Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[minderjarige]
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak heeft de kantonrechter op 3 december 2025 een verstekvonnis gewezen in een civiele procedure tussen een eiser, een bedrijf, en een gedaagde, een minderjarige die werd vertegenwoordigd door een wettelijk vertegenwoordiger. De eiser had een vordering ingesteld, waarbij de kantonrechter eerder op 10 september 2025 een tussenvonnis had uitgesproken over de oneerlijkheid van een beding in de algemene voorwaarden van de eiser. De eiser werd in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit oordeel. In de akte die daarop volgde, refereerde de eiser zich aan het voorlopige oordeel van de kantonrechter over het incassokostenbeding, dat als oneerlijk werd beoordeeld. De kantonrechter heeft vervolgens artikel 12 van de algemene voorwaarden vernietigd, wat betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. Het rentebeding in artikel 10 van de algemene voorwaarden werd echter niet oneerlijk bevonden.
De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente toegewezen, omdat deze vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond werden geacht. De gedaagde partij werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten, met uitzondering van de kosten voor de akte die voor rekening van de eiser blijven. De kantonrechter heeft de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van een bedrag aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eiser worden gemaakt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de vordering voor het overige werd afgewezen.