hereby declare as under:
1. I have Loan a sum of EUR 8,000/- (Eight Thousand) to my daughter [eiseres] D/o [naam 4] (…).
2. I confirm that this loan is given to my daughter for the deposit, rent and furnishing for her house (…).
3. She will pay back loan when it is in her capability.
4. The fact mentioned above is correct and true to the best of my knowledge and belief, and nothing has been concealed therein.”
Op de affidavit zijn meerdere stempels aangebracht van de “Notary Public [stad] ” en van de “High Court [stad] ” met daarop parafen/handtekeningen en dagtekening 20 mei 2019. Het ter zitting door eiseres getoonde originele document is voorts voorzien van handgeschreven aantekeningen op de achterzijde van een medewerker van genoemde High Court.
3. Tot de gedingstukken behoort een ondertekende schriftelijke verklaring van de vader van eiseres van 16 mei 2024 waarin hij – voor zover hier van belang – verklaart dat hij eiseres op 20 mei 2019 een bedrag van € 8.000 heeft geleend onder de voorwaarde dat eiseres dit bedrag zou terugbetalen wanneer zij daartoe financieel in staat was.
4. Eiseres heeft op 12 mei 2021 een bedrag van € 30.000 ontvangen op grond van de zogenoemde Catshuisregeling.
5. Eiseres heeft op 16 oktober 2021 € 5.000 en op 26 december 2021 € 3.000 aan haar vader overgeboekt.
6. Bij beschikking van 8 mei 2024 heeft verweerder het verzoek om terugbetaling van de schuld afgewezen.
Geschil7. In geschil is of verweerder de schuld terecht niet heeft terugbetaald. Verder is in geschil of verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden.
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar aanvraag om de schuld terug te betalen ten onrechte heeft afgewezen. Volgens eiseres blijkt het bestaan van de schuld afdoende uit de door haar overgelegde stukken, is sprake van een bijzondere situatie die aanleiding geeft de wettelijke eis van de notariële akte buiten toepassing te laten, en is de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden zonder voorafgaande schriftelijke ingebrekestelling. Verder betoogt zij dat de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tot slot voert eiseres aan dat de beslissing op bezwaar en het primaire besluit onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de beslissing op bezwaar.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld niet voldoet aan alle wettelijke vereisten voor compensatie en dat er geen grond is voor toepassing van de hardheidsclausule. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Is de beschikking bevoegd genomen?
10. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de onderhavige beschikking bevoegd is genomen. De primaire beschikking is namens de Belastingdienst/Toeslagen genomen door [bestuurder] , bestuurder van SBN. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht, de Minister van Financiën ten tijde van de primaire beschikking het bevoegde bestuursorgaan was. Daarbij is wel ondermandaat verleend aan de voorzitter van het bestuur van SBN (artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Ketenregie in het kader van private schulden en herstel toeslagen 2024, Stcrt. 2024, 14965).
11. Omdat de voorzitter van het bestuur van SBN, via ondermandaat, bevoegd was om namens de Minister van Financiën op het verzoek om overname van de schuld te beslissen, en eiseres door de onjuiste vermelding van de mandaatgever niet is benadeeld, zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in de beschikking geen gevolgen verbinden.
Wettelijk kader
12. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de Toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden.
13. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1 van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was vóór 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
14. Verder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling (de zogenoemde ‘informele schulden’), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte, die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.
15. De in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht opgenomen hardheidsclausule maakt het mogelijk om van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht af te wijken, indien en voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De eis van de notariële akte
16. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van een zogenoemde informele schuld en dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. De schuld is niet vastgelegd in een notariële akte en blijkt niet uit een rechterlijke uitspraak.
17. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de eis van de notariële akte, zoals opgenomen in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, in dit geval mag worden gesteld. De rechtbank overweegt als volgt. De Wht is een wet in formele zin. Vanwege het toetsingsverbod mag de rechtbank deze bepaling niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen. Uit de rechtspraak volgt dat er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet voldoende zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dergelijke omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De wetgever heeft de mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van een notariële akte bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht onder ogen gezien, en deze zijn daarmee verdisconteerd in de afweging van de wetgever (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 22-25).
18. Het voorgaande laat onverlet dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 26).
19. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzonderingssituatie zich hier voor. Eiseres heeft over de affidavit verklaard dat deze door de rechtbank in [land] is opgesteld en aldaar is geregistreerd. Ter onderbouwing hiervan heeft zij onder meer gewezen op de stempels op de voorzijde en de aantekeningen op de achterzijde van dit document (zie onder 2). Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij het bestaan van een schuld van eiseres aan haar vader en de authenticiteit van de door eiseres overgelegde stukken niet betwist. Hij twijfelt evenwel aan de gestelde hoogte van de schuld en stelt zich op het standpunt dat met de overgelegde stukken onvoldoende kan worden geverifieerd welk bedrag de vader van eiseres aan haar heeft verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de affidavit en de door eiseres overgelegde bankafschriften redelijkerwijs niet aan het bestaan en de omvang van de schuld valt te twijfelen. Zij acht daarbij van belang dat het in de affidavit vermelde bedrag overeenkomt met het door eiseres in 2021 in twee delen aan haar vader overgeboekte bedrag. Verder is de overgelegde schriftelijke verklaring van de vader van eiseres hiermee in overeenstemming. De enkele omstandigheid dat de vader van eiseres een gedeelte van de lening in contanten aan eiseres zou hebben verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in deze zaak met toepassing van de hardheidsclausule voorbij wordt gegaan aan de eis van de notariële akte.
Opeisbaarheid van de schuld
20. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021.
21. Een schuld is opeisbaar op het moment dat de schuldeiser nakoming van zijn vordering kan verlangen. Wanneer dit is hangt af van wat de partijen in de overeenkomst hebben afgesproken over wanneer de schuld moet zijn betaald. Indien hier niets over is afgesproken, is de schuld terstond opeisbaar (artikel 6:38 van Pro het Burgerlijk wetboek).
22. De rechtbank stelt vast dat in onderdeel 3 van de affidavit is opgenomen dat eiseres de schuld zal terugbetalen wanneer zij daartoe in staat is. Dit betreft een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting. De rechtbank kan de stelling van verweerder dat de affidavit geen (concrete) terugbetalingsafspraken bevat dan ook niet volgen. Uit de verklaringen van eiseres over deze in de affidavit opgenomen terugbetalingsverplichting begrijpt de rechtbank dat de afspraak met haar vader zo moet worden begrepen dat de lening opeisbaar was zodra eiseres in staat was om deze terug te betalen. Uit de door eiseres ter zitting gedane consistente en gedetailleerde verklaringen maakt de rechtbank voorts op dat de vader van eiseres steeds te kennen heeft gegeven terugbetaling van de lening te verlangen nadat eiseres zich had aangemeld als gedupeerde in de Toeslagenaffaire en duidelijk werd dat zij zou worden gecompenseerd. Eiseres heeft op 12 mei 2021 € 30.000 ontvangen op grond van de Catshuisregeling en was vanaf dat moment dan ook in staat om de schuld af te lossen. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de in de affidavit besloten liggende voorwaarde voor opeisbaarheid vóór 1 juni 2021 in vervulling is gegaan. Anders dan verweerder lijkt te betogen, vereist artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht, niet dat de schuld ook daadwerkelijk moet zijn opgeëist vóór 1 juni 2021. De omstandigheid dat de schuld na die datum in twee delen is afgelost en eiseres na ontvangst van genoemd bedrag van € 30.000 eerst andere schulden heeft afgelost om verdere kosten te voorkomen, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel.
23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de schuld ten onrechte niet heeft terugbetaald. De rechtbank komt niet meer toe aan de vraag of verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden.
Slotsom
24. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.
De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat verweerder de schuld van eiseres ter waarde van € 8.000 aan haar terugbetaalt;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 3.108, en
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 november 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.