ECLI:NL:RBNHO:2025:14453

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/15/371207 / KG ZA 25-690
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in kort geding over gebruik van gezamenlijke woning door ex-partners met psychische problematiek

In deze zaak gaat het om een kort geding tussen ex-partners die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De vrouw woont in de woning met haar meerderjarige kinderen en de vriend van haar dochter. Beide partijen willen het voorlopig gebruik van de woning. De voorzieningenrechter heeft op 9 december 2025, na een belangenafweging, besloten dat de vrouw en haar kinderen het gebruik van de woning voor de komende zes maanden toegewezen krijgen. Dit besluit is genomen omdat een van de kinderen kwetsbaar is door psychische problematiek en de vrouw geen alternatieve woonruimte heeft. De man, die de woning op 20 september 2025 heeft verlaten, heeft verzocht om het gebruik van de woning, maar zijn belangen zijn door de voorzieningenrechter als minder zwaarwegend beoordeeld. De vrouw heeft ook eigen geld in de woning geïnvesteerd en de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat haar belangen zwaarder wegen. De vordering van de man om een locatieverbod op te leggen aan de vrouw is afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was voor een inbreuk op haar recht om zich vrijelijk te verplaatsen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371207 / KG ZA 25-690
Vonnis in kort geding van 9 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.G. Schmidt,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Schoonewil.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 november 2025, met producties 1-13;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1-9;
- de aanvullende productie 10 namens de man;
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Schmidt heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad vanaf april 2021.
2.2.
In juli 2024 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [adres] in [woonplaats] gekocht (hierna: de woning). De woning is grotendeels gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening.
2.3.
Partijen hebben op 8 augustus 2024 een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

(Tijdelijke) voortzetting woongenot
Artikel 10
1. In geval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van de partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning (…).
4. Indien de woning toebehoort aan beide partijen of toebehoort aan de partij, die er niet in blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen.(…)
2.4.
De relatie van partijen is omstreeks augustus of september 2024 beëindigd. De man heeft de woning omstreeks 20 september 2025 verlaten en woont momenteel tijdelijk bij zijn moeder.
2.5.
De vrouw woont in de woning met haar meerderjarige zoon, meerderjarige dochter en de vriend van haar dochter.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van het vonnis gerechtigd zal zijn de bewoning en het gebruik van de woning, tezamen met haar zoon, dochter en dier partner, voort te zetten tot aan de dag waarop de woning bij verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap aan de vrouw zal worden toegedeeld, althans voor de duur van zes maanden na de datum van het vonnis;
II. bepaalt dat het de man voor diezelfde duur verboden zal zijn zich in de wijk plaatselijk bekend [wijk] waar de woning is gelegen, op te houden en te verblijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
De man voert verweer. De man concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw en subsidiair dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de vrouw aan de man dient te voldoen een redelijke vergoeding ter hoogte van de helft van alle eigenaars- en gebruikerslasten behorende bij de woning.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de man met ingang van de datum van het vonnis met uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot bewoning en het gebruik van de woning voor de duur van zes maanden;
II. de vrouw veroordeelt om binnen 24 uur na het vonnis de nieuwe sleutels van de woning aan de man te overhandigen, zodat de man ook daadwerkelijk de woning kan betrekken, op straffe van een dwangsom.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.3.
Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de vorderingen en wordt ook niet betwist. De voorzieningenrechter zal de vorderingen daarom hierna inhoudelijk beoordelen.
Exclusief gebruik van de woning
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat zij om die reden in beginsel evenveel recht hebben om te mogen wonen in de woning. Partijen zijn het erover eens dat de verhoudingen echter inmiddels dusdanig zijn verstoord dat partijen niet meer gezamenlijk in de woning kunnen wonen.
4.5.
Bij de beantwoording van de vraag wie het voorlopig gebruik van de woning moet worden toegekend, komt het aan op een afweging van de belangen van partijen.
4.6.
De vrouw stelt dat zij een zwaarwegend belang heeft om in de woning te blijven wonen omdat zij daar woont met haar meerderjarige zoon, meerderjarige dochter en de vriend van haar dochter. Haar zoon kampt met psychische klachten waardoor hij kwetsbaar is en directe ondersteuning van de vrouw nodig heeft. De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte tot haar beschikking. Ook heeft de vrouw ter zitting toegelicht dat zij in het afgelopen jaar eigen geld in de woning heeft geïnvesteerd om het naar haar eigen smaak te maken.
4.7.
De man voert aan dat zijn belang zwaarder weegt om in de woning terug te mogen keren. Hij stelt dat hij de afgelopen tijd zijn best heeft gedaan om een alternatieve verblijfplaats te vinden. Momenteel woont hij bij zijn moeder in de kamer van zijn broer, maar met ingang van 9 december 2025 is dit niet meer mogelijk omdat zijn broer zal terugkeren uit het buitenland. De man heeft geen andere familie of vrienden waar hij terecht zou kunnen. De vrouw kan daarentegen terecht bij haar zus of haar nieuwe man in Egypte. Bovendien is de man, anders dan de vrouw, financieel in staat de woning over te nemen. Het belang van de man om in de woning te mogen wonen weegt dan ook zwaarder dan het belang van de vrouw, aldus de man.
4.8.
Zoals hiervoor al is overwogen, hebben de vrouw en de man als eigenaren in beginsel even veel recht op het gebruik van de woning. De voorzieningenrechter zal daarom aan de hand van de argumenten en belangen die partijen naar voren hebben gebracht, beoordelen welke partij het meeste belang bij het voorlopig gebruik van de woning heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van de vrouw uitpakt en dat zij voorlopig gebruik mag blijven maken van de woning. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
4.9.
Partijen stellen beiden dat zij geen alternatieve woonruimte hebben als zij geen gebruik mogen maken van de woning. Over en weer hebben partijen aangevoerd dat de ander wel mogelijkheden heeft om ergens anders te gaan wonen. Tegenover de betwistingen (over en weer) is dat echter onvoldoende gebleken, zodat de voorzieningenrechter daaruit geen zwaarder belang voor één van partijen kan afleiden.
4.10.
Beide partijen willen het aandeel van de ander in de woning overnemen. Ook daarvoor geldt dat op dit moment onvoldoende vast staat of een van partijen daartoe in staat zal zijn. De vrouw heeft (nog) geen vast contract en de man heeft een BKR-registratie op zijn naam staan. In dit kort geding kan daarom niet vastgesteld worden welke partij in dat opzicht het meest in aanmerking zal komen om de woning over te nemen. Het feit dat beide partijen stellen de woning over te willen en kunnen nemen, is dan ook geen doorslaggevend element bij de belangenafweging.
4.11.
Wat naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel de doorslag geeft in de belangenafweging, is dat de vrouw momenteel in de woning woont met haar meerderjarige kinderen en de vriend van haar dochter. De zoon van de vrouw - [zoon] - heeft bovendien te kampen met psychische problemen. Daar komt bij dat de man op zitting heeft verklaard dat hij bereid is om de dochter van de vrouw en haar vriend onderdak te bieden in de woning zodra hij er mag wonen, maar niet aan [zoon] in verband met verwijten die gemaakt zijn aan de man met betrekking tot [zoon] . Hoewel de voorzieningenrechter in dit kort geding niet kan vaststellen of die verwijten terecht zijn, is dus wel gebleken dat als de man in de woning mag wonen, de vrouw en haar kwetsbare zoon de woning zullen moeten verlaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die vaststelling op dit moment dan ook doorslaggevend is in de belangenafweging.
4.12.
De voorzieningenrechter zal dan ook bepalen dat de vrouw de komende zes maanden gebruik mag maken van de woning. Voor die periode van zes maanden sluit de voorzieningenrechter aan bij wat partijen in de samenlevingsovereenkomst hebben afgesproken (zie 2.3). De vordering van de vrouw onder I. wordt dan ook in die zin toegewezen. De vorderingen van de man worden afgewezen.
4.13.
De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat partijen de aankomende maanden kunnen gebruiken om hun financiële mogelijkheden in kaart te brengen en eventueel afspraken te maken over wie als eerst mag proberen om het aandeel van de ander in de woning over te nemen.
Woonlasten
4.14.
Partijen zijn het ter zitting eens geworden dat degene die voorlopig in de woning mag wonen, de totale gebruikers- en eigenaarslasten op zich zal nemen en dient te betalen aan de desbetreffende instanties. De vrouw dient deze lasten dan ook voor haar rekening te nemen.
Geen locatieverbod
4.15.
De vrouw vordert verder dat de man een verbod krijgt om in de wijk te komen waar de woning is gelegen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een locatieverbod een inbreuk vormt op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een dusdanig ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen.
4.16.
Deze vordering lijkt gebaseerd te zijn op de gebeurtenis die op 31 oktober 2025 heeft plaatsgevonden, toen de man spullen uit de woning heeft opgehaald. De lezingen van partijen over deze gebeurtenis lopen uiteen. De voorzieningenrechter kan daarom in dit kort geding - dat zich niet leent voor nader feitenonderzoek - niet vaststellen wat er op die dag daadwerkelijk is gebeurd. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de man na die dag nog in of nabij de woning is geweest. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grondslag om een locatieverbod op te leggen aan de man. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Proceskosten
4.17.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw met ingang van heden gerechtigd is de bewoning en het gebruik van de aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning aan de [adres] in [woonplaats] , met inbegrip van de tot die woning behorende inboedel en overige zaken, tezamen met haar zoon, dochter en dier partner, voort te zetten voor de duur van zes maanden na de datum van dit vonnis,
5.2.
bepaalt dat de vrouw gedurende de periode dat zij gebruik maakt van de woning alle eigenaars- en gebruikerslasten behorende bij de woning zal voldoen aan de desbetreffende instanties,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.