ECLI:NL:RBNHO:2025:14368

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
10817644 \ CV EXPL 23-7696
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindvonnis in huurgeschil over niet inzichtelijke berekening van huurbetalingen

In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Noord-Holland, is op 5 november 2025 een eindvonnis uitgesproken in een huurgeschil tussen de erven van een erflaatster en een ontbonden besloten vennootschap. De eisende partijen, vertegenwoordigd door mr. E.T. van den Hout, stelden dat zij te veel huur hadden betaald, maar konden geen deugdelijke berekening overleggen ter onderbouwing van hun vordering. De kantonrechter had eerder in een tussenvonnis van 30 juli 2025 de eisers de gelegenheid gegeven om een berekening te overleggen die inzicht gaf in de huurbetalingen van de erflaatster, inclusief de wettelijke rente en indexeringen. Echter, de eisers gaven aan dat de benodigde bankafschriften en facturen niet meer beschikbaar waren, wat hen verhinderde om een correcte berekening te maken.

Tijdens de zitting werd besproken dat de door eisers ingediende producties, waaronder bankafschriften van 2007 tot en met 2016, niet voldoende waren om de vordering te onderbouwen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de berekening van de eisers niet voldeed aan de eisen die in het tussenvonnis waren gesteld. De kantonrechter concludeerde dat de gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar was, omdat de eisers niet in staat waren om hun vordering deugdelijk te specificeren en te onderbouwen. De kantonrechter heeft de erven van de erflaatster in het ongelijk gesteld en hen veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 2.172,50. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

De beslissing van de kantonrechter houdt in dat de vorderingen van de erven van de erflaatster worden afgewezen en dat zij de proceskosten moeten betalen binnen veertien dagen na aanschrijving. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. J.J. Dijk.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 10817644 \ CV EXPL 23-7696
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van

1.DE ERVEN VAN ERFLAATSTER [erflaatster] ZIJNDE [eiser 1],

2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
allen wonende te [plaats 1],
gemachtigde: mr. E.T. van den Hout,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
tegen
DE ONTBONDEN BESLOTEN VENNOOTSCHAP [gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigden: M.J. Swenker en mr. M.P.L.M. Buijsrogge.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025;
- de akte van [eisers] van 26 augustus 2025, met producties;
- de akte van [gedaagde] van 28 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 30 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis) zijn [eisers] in de gelegenheid gesteld om opnieuw een berekening over te leggen van de vordering. Uit de berekening moet:
i) blijken wat [erflaatster] (exact) aan huur heeft betaald,
ii) wat zij gelet op het vonnis van 9 augustus 2017 had moeten betalen
iii) wat zij dus te veel heeft betaald (het verschil tussen i en ii) en
iv) wat de hoogte is van zowel de vervallen wettelijke rente als van de vervallen wettelijke handelsrente.
Bij de berekening moet óók rekening worden gehouden met de jaarlijkse indexering van de huur.
2.2.
In de akte hebben [eisers] gesteld dat het onmogelijk is om een berekening te maken, omdat de bankafschriften en de facturen niet meer beschikbaar zijn.
2.3.
De door [eisers] ingediende set ongedateerde producties (zie r.o. 1.1 van het tussenvonnis) bevatten bankafschriften over de jaren 2007 tot en met 2016 en een berekening van de vordering. Deze stukken zijn ter zitting met partijen (waaronder de aanwezige boekhouder van [eisers]) besproken. Ook is ter zitting besproken dat de berekening van [eisers] niet volstaat, met name omdat, zoals [gedaagde] ook had aangevoerd, [erflaatster] niet steeds de volledige factuur (of het volledige huur met pachtbedrag) had betaald, hetgeen ook uit de bankafschriften kon worden afgeleid. De kantonrechter heeft toen haar (grove) berekening voorgehouden, waarbij zij zich had gebaseerd op een overzicht dat zich bij de bankafschriften bevond en waarop per jaar was vermeld: het gefactureerde bedrag, het daadwerkelijk betaalde bedragen het nog openstaande bedrag. De kantonrechter heeft (op jaarbasis) het bedrag aan pacht dat [erflaatster] op grond van het vonnis van 9 augustus 2017 niet hoefde te betalen, afgetrokken van de factuurbedragen, zodat (min of meer) duidelijk was wat [erflaatster] wel had moeten betalen, en vervolgens heeft de kantonrechter de door [erflaatster] betaalde bedragen daarvan afgetrokken. De uitkomst van die som, die aanzienlijk lager was dan wat bij dagvaarding was gevorderd, is wat [erflaatster] te veel heeft betaald. De kantonrechter heeft echter ook uitdrukkelijk aangegeven dat bij deze berekening geen rekening is gehouden met indexeringen, hetgeen van invloed kan zijn op het uiteindelijk verschuldigde bedrag. Verder is het ook niet aan de kantonrechter maar aan [eisers] om een deugdelijke berekening van de vordering met verwijzing naar achterliggende stukken in het geding te brengen. Die gelegenheid is hen alsnog geboden (zie r.o. 2.1).
2.4.
In het licht van het voorgaande is het onbegrijpelijk dat [eisers] nu stellen dat de bankafschriften ontbreken. De bankafschriften, althans een groot gedeelte van de bankafschriften, zijn immers al in een eerder stadium van deze procedure overgelegd. Omdat geen deugdelijke berekening is overgelegd en [gedaagde] de hoogte van hoofdsom heeft betwist door aan te voeren dat [erflaatster] blijkens de overgelegde stukken structureel minder huur heeft betaald dan was gefactureerd en dan wat [erflaatster] verschuldigd was, is de gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar. Het ligt op de weg van de erven om hun vordering deugdelijk te specificeren en te onderbouwen en het is niet de taak van de kantonrechter om zelf een berekening te maken. Dat zou ook geen recht doen aan de belangen van [gedaagde] die zich immers tegen de vordering deugdelijk moet kunnen verweren. Dat [eisers] bij akte wel een overzicht hebben overgelegd van de teveel betaalde pachtkosten leidt niet tot een ander oordeel omdat ook sprake is van te weinig betaalde huur en de hoogte daarvan nu niet vast staat. Naast dat hiermee óók niet is voldaan aan het tussenvonnis, is de berekening onvoldoende onderbouwd. Bij deze stand van zaken kan de vordering van [eisers] niet worden toegewezen.
Proceskosten
2.5.
De erven van [erflaatster] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.037,50
(2,5 punten × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.172,50
Uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. Gelet op de afwijzing van de vordering van de erven ziet de uitvoerbaarheid bij voorraad alleen op de proceskostenveroordeling.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van de erven van [erflaatster] af,
3.2.
veroordeelt de erven van [erflaatster] in de proceskosten van € 2.172,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de erven van [erflaatster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.