In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Noord-Holland, is op 5 november 2025 een eindvonnis uitgesproken in een huurgeschil tussen de erven van een erflaatster en een ontbonden besloten vennootschap. De eisende partijen, vertegenwoordigd door mr. E.T. van den Hout, stelden dat zij te veel huur hadden betaald, maar konden geen deugdelijke berekening overleggen ter onderbouwing van hun vordering. De kantonrechter had eerder in een tussenvonnis van 30 juli 2025 de eisers de gelegenheid gegeven om een berekening te overleggen die inzicht gaf in de huurbetalingen van de erflaatster, inclusief de wettelijke rente en indexeringen. Echter, de eisers gaven aan dat de benodigde bankafschriften en facturen niet meer beschikbaar waren, wat hen verhinderde om een correcte berekening te maken.
Tijdens de zitting werd besproken dat de door eisers ingediende producties, waaronder bankafschriften van 2007 tot en met 2016, niet voldoende waren om de vordering te onderbouwen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de berekening van de eisers niet voldeed aan de eisen die in het tussenvonnis waren gesteld. De kantonrechter concludeerde dat de gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar was, omdat de eisers niet in staat waren om hun vordering deugdelijk te specificeren en te onderbouwen. De kantonrechter heeft de erven van de erflaatster in het ongelijk gesteld en hen veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 2.172,50. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
De beslissing van de kantonrechter houdt in dat de vorderingen van de erven van de erflaatster worden afgewezen en dat zij de proceskosten moeten betalen binnen veertien dagen na aanschrijving. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. J.J. Dijk.