ECLI:NL:RBNHO:2025:14123

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/15/339189 / HA ZA 23-252
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding in verband met onterechte opschorting van werkzaamheden

Op 3 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen Renowall WDVS Systemtechnik GmbH en [gedaagde] B.V. De zaak betreft een vordering tot schadevergoeding in verband met de onterechte opschorting van werkzaamheden door Renowall. Renowall, vertegenwoordigd door mr. E. Lassche, eiste schadevergoeding voor kosten die zij had gemaakt in verband met de uitvoering van werkzaamheden aan een bouwproject. [gedaagde], vertegenwoordigd door mr. A.F. Jacobs, voerde verweer en stelde dat de kosten niet voor rekening van Renowall kwamen. De rechtbank heeft in haar vonnis de vorderingen van Renowall gedeeltelijk toegewezen, waarbij schadeposten 9 en 11 zijn toegewezen, maar met uitzondering van bepaalde kosten die verband hielden met kitwerk en steigerhuur. De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] niet voldoende had onderbouwd dat alle kosten voor kitwerk en steigerhuur voor rekening van Renowall kwamen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de vordering van [gedaagde] tot schadevergoeding in conventie werd afgewezen, omdat de bedragen die [gedaagde] nog verschuldigd was voor uitgevoerde werkzaamheden al waren verrekend. De proceskosten werden toegewezen aan [gedaagde], omdat Renowall grotendeels in het ongelijk was gesteld. De rechtbank heeft de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/339189 / HA ZA 23-252
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
RENOWALL WDVS SYSTEMTECHNIK GMBH,
te Bad Oldesloe (Duitsland),
eiseres in conventie, verweerster in reconventie
hierna te noemen: Renowall,
advocaat: mr. E. Lassche,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.F. Jacobs.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 november 2024;
- de akte van 5 februari 2025 houdende uitlating tevens houdende verzoek terug te komen op bindende eindbeslissingen van [gedaagde];
- de akte van 19 februari 2025 uitlating verzoek terug te komen op bindende eindbeslissingen van Renowall;
- de akte van 25 juni 2025 van Renowall;
- de antwoordakte van 1 oktober 2025 van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie
2.1.
Bij vonnis van 13 november 2024 (hierna: het tussenvonnis) is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om voor de schadeposten 9 en 11 [1] bij akte nader toe te lichten dat sprake is van (herstel van) kitwerk waarvan de kosten – gelet op de gegeven opdracht – voor rekening van Renowall komen. Daarbij is ook beslist dat [gedaagde] voor post 11 moet toelichten dat het kitwerk, dat hersteld moest worden, is uitgevoerd door Renowall (en dus niet door een door [gedaagde] zelf ingeschakelde andere aannemer). Voor beide posten moet [gedaagde] een uitsplitsing maken van de kosten zodat duidelijk wordt welk deel van de schadeposten kitwerkzaamheden betreft.
2.2.
Voor schadepost 11 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij akte de schadepost ook dusdanig uit te splitsen dat duidelijk wordt welk deel van deze schadepost de huur van steigers en hoogwerkers betreft.
Schadepost 9 wordt toegewezen met uitzondering van het kitwerk
2.3.
Uit het tussenvonnis volgt dat de rechtbank alleen over de kosten die verband houden met het kitwerk in schadepost 9 nog geen beslissing heeft genomen. [gedaagde] stelt in haar akte van 5 februari 2025 dat Renowall (en haar onderaannemers) de enige partijen zijn die het kitwerk aan het integrale gevelsysteem van de hoog- en laagbouw hebben verricht en – zo begrijpt de rechtbank – dat dit volgt uit de garantie op het gevelsysteem die [gedaagde] van Renowall zou krijgen waardoor het gevelsysteem verzekerd kon worden. Voor zover [gedaagde] hiermee bedoelt dat uit de garantieverplichting (impliciet) ook de opdracht voor ál het kitwerk volgt, is dat betoog onvoldoende onderbouwd. In dat geval is namelijk onbegrijpelijk dat [gedaagde] op 3 september 2021 een meerwerkopdracht heeft verstrekt voor kitwerk. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat de partij die de garantie op het gehele gevelsysteem zou geven niet de werkzaamheden van meer partijen zou kunnen controleren.
2.4.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat uit het akkoord van [gedaagde] van 14 januari 2021 op het voorstel van Renowall voor een aanvullende overeenkomst voor kitwerk niet kan worden afgeleid dat hierin al het kitwerk voor de laagbouw is inbegrepen. De aanvullende overeenkomst van 3 september 2021 vormt immers een reactie op de e-mail van 14 januari 2021. Die overeenkomst (met een aanneemsom van € 127.500,20) geeft alleen opdracht voor het kitwerk tussen de HSB-elementen en bij de (vierkante) ramen, zoals in het tussenvonnis al is overwogen. Uit deze aanvullende overeenkomst volgt ook dat de aanneemsom is gebaseerd op (onder meer) 4.100 strekkende meter dilatatievoegen. Renowall heeft er bovendien op gewezen dat eerst voor 4.400 strekkende meter was geoffreerd, maar dat dit op verzoek van [gedaagde] is bijgesteld naar 4.100 meter. Op 27 augustus 2021 wees Renowall in een e-mailbericht aan [gedaagde] nog hierop, omdat [gedaagde] niet de offerte met het aangepaste aantal strekkende meters bij de overeenkomst had gevoegd. In reactie daarop reageerde [gedaagde] niet met de mededeling dat dat niet uitmaakt omdat (toch) al het kitwerk in de overeenkomst is inbegrepen, maar paste de aanvullende overeenkomst aan overeenkomstig de juiste offerte. Uit deze gang van zaken kan hooguit worden afgeleid dat [gedaagde] het kitwerk voor de dilatatievoegen heeft ingeschat op 4.100 strekkende meter, maar niet dat al het kitwerk voor de laagbouw in de opdracht zat.
2.5.
[gedaagde] heeft (subsidiair) ter voldoening aan het tussenvonnis twee berekeningen gemaakt van de kosten voor het kitwerk in schadepost 9. De rechtbank volgt de berekening die gemaakt is aan de hand van de meerwerkaanbieding van Renowall voor het aantal strekkende meters dat niet in de opdracht zit. Zij volgt dus niet de berekening van [gedaagde] op basis van het aantal manuren voor het kitwerk. Partijen gaan in het overeengekomen kitwerk steeds uit van een prijs per strekkende meter (en niet per manuur). Renowall begroot het meerwerk voor het kitwerk op € 29.149,22. De rechtbank neemt de afslag in de berekening voor bouwkosten en materiaalkosten niet over. Deze kosten worden inbegrepen geacht in de uitvoeringskosten van EHDN voor haar kitwerkzaamheden. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] de indirecte kosten voor niet aan Renowall opgedragen werkzaamheden kan verhalen op Renowall.
2.6.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank schadepost 9 zal toewijzen tot een bedrag van € 60.850,78 (€ 90.000,00 – € 29.149,22).
Schadepost 11 wordt toegewezen met uitzondering van het kitwerk en de steigerhuur
2.7.
[gedaagde] betoogt dat het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat de huur van de steigers niet voor rekening van Renowall kan worden gebracht omdat [gedaagde] zou zorgdragen voor de steigers op het werk, onjuist is. In wat [gedaagde] daarvoor aanvoert ziet de rechtbank geen reden om terug te komen op deze bindende eindbeslissing. Het betoog van [gedaagde] dat deze beslissing van de rechtbank uit de lucht komt vallen treft geen doel, omdat het miskent dat tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid over de (verantwoordelijkheid voor de) steigers is gesproken. Op de in dit verband gevoerde discussie over de planning is de rechtbank bovendien ingegaan in r.o. 4.17 van het tussenvonnis.
2.8.
[gedaagde] heeft (subsidiair) ter voldoening aan het tussenvonnis een berekening gemaakt van deze schadepost zonder de kosten voor het kitwerk en de steigerhuur. Renowall heeft deze berekening onvoldoende concreet weersproken. Weliswaar heeft Renowall aangevoerd dat het aan precieze informatie over de werklocaties, de exacte werkzaamheden en de daaraan bestede uren ontbreekt, maar dat is in het licht van de stellingen en stukken van [gedaagde] onvoldoende. [gedaagde] heeft immers toegelicht dat niet met wiskundige precisie kan worden herleid welke urenbriefjes betrekking hebben op het kitwerk. Door vervolgens alle uren uit deze schadepost te halen van de werknemer die hoofdzakelijk het kitwerk heeft verzorgd (49 uur x € 62,10 = € 3.043,00), heeft [gedaagde] deze schadepost in voldoende mate voor het kitwerk gecorrigeerd.
De kosten voor de steigerhuur (€ 6.750,00) zijn met de verklaring van EHDN ook voldoende onderbouwd.
2.9.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank schadepost 11 zal toewijzen tot een bedrag van € 49.423,56 ((55.555,56 - € 3.043,00 - € 6.750,00)*108%).
Schriftelijke aanvullende opdrachten zijn behalve de uitvaluren al betaald
2.10.
In het tussenvonnis is Renowall in de gelegenheid gesteld om haar vordering nader te onderbouwen voor de gestelde schriftelijke aanvullende opdrachten. Het gaat daarbij om uitvaluren niet verricht voorwerk (€ 2.888,15), reparatie elementen bij stadswoningen 8
(de rechtbank begrijpt gelet op de onderbouwing “stadswoningen 5”)(€ 2.732,00), reparatie elementen bij stadswoningen 4 (€ 4.824,00), reparatie elementen bij stadswoningen 9 (€ 3.972,50) en reparatie elementen bij stadswoningen 6 (€ 1.828,00).
Verder overwoog de rechtbank dat de lijst met meerwerkopdrachten van [gedaagde] drie bedragen (€ 5.801,00, € 1.762,00 en € 1.556,00) bevat, die niet terugkomen in de eindafrekening van Renowall. Ook daarover mocht Renowall zich nog uitlaten. [2]
uitvaluren
2.11.
Renowall heeft voor de uitvaluren een voor akkoord getekend overzicht van “Ausfall Prefabelemente” in het geding gebracht dat correspondeert met het hiervoor gevorderde bedrag (€ 2.888,15).
2.12.
[gedaagde] voert hiertegen aan dat Renowall dit bedrag in de “Abslagrechnung 2” van 31 juli 2020 niet in rekening bracht en dat zij nooit aanspraak maakte op het bedrag van € 2.888,15. In een gespreksverslag van 29 maart 2022 staat dat dit ooit in goed overleg is afgestemd met Renowall en dat het de
“voorkeur is om dit onderdeel zsm te verwijderen”,aldus [gedaagde].
2.13.
Omdat uit het ‘voor akkoord’ getekende overzicht blijkt dat [gedaagde] op 23 juli 2020 heeft ingestemd met het bedrag voor uitvaluren, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat Renowall deze kosten nu niet van haar kan vorderen. Uit het betoog van [gedaagde] volgt dat zij later alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen deze kostenpost, maar dat bezwaar heeft zij – gelet op het eerdere akkoord – onvoldoende inhoudelijk onderbouwd. Uit het gespreksverslag volgt ook niet dat partijen het eens waren dat deze post zou komen te vervallen.
2.14.
[gedaagde] voert ook nog aan dat de vordering op dit punt verjaard is, omdat 16 juli 2020 meer dan vijf jaar geleden is. Dit betoog slaagt niet, omdat de dagvaarding al op 20 april 2023 is uitgebracht en daarmee een verjaring is gestuit.
2.15.
Ook het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking gaat niet op. [gedaagde] doet ter onderbouwing van haar beroep op rechtsverwerking een beroep op het lange tijdsverloop; enkel tijdsverloop kan echter niet tot rechtsverwerking leiden.
2.16.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de kosten van de uitvaluren in post 38 van het overzicht in de nog volgende rechtsoverweging 2.24 meenemen.
Reparatie elementen bij stadswoningen
2.17.
Voor elk van de genoemde reparatieposten voor de verschillende stadswoningen heeft Renowall voor akkoord getekende “Reparaturarbeiten” overgelegd.
2.18.
[gedaagde] voert, met verwijzing naar verschillende Abslagrechnungen, voldoende onderbouwd aan dat zij de reparatiekosten voor de stadswoningen 4 en 5 heeft betaald. Uit Abslagrechnung nr. 31 van 18 maart 2022 blijkt immers dat de “Reparatur” van S4 en S5
(de rechtbank begrijpt stadswoningen 4 en 5)ad € 6.000,00 “abgerechnet” is. Deze Abslagrechnung is van latere datum dan de door Renowall overgelegde documenten.
2.19.
Uit de door [gedaagde] overgelegde Abslagrechnung 18 van 10 juni 2021 blijkt dat de reparatiekosten voor de stadswoningen 6 en 9 eveneens “abgerechnet” zijn. Ook deze posten heeft [gedaagde] daarmee voldoende onderbouwd weersproken.
Drie meerwerkopdrachten
2.20.
Renowall heeft in haar akte uitgelegd dat de drie bedragen die de rechtbank niet in haar eindafrekening had teruggevonden [3] , weldegelijk in die eindafrekening staan. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de daarmee corresponderende meerwerk opdrachten zijn verstrekt en dat [gedaagde] daarvoor moet betalen. Het betoog van [gedaagde] dat een deel van deze opdrachten niet is uitgevoerd treft geen doel. [gedaagde] vordert immers een vergoeding van Renowall voor de werkzaamheden die zij door derden heeft moeten laten uitvoeren. [gedaagde] hoeft niet financieel beter te worden van de tekortkoming van Renowall. [4]
De bedragen waar het hier om gaat zijn in het tussenvonnis al meegenomen in de berekening van het bedrag dat [gedaagde] nog aan meerwerk moet betalen. [5]
De rechtbank komt niet terug op bindende eindbeslissingen
2.21.
[gedaagde] verzoekt de rechtbank terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Zij voert daarvoor aan dat deze beslissingen niet in lijn zijn met de tijdens de mondelinge behandeling gewekte verwachtingen, omdat de rechtbank tijdens deze behandeling overwoog dat er voor de begroting van de schade allerlei hordes genomen moesten worden en niet kon uitsluiten dat daarvoor een deskundige nodig zou zijn. Als zij op de hoogte was geweest van het voornemen van de rechtbank om met betrekking tot een aantal schadeposten bindend te beslissen zonder deskundigenadvies, had zij de rechtbank verzocht om een nadere akte te mogen nemen, aldus [gedaagde].
2.22.
Er is geen aanleiding om terug te komen op bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Het debat over de deskundige is gevoerd voor het geval de rechtbank voor de begroting van de schade een deskundigenadvies nodig zou hebben. Dit blijkt ook uit de weergave van dat debat in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
Daarnaast gaat [gedaagde] met haar betoog voorbij aan artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit de verplichting voor partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten
volledigaan te voeren volgt dat [gedaagde] er niet op kon rekenen dat zij nog een akte zou mogen nemen om zich uit te laten over een aantal schadeposten. Om dezelfde reden slaat de rechtbank nu ook geen acht op wat Renowall in haar akte nog aanvoert over de opschorting van de werkzaamheden. De mogelijkheid voor de rechter om terug te komen op bindende eindbeslissingen is niet bedoeld om partijen alsnog de gelegenheid te geven hun standpunten (beter) te onderbouwen.
Conclusie
2.23.
Het voorgaande leidt tezamen met de beslissingen in het tussenvonnis tot de volgende conclusie.
in reconventie
2.24.
De rechtbank zal de gevorderde verklaringen voor recht toewijzen. De gevorderde schadevergoeding is voor de volgende bedragen toewijsbaar.
I. afmaken werkzaamheden Renowall
1
Arbeid afmaken middentoren (EHDN)
€ 175.000,00
2
Transport van materialen van Renowall (Zwatra)
€ 1.836,80
3
Materiaal ([betrokkene 1])
€ 57.086,47
4
Materiaal en transport (EHDN)
€ 33.565,58
5
Materialen (Isero)
€ 1.721,49
9
Arbeid laagbouw (EHDN)
€ 60.850,78
10
Materiaal laagbouw ([betrokkene 1])
€ 2.218,04
II. schadeherstel door vertrek Renowall
11
Arbeid en materiaal gevels (EHDN)
€ 49.423,56
III. Andere schade door toedoen Renowall
23
Verwijderen lijmresten (HSU Lento)
€ 9.000,00
Schadeherstel tot vertrek Renowall:
24
pui bij 56 ([betrokkene 2])
€ 3.488,00
25
balkonhekwerk 59 (Fek Metaal)
€ 300,00
26
Vervangen 7 beschadigde waterslagen tot 29-3-22
€ 6.300,00
27
Dakbedekking tot 29-3-22 ([betrokkene 4])
€ 4.964,90
28
Diverse ruiten ([betrokkene 2])
€ 4.710,00
29
Herstellen kozijnen en waterslagen (Gekofix)
€ 11.962,50
30
Herstel prefab balkons
€ 1.380,00
31
Lekkage puien ([betrokkene 3])
€ 3.900,00
32
Schade breukruit op positie p310 ([betrokkene 2])
€ 1.725,00
IV. Betalingen vs stand van het werk
37
Nog te betalen voor hoofdopdracht
-€ 136.729,00
38
Nog te betalen voor schriftelijke meerwerkopdrachten
-€ 83.220,15
Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] na verrekening van wat zij nog aan Renowall moet betalen voor de hoofdopdracht en de meerwerkopdrachten (posten 37 en 38) tot een bedrag van € 209.483,97 zal worden toegewezen.
2.25.
Omdat [gedaagde] schadevergoeding vordert zal de rechtbank niet de wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente toewijzen. [gedaagde] vordert deze wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, 20 april 2023, stellende dat Renowall in haar dagvaarding elke aansprakelijkheid van de hand wees. Gelet op de sommatie van 14 april 2023, waarin [gedaagde] Renowall een termijn van zes weken stelde om te betalen, is Renowall pas vanaf 26 mei 2023 in verzuim en zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf die datum.
in conventie
2.26.
De rechtbank zal de vordering afwijzen waarbij in aanmerking is genomen dat bedragen die [gedaagde] nog verschuldigd is voor uitgevoerde werkzaamheden voor de hoofdopdracht en het meerwerk al zijn verrekend bij de begroting van de in reconventie toe te wijzen schadevergoeding.
Proceskosten
2.27.
Renowall is voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en zal daarom de proceskosten moet dragen. De kosten van [gedaagde] worden in conventie begroot op:
- griffierecht: € 5.737,00
- salaris advocaat: € 10.506,00 (3 punten x tarief van € 3.502,00 per punt)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 16.421,00
2.28.
De kosten in reconventie worden begroot op nihil, omdat de vordering in reconventie geheel samenhangt met het verweer in conventie.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt Renowall in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden voor [gedaagde] begroot op € 16.421,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Renowall niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
3.3.
verklaart voor recht dat Renowall door het werk te verlaten en daar niet meer terug te keren tekort schoot in de nakoming van haar verplichtingen;
3.4.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de overeenkomst op 20 juni 2022 partieel heeft ontbonden;
3.5.
veroordeelt Renowall om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] te betalen € 209.483,97 (zegge: tweehonderdnegenduizend vierhonderd drieëntachtig euro zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf 26 mei 2023;
3.6.
veroordeelt Renowall in de proceskosten van [gedaagde] die worden begroot op nihil;
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in conventie en in reconventie
3.8.
verklaart de beslissingen onder 3.2, 3.5 en 3.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, mr. P.M. Wamsteker en mr. N.B.F. Telders en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
735

Voetnoten

1.Zie het overzicht onder rechtsoverweging 4.23 van het tussenvonnis. Schadepost 9 betreft € 90.000,00 aan arbeidskosten voor werkzaamheden aan de laagbouw verricht door EHDN. Schadepost 11 is € 60.000,00 groot, in verband met arbeids- en materiaalkosten voor werkzaamheden aan de gevels verricht door EHDN.
2.Zie rechtsoverweging 4.90 van het tussenvonnis.
3.Zie rechtsoverweging 4.90 van het tussenvonnis
4.Zie ook rechtsoverweging 4.77 van het tussenvonnis
5.Zie rechtsoverweging 4.80 van het tussenvonnis