ECLI:NL:RBNHO:2025:14338

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
371656
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige in het kader van jeugdbescherming

Op 8 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, een beschikking gegeven in de zaak van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige], die onder toezicht is gesteld. De kinderrechter heeft een machtiging verleend voor gesloten jeugdhulp, die ingaat op 8 december 2025 en loopt tot en met 19 december 2025. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna de GI, heeft verzocht om deze machtiging, omdat [de minderjarige] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen vertoont die haar ontwikkeling belemmeren. De GI heeft zorgen geuit over de veiligheid van [de minderjarige], die in het verleden betrokken is geweest bij een gevaarlijk netwerk en suïcidepogingen heeft gedaan. Tijdens de zitting op 1 december 2025 is [de minderjarige] gehoord, evenals haar moeder, die zich zorgen maakt over de gezondheid van haar dochter in de gesloten setting. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de problemen van [de minderjarige] aan te pakken en dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter heeft de GI opgedragen om te onderzoeken hoe [de minderjarige] op een veilige manier terug kan keren naar een open groep of naar huis, met de benodigde hulpverlening. De beschikking is openbaar uitgesproken op 2 december 2025 en op schrift gesteld op 8 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371656 / JU RK 25-1594
Datum uitspraak: 8 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat: mr. T.M. Coppes, kantoorhoudende te Haarlem.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. C.J. Avis, kantoorhoudende te Hoofddorp.

1.Vooraf

1.1.
Het dictum van deze beschikking is, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, per mailbericht van 2 december 2025 aan partijen meegedeeld. Dit is de schriftelijke uitwerking van de beschikking en bevat de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 november 2025;
  • de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 13 november 2025.
2.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Daarbij waren aanwezig en gehoord:
  • [de minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd en [de minderjarige] heeft hierover
met de kinderrechter gesproken.

3.De feiten

3.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
3.2.
De kinderechter heeft bij beschikking van 10 oktober 2025 [de minderjarige] voorlopig onder
toezicht gesteld tot 10 januari 2026 en voor [de minderjarige] een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 november 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 23 oktober 2025. In de beschikking van 23 oktober 2025 zijn deze maatregelen gehandhaafd en is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 10 januari 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 oktober 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten setting, met ingang van
11 oktober tot 8 november 2025 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van 23 oktober 2025. In de afzonderlijke beschikking van 23 oktober 2025 is deze maatregel gehandhaafd en is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten setting tot 8 december 2025.

4.Het verzoek

4.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, tot 10 januari 2026.
4.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangegeven dat [de minderjarige] vanaf
16 oktober 2025 op een gesloten afdeling van [een accommodatie voor gesloten jeugdhulp] verblijft. In de periode na haar plaatsing bij [een accommodatie voor gesloten jeugdhulp] is geprobeerd met [de minderjarige] en de behandelend coördinator inzicht te krijgen in haar situatie. Gezien wordt dat [de minderjarige] een chronische darmziekte heeft, die haar lichamelijke toestand – wellicht negatief - beïnvloedt. In het verdere proces weigert [de minderjarige] de samenwerking met het medische team. Voorts wordt gezien dat in het verleden sprake is geweest van geestelijke gezondheidzorg, met depressieve en suïcidale klachten. De schoolgang van [de minderjarige] heeft onder al deze gebeurtenissen geleden. De GI ziet dat de moeder zeer betrokken is, maar ook onrust veroorzaakt voor [de minderjarige] . Zij is wisselend in haar communicatie over de situatie van [de minderjarige] en staat niet achter het door de GI gekozen traject voor [de minderjarige] . De GI maakt zich grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] en over wat in de afgelopen periode met haar is gebeurd. Omdat [de minderjarige] niet open is over wat er in haar leven aan de hand is, kunnen de deskundigen ook niet bepalen wat nodig is om de zorgen te verminderen. De GI wil voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de zorg die zij nodig heeft en vindt dat haar verblijf binnen een gesloten setting daarom gecontinueerd moet worden.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder is verzocht het verzoek af te wijzen. De gezondheid van [de minderjarige] is in de gesloten setting enorm achteruit gegaan en ook daarom is het beter dat [de minderjarige] weer thuis komt te wonen. Eventueel met hulpverlening kan de moeder [de minderjarige] thuis bieden wat nodig is.

6.De mening van [de minderjarige]

6.1.
Door en namens [de minderjarige] is aangegeven dat zij het niet eens is met het verzoek. Haar gezondheid gaat hard achteruit bij [een accommodatie voor gesloten jeugdhulp] . Ze doet daar wat ze moet doen, maar het is geen passende plek voor haar. Ze begrijpt op zich wel dat er zorgen over haar zijn, maar ze heeft de situatie later uitgelegd. Men hoeft zich niet zoveel zorgen om haar te maken. [de minderjarige] wil dat zij en haar moeder een kans krijgen om het thuis samen te proberen. Ze gaat niet meer om met de mensen van destijds en ze is stevig genoeg om uit de problemen te blijven. [de minderjarige] wil zo snel mogelijk weer naar huis, naar haar moeder.

7.De beoordeling

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
7.2.
De zorgen om de veiligheid van [de minderjarige] zijn reëel. [de minderjarige] heeft zich ingelaten met een gevaarlijk netwerk, waar zij tot op heden nog onvoldoende duidelijkheid over heeft gegeven. [de minderjarige] heeft een andere lezing gegeven over de steekwond in haar zij waar zij op 10 oktober 2025 op Schiphol mee is aangetroffen. Feit blijft dat zij gewond is geraakt met een mes en dat is – hoe je het ook wendt of keert – heel zorgelijk. Daarnaast heeft [de minderjarige] in juli 2025 een suïcidepoging gedaan, waardoor zij in beeld is geraakt bij de GGZ. De gehele situatie van [de minderjarige] heeft de GI terecht als zeer zorgelijk naar voren gebracht.
7.3.
[de minderjarige] heeft een chronische darmziekte, waarvoor zij medische behandeling nodig heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [de minderjarige] daarvoor onder controle van de medische dienst van [een accommodatie voor gesloten jeugdhulp] staat, maar dat die begeleiding niet vlekkeloos verloopt. Voor de kinderrechter is niet duidelijk geworden of dit komt door de medische dienst, doordat [de minderjarige] en/of moeder onvoldoende met hen samenwerkt, of een combinatie van beiden. Hoe dan ook, de kinderrechter acht het van belang dat de GI het medisch behandeltraject van [de minderjarige] voortvarend oppakt en met de medische dienst van [een accommodatie voor gesloten jeugdhulp] goede afspraken ter zake maakt. De kinderrechter kan zich voorstellen dat de moeder zich hier zorgen over maakt.
7.4.
De kinderrechter realiseert zich dat de gesloten plaatsing voor [de minderjarige] een zeer ingrijpende maatregel is, waartoe de kinderrechter liever niet overgaat. Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat de maatregelen voor [de minderjarige] zich snel hebben opgevolgd, waardoor zij voelen dat ze geen eerlijke kans hebben gehad. De kinderrechter ziet echter dat niet plotseling is besloten om over te gaan tot een gesloten plaatsing. [de minderjarige] was rond de zomer van 2025 al in beeld bij de GGZ, kennelijk op vrijwillige basis. Toch is zij daarna onder zeer zorgelijke omstandigheden op Schiphol aangetroffen, waarbij [de minderjarige] veel angst had voor het netwerk waar zij zich in bevond en de moeder – op dat moment – de grote zorgen om [de minderjarige] niet deelde. Er was een verblijfsplek voor [de minderjarige] gevonden bij de open groep [open groep] , maar toen dat bij [de minderjarige] bekend werd, is zij via een raam gevlucht. Daarna is voor [de minderjarige] een machtiging voor een gesloten plaatsing afgegeven. Er is dan ook niet over één nacht ijs gegaan.
7.5.
De kinderrechter ziet wel aanleiding om de huidige machtiging te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. De kinderrechter ziet dat de moeder en [de minderjarige] voorzichtig beginnen open te staan voor hulpverlening, ook in de thuissituatie, waar dat eerder niet zo was. Volgens de GI is deze motivatie niet intrinsiek, maar is die ingegeven door de wens om [de minderjarige] uit de gesloten setting te houden. Daar kan dan ook weinig waarde aan worden gehecht, aldus de GI. De kinderrechter ziet dat anders. Wat de reden van [de minderjarige] en haar moeder ook is, er is een ingang voor het bieden van hulpverlening buiten de gesloten jeugdhulp en het is aan de GI om dat nu vorm te geven.
7.6.
De kinderrechter zal de verzochte machtiging dan ook verlenen tot en met
19 december 2025. De komende periode dient de GI te gebruiken om te onderzoeken hoe [de minderjarige] op een veilige en verantwoorde wijze weer terug naar een open groep of zelfs naar huis kan gaan en de noodzakelijke hulpverlening daarvoor in gang te zetten. Het is daarbij nodig dat de GI strak de regie houdt en toezicht op [de minderjarige] uitoefent, zodat haar veiligheid gewaarborgd blijft.
7.7.
De kinderrechter machtigt de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp tot en met 19 december 2025.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verleent een machtiging om
[de minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] in de gemeente [gemeente]uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp met ingang van 8 december 2025 tot en met 19 december 2025.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Apon als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).