ECLI:NL:RBNHO:2025:14206

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
10536868 \ CV EXPL 23-3462
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 7:58 lid 2 onder e BWTitel 5, afdeling 2b BWTitel 2a Boek 7 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over oneerlijkheid rente- en incassokostenbedingen in algemene voorwaarden

In deze civiele zaak vordert de eisende partij betaling van een bedrag vermeerderd met rente en incassokosten op grond van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De gedaagde partij is verstek verklaard. De kantonrechter beoordeelt ambtshalve de toepasselijkheid en eerlijkheid van de algemene voorwaarden.

De kantonrechter stelt vast dat de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen niet van toepassing zijn vanwege de aard van de overeenkomst. Wel toetst hij de algemene voorwaarden aan Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen. Het rentebeding in artikel 13 lid 1 is Pro vaag en geeft de eisende partij de mogelijkheid om zelf een rentepercentage te bepalen, wat leidt tot een onevenwicht ten nadele van de consument.

Ook het incassokostenbeding in artikel 13 lid Pro 2, 3 en 4 is onduidelijk en mogelijk oneerlijk omdat het suggereert dat incassokosten direct verschuldigd zijn zonder de wettelijk vereiste veertiendagenbrief. De kantonrechter is voornemens deze bedingen te vernietigen en de vordering voor rente en incassokosten af te wijzen, maar geeft de eisende partij eerst de gelegenheid om zich hierover uit te laten.

De zaak wordt aangehouden tot 31 december 2025 voor verdere beslissing na reactie van de eisende partij.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid zich uit te laten over de vermoedelijke oneerlijkheid van rente- en incassokostenbedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10536868 \ CV EXPL 23-3462
Uitspraakdatum: 3 december 2025
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser], handelende onder de naam
[bedrijf]
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 600,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Geen ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De overeenkomst is gesloten buiten de verkoopruimte. De overeenkomst betreft een financieel product, waardoor de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen uit titel 5, afdeling 2b van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn. Ook de informatieverplichtingen van titel 2a van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing omdat het gaat om een kredietovereenkomst zonder rente (artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW). Daarom zal de kantonrechter hier niet ambtshalve aan toetsen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.3.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [1] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.4.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene voorwaarden’ van [bedrijf] (hierna: de algemene voorwaarden).
2.5.
Artikel 13 lid 1 van Pro de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt:
‘1. Ingeval van niet stipte betaling zal de koper, zonder in gebreke te zijn gesteld, gehouden zijn voor elke maand of gedeelte daarvan, waarmede de betalingstermijn is overgeschreden, boven de overeengekomen som een vertragingsrente te betalen.’
2.6.
De rente is niet gespecificeerd. De eisende partij kan op grond van dit beding in feite een door haarzelf te bepalen bedrag aan rente op de consument verhalen. Het beding zou daarom tot gevolg kunnen hebben dat de consument wordt belast met kosten die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen. De consument is op grond van de wettelijke regeling immers uitsluitend wettelijke rente verschuldigd. Hiermee is sprake van een verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument. Dit maakt dat het beding oneerlijk is.
2.7.
Artikel 13 lid Pro 2, 3 en 4 van de algemene voorwaarden bevatten een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘2. De verkoper is verplicht de koper schriftelijk tot betaling aan te manen; hierbij zal een betalingstermijn van 10 dagen in acht worden genomen.
3. Indien de koper na het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft te betalen, is de verkoper gerechtigd het hem toekomende bedrag in rechte te vorderen zonder enige nadere aanmaning tot betaling, alsmede gerechtelijke en buitengerechtelijke inningskosten aan de koper in rekening te brengen.
4. De buitengerechtelijke inningskosten bedragen 15% van het te vorderen bedrag met een minimum van € 34,03.’
2.8.
Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. Dat de eisende partij wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet daaraan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd 15% van de hoofdsom en daarmee mogelijk hoger dan de wettelijke vergoeding. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk.
2.9.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens om de hierboven bedoelde bedingen te vernietigen, voor wat betreft de rente en buitengerechtelijke incassokosten, en de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen.
Conclusie
2.10.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.11.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten afwijzen
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 31 december 2025 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).