6.3.Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit waarbij de verdachte vanwege een geringe aanleiding de aangever met een groot en scherp mes in de buik heeft gestoken. De rechtbank rekent het
verdachte zwaar aan dat hij bewust een mes heeft meegenomen naar een confrontatie, waarvan hij had kunnen weten dat het uit de hand zou kunnen lopen. Er mag van geluk worden gesproken dat het letsel van de aangever, ondanks het handelen van de verdachte, beperkt is gebleven. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de negatieve gevolgen ervaren. Vanzelfsprekend heeft dit feit ook daadwerkelijk gevolgen gehad voor de aangever. Uit de slachtofferverklaring blijkt namelijk dat hij nog regelmatig last heeft van flashbacks en angsten. Tot slot zorgen zulke feiten ook voor maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte een first offender is.
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 23 januari 2025, opgesteld door [registerpsycholoog] , registerpsycholoog NIP;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 20 oktober 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5.1, de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank zal hiermee bij het bepalen van de straf rekening houden. Uit het psychologisch onderzoek blijkt verder dat een (deels) voorwaardelijke straf passend is met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte moet meewerken aan coaching en specialistische behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als matig tot hoog ingeschat wanneer de verdachte geen vervolgbehandeling krijgt. Hij is aangewezen op coaching die laagdrempelig en outreachend is ter voorbereiding op specialistische traumabehandeling. Gezien de complexe en verstoorde gezins- en relatiepatronen wordt gedacht aan schematherapie in combinatie met een lichaamsgerichte behandeling zoals psychomotore therapie (PMT). Daarnaast wordt geadviseerd de verdachte aan te melden voor een vorm van kamertraining, wellicht net buiten zijn regio gezien de veiligheidsissues.
De rechtbank neemt de conclusie van dit rapport over.
De Raad heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan coaching en behandeling, dagbesteding heeft (werk, school en/of sport) en geen contact mag opnemen met het slachtoffer.
De verdachte krijgt inmiddels begeleiding van een coach en volgt behandeling, wat een positief effect heeft. Er zijn nog wel wat zorgen over de gespannen gezinssituatie en de geestelijke gezondheid van de verdachte. Hij heeft een posttraumatische stressstoornis vanwege de scheiding van de ouders en de vele onveilige situaties die hij heeft ervaren op straat. Voornamelijk de onveiligheid op straat in de omgeving [plaats] vergroot de kans op herhaling omdat dit de angst van de verdachte kan activeren met alle gevolgen van dien. Er zijn immers nog zorgen over de agressie van de verdachte, maar hier wordt met behulp van hulpverlening aan gewerkt. Verder wordt gezien dat de verdachte baat heeft bij de begeleiding en het toezicht van de jeugdreclassering.
De Raad heeft ter zitting aan het raadsrapport toegevoegd dat de verdachte de hulpverlening volledig accepteert. Er wordt gezien dat zijn trauma en de kenmerken daarvan op de voorgrond liggen, waardoor hij tijdelijk gestopt is met school en werk. De bijzondere voorwaarden gericht op school, werk en sport dienen dan ook aangepast te worden naar “het hebben van zinvolle dagbesteding”. Daarnaast is er geen onvoorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd omdat de verdachte detentieongeschikt wordt geacht wegens zijn trauma en het verloop van zijn voorarrest. Dit is beschadigend geweest voor de verdachte.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte door zijn trauma en bijkomende nachtmerries geen ruimte had voor het volgen van zijn opleiding en stage. Het is dan ook van belang dat hij de komende periode allereerst aan zichzelf werkt en behandeling volgt. Hij krijgt nu coaching en behandeling en hij heeft hier veel baat bij. Volgend jaar zal gekeken worden welke mogelijkheden er zijn voor het eventueel hervatten van de schoolgang.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten een poging tot doodslag, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.
Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het feit dat de verdachte 44 dagen in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank houdt rekening met de provocerende houding van de aangever jegens de verdachte voorafgaand aan de confrontatie. De rechtbank houdt ook rekening met het persoonlijkheidsonderzoek, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, en het advies van de Raad.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. Gezien de vrijspraak voor feit 2 ziet de rechtbank wel reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken met betrekking tot de duur van de werkstraf. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 120 dagen moet worden opgelegd, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit
.De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder meewerken aan coaching en behandeling, het hebben van zinvolle dagbesteding en een contactverbod met het slachtoffer.
Dadelijk uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een
misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het
lichaam van een persoon, te weten een poging tot doodslag.
De rechtbank is, mede gelet op wat uit het raadsrapport en psychologisch onderzoek blijkt over de kans op herhaling zonder behandeling, van oordeel dat zonder de voorwaarden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Tot slot zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van tachtig (80) uren opleggen.