ECLI:NL:RBNHO:2025:14110
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering incassokosten en toetsing oneerlijke bedingen in tarievenregeling
De zaak betreft een incassovordering van de eisende partij tegen een consument als gedaagde, waarbij de kantonrechter ambtshalve de oneerlijkheid van het incassobeding in de algemene voorwaarden toetst.
De tarievenregeling van de eisende partij hanteert aanmanings- en incassokosten die afwijken in het voordeel van de consument ten opzichte van de toen geldende wettelijke regeling. De kantonrechter oordeelt dat deze regeling niet oneerlijk is voor overeenkomsten gesloten vóór 1 oktober 2024.
Echter, per 1 oktober 2024 is artikel 6:96 lid 8 BW Pro in werking getreden, dat de stapeling van incassokosten bij termijnbetalingen beperkt. De tarievenregeling wijkt nadelig af van deze nieuwe wettelijke regeling, waardoor deze voor overeenkomsten na die datum wel oneerlijk is.
De kantonrechter wijst de vordering toe en veroordeelt de gedaagde tot betaling van € 265,37 en proceskosten, maar wijst de vordering voor het overige af. De kosten van de extra akte blijven voor rekening van de eisende partij.
Het vonnis is gewezen door kantonrechter M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 265,37 en proceskosten; de tarievenregeling is oneerlijk voor overeenkomsten na 1 oktober 2024.