ECLI:NL:RBNHO:2025:14085

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/4898
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Indeling van een niet gemonteerde aluminium constructie voor een serre in de Gecombineerde Nomenclatuur

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 21 november 2025 uitspraak gedaan over de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) van een niet gemonteerde aluminium constructie voor een serre. Eiseres, een B.V., had een bindende tariefinlichting (BTI) aangevraagd voor het product, dat als een geprefabriceerd bouwwerk werd omschreven. De inspecteur van de Douane, verweerder, had echter de BTI afgegeven met een indeling onder TARIC-code 7610 9090 95, wat door eiseres werd betwist. Eiseres stelde dat het product, ondanks het ontbreken van glas, de essentiële kenmerken van een serre bezat en daarom onder TARIC-code 9406 9090 00 ingedeeld moest worden. De rechtbank oordeelde dat het product niet voldeed aan de vereisten voor indeling als geprefabriceerd bouwwerk, omdat het zonder glas niet de essentiële kenmerken van een complete serre vertoonde. De rechtbank concludeerde dat de indeling door verweerder onder TARIC-code 7610 90 90 92 correct was, aangezien het product in een kit was verpakt met de benodigde onderdelen voor assemblage. Eiseres' verzoek om vergoeding van immateriële schade werd afgewezen, omdat de termijn voor uitspraak nog niet was verstreken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4898

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),
en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Inleiding

Dit beroep gaat over de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) van een niet gemonteerde aluminium constructie voor een serre (hierna: het product).

Procesverloop

Op 20 december 2023 heeft verweerder aan eiseres een beschikking inzake een bindende tariefinlichting met kenmerk NL BTI 2023-0954 (hierna: de BTI) afgegeven.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de BTI gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025 te Haarlem.
Namens eiseres is verschenen: [naam 1] , head of innovations, bijgestaan door
mr. [naam 2] en [naam 3] , kantoorgenoten van gemachtigde.
Namens verweerder zijn verschenen: mr. [naam 4] en [naam 5] .

Feiten

1. Eiseres heeft op 2 oktober 2023 een BTI-aanvraag ingediend voor het product. Het product is daarin als volgt omschreven:
“Let op, product ongewijzigd.
Een serre in niet complete, niet gemonteerde staat, met - volgens opgave - de volgende kenmerken:
  • een geprefabriceerd bouwwerk bedoeld om gebouwen uit te breiden;
  • hoofdzakelijk bestaande uit aluminium, pvc en rubber;
  • een staander van aluminium;
  • verschillende profielen van aluminium;
  • een goot van aluminium;
  • een sierlijst van aluminium;
  • een klikplaat van aluminium;
  • bovengeleiderprofielen van aluminium;
  • zijplaten en afsluitplaten van aluminium;
  • zijliggers en tussenliggers van aluminium;
  • een pvc buis;
  • liggers van rubber;
  • 3-, 4- en 5 rails;
  • dubbel gelagerde wielen;
  • zwart muurrubber;
  • tochtstrip met haar;
  • sierstrip zonder haar;
  • zwart U rubber voor 10 mm glas;
  • glazen schuifwand schroeven.”
Eiseres heeft in haar aanvraag verzocht om indeling van het product onder GN- postonderverdeling goederencode 9406 9090 00 als “geprefabriceerd bouwwerk”. Daarbij hoort een tarief van 2,7%.
2. Op 20 december 2023 heeft verweerder aan eiseres de BTI afgegeven. Het product is daarin als volgt omschreven:
“Een niet-gemonteerde constructie voor een serre met - volgens opgave - de volgende kenmerken:
- bestemd voor het bouwen van een serre;
- een staander van aluminium:
- verschillende profielen van aluminium:
- een goot van aluminium;
- een sierlijst van aluminium;
- een klikplaat van aluminium;
- bovengeleiderprofielen van aluminium;
- zijplaten en afsluitplaten van aluminium;
- zijliggers en tussenliggers van aluminium;
- een pvc buis;
- liggers van rubber;
- 3-, 4- en 5 rails;
- dubbel gelagerde wielen;
- muurrubber;
- tochtstrip met haar;
- sierstrip zonder haar;
- U rubber voor 10 mm glas;
- glazen schuifwand schroeven.
De constructie wordt geleverd zonder glas en zonder schuifdeur.”
Het product is ingedeeld onder GN-postonderverdeling 7610 9090 als “constructiewerken”.
Als TARIC-code heeft verweerder aangegeven 7610 9090 92 “producten die in een kit zijn verpakt met de onderdelen die nodig zijn voor de assemblage van een eindproduct zonder dat de onderdelen verdere af- of bewerking moeten ondergaan (“kit voor eindproducten”)”. Bij de indeling behoort een tarief van 6%.
3. In beroep heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de juiste indeling TARIC-code 7610 9090 95 (“andere”) is.

Geschil

4. In geschil is de indeling van het product in de GN.
5. Eiseres voert ten eerste aan dat aan haar een BTI is afgegeven op 26 april 2021 (met kenmerk [# 1] ) waarin een serre van 6 meter is ingedeeld onder TARIC-code 9406 9090 00. Verweerder had op basis daarvan de BTI moeten afgeven met dezelfde TARIC-code omdat verweerder de BTI van 26 april 2021, die nog geldig was op het moment van afgifte van de BTI, niet heeft ingetrokken. Daarnaast is voor hetzelfde product op 3 november 2020 een BTI afgegeven (met kenmerk [# 2] ) waarin het product is ingedeeld onder TARIC-code 9406 9090 00. Deze was geldig tot 2 november 2023.
Het product, niet-gemonteerd en niet-compleet, kwalificeert als een geprefabriceerd bouwwerk als bedoeld in post 9406 omdat de serre in de vorm zoals deze wordt aangeboden de essentiële kenmerken bezit van een complete serre. Glas (of polycarbonaat) is weliswaar een essentieel bestanddeel van een serre, maar zonder glas/polycarbonaat (mits voorzien van de volledige constructie) bezit het product desalniettemin de essentiële kenmerken van een complete serre qua functionele en structurele elementen. Eiseres meent dat aansluiting gezocht moet worden bij de indeling van een minibroeikas, vastgelegd in de Verordening (EG) 1655/2005 van 10 oktober 2005. Indeling van de minibroeikas vindt plaats op basis van het bestanddeel waaraan het zijn wezenlijke karakter ontleent, in dat geval het houten frame.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verzoekt de rechtbank de indeling van het product als een artikel met TARIC-code 9406 9090 00 vast te stellen. Zij verzoekt verweerder te veroordelen in de proceskosten en het griffierecht en om vergoeding van de immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.
6. Verweerder meent dat het product kwalificeert als een constructiewerk als bedoeld in GN-post 7610 en dient te worden ingedeeld onder TARIC-code 7610 9090 95. Op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen is het product een constructiewerk. Het bestaat uit verschillende materialen, namelijk profielen, platen, etc. waarvan door middel van samenvoeging en na bewerking een eindproduct kan worden gemaakt. Verweerder acht GN-post 9406 niet van toepassing. Het product is geen volledig bouwwerk en heeft niet de essentiële kenmerken van een geprefabriceerd bouwwerk, omdat de constructie zonder glas geleverd wordt, terwijl het glas het belangrijkste deel van een serre is. Het product heeft dus geen muren en geen dak. Enkel de structuur van de terrasoverkapping kan daarom niet met toepassing van indelingsregel 2a worden ingedeeld onder GN-post 9406. Verweerder verwijst naar de conclusie van de 227e vergadering van het Comité douanewetboek die gaat over zogenoemde tuinkamers. Daarnaast is de door eiseres aangehaalde minibroeikas volledig. Het product in geschil is echter onvolledig.
De BTI met kenmerk [# 2] is per 2 november 2023 van rechtswege komen te vervallen. Ten aanzien van de BTI met kenmerk [# 1] is geen intrekkingsprocedure gestart vanwege de indertijd nog relatief korte looptijd van die BTI.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Relevante regelgeving

7. GN-post 7610 en de bijbehorende TARIC-onderverdeling luidde ten tijde van de afgifte van de BTI, voor zover van belang, als volgt:
7610 Constructiewerken en delen van constructiewerken (bijvoorbeeld bruggen, brugdelen, torens, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor, drempels, luiken, balustrades), van aluminium, andere dan de geprefabriceerde bouwwerken bedoeld bij post 9406; platen, staven, profielen, buizen en dergelijke, van aluminium, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken:
7610 10 00 – deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor en drempels
7610 90 – andere:
7610 90 10 – – bruggen en brugdelen; vakwerkmasten en andere masten
7610 90 90 – – andere:
7610 90 90 92 – – – – producten die in een kit zijn verpakt met de onderdelen die nodig zijn voor de assemblage van een eindproduct zonder dat de onderdelen verdere af- of bewerking moeten ondergaan (“kit voor eindproducten”)
7610 90 90 95 – – – – andere
8. De authentieke Engelstalige toelichting van de Internationale Douaneraad (GS-toelichting) op GS-post 7610 luidt voor zover relevant:
“In the case of aluminium, structural parts are sometimes bonded together with synthetic resins or rubber compounds instead of being fixed by the ordinary methods of riveting, bolting, etc.
In view of their lightness, aluminium and its alloys are sometimes used instead of iron or steel in the manufacture of structural frameworks, ships’ superstructures, bridges, sliding doors, electric grid or radio pylons, telescopic pit props, door or window frames, railings, etc.

The heading excludes :

(a) Assemblies identifiable as parts of articles of
Chapters 84 to 88.
(b) Floating structures of
Chapter 89.
(c) Prefabricated buildings (
heading 94.06).”
9. GN-post 9406 luidde ten tijde van de afgifte van de BTI als volgt:
9406 Geprefabriceerde bouwwerken:
9496 10 00 – van hout
9406 20 00 – modulaire gebouwunits, van staal
9406 90 – andere:
9406 90 10 – – mobiele bungalows
– – andere:
– – – van ijzer of van staal:
9406 90 31 – – – – broeikassen
9406 90 38 – – – – andere
9406 90 90 – – – van andere stoffen
10. De authentieke Engelstalige toelichting van de Internationale Douaneraad (GS-toelichting) op GS-post 9406 luidt voor zover relevant:
“This heading covers prefabricated buildings, also known as “industrialised buildings”, of all materials.
These buildings, which can be designed for a variety of uses, such as housing, worksite accommodation, offices, schools, shops, sheds, garages and greenhouses, are generally presented in the form of :
- complete buildings, fully assembled, ready for use;
- complete buildings, unassembled;
- incomplete buildings, whether or not assembled, having the essential character of prefabricated buildings.
In the case of buildings presented unassembled, the necessary elements may be presented partially assembled (for example, walls, trusses) or cut to size (beams, joists, in particular) or, in some cases, in indeterminate or random lengths for cutting on the site (sills, insulation, etc.).”

Beoordeling van het geschil

Eerder afgegeven BTI’s
11. Het betoog van eiseres dat verweerder op basis van de BTI met kenmerk [# 1] van 26 april 2021 verplicht was het product ook in te delen onder TARIC-code 9406 9090 00, kan niet slagen. Ten eerste betreft het geen identieke producten. Immers, het product van de BTI van 26 april 2021 betreft een product met een lengte van 6 meter, terwijl het product in geschil een lengte heeft van 9 meter. Dat de lengte geen onderscheidend criterium is, zoals eiseres stelt, kan niet worden gevolgd. Er was daarom geen sprake van tegenstrijdige BTI’s. Voorts stelt verweerder ten aanzien van de BTI van 26 april 2021 dat deze, achteraf gezien, onjuist is afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiseres dat een BTI waarvan verweerder stelt dat deze achteraf onjuist is afgegeven, automatisch zou moeten leiden tot het wederom verstrekken van een BTI met dezelfde code, geen steun vindt in het recht. Verweerder mag immers fouten herstellen. Hoewel de BTI van 26 april 2021 nog wel geldig was op het moment van afgifte van de hier in geschil zijnde BTI, heeft verweerder in dit geval om proceseconomische redenen mogen afzien van een intrekkingsprocedure. Dit zou immers een zinloze actie zijn geweest, omdat de geldigheidsduur van die BTI op korte termijn zou verstrijken. Het niet intrekken van de BTI met kenmerk [# 1] was daarom in dit geval geen beletsel voor het afgegeven van een nieuwe BTI.
12. Ook het beroep van eiseres op de BTI met kenmerk [# 2] waarin een identiek product is ingedeeld onder TARIC-code 9406 9090 00, kan niet tot het voor eiseres gewenste resultaat leiden omdat deze BTI per 2 november 2023, dus vóór de afgifte van de nieuwe BTI, van rechtswege is komen te vervallen.
Indeling in de GN
13. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend [1] . De inhoud van GS- en GN- toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven [2] .
14. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat het product een pakket met niet-gemonteerde onderdelen betreft. De onderdelen bestaan uit een staander van aluminium, verschillende profielen van aluminium, een goot van aluminium, een sierlijst van aluminium, een klikplaat van aluminium, zijplaten en afsluitplaten van aluminium, zijliggers en tussenliggers van aluminium, een pvc buis, liggers van rubber, 3-, 4- en 5-rails, dubbel gelagerde wielen, zwart muurrubber, een tochtstrip met haar, zwart U rubber voor 10 mm glas en schroeven voor de glazen schuifwand.
Het product is, nadat de onderdelen zijn gemonteerd, bedoeld om voor permanent gebruik te worden bevestigd aan een buitenmuur. De profielen ondersteunen nader toe te voegen glas dan wel polycarbonaat waarmee het dak en de zijwanden worden afgesloten. De afmeting van het gemonteerde product is 3 bij 9 meter.
15. De rechtbank zal eerst beoordelen of het product kwalificeert als een geprefabriceerd bouwwerk in de zin van post 9406, zoals eiseres voorstaat. De rechtbank stelt vast dat het product wordt ingevoerd zonder glaspanelen dan wel kunststof panelen. Daarmee is het een onvolledig bouwwerk. Op grond van de GS-toelichting op post 9406 omvat deze post ook onvolledige bouwwerken, al dan niet gemonteerd, maar met de essentiële kenmerken van geprefabriceerde bouwwerken. Op grond van indelingsregel 2a heeft de vermelding van een goed in een post eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dat goed reeds de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte product vertoont. Tussen partijen is niet in geschil dat het aluminium een essentieel bestanddeel/kenmerk is, omdat dat het product stevigheid geeft. Ook is niet in geschil dat het glas of de kunststof een essentieel bestanddeel/kenmerk is, omdat het product daarmee weerbestendig wordt. Omdat het glas dan wel de kunststof ontbreekt, kan het product niet aangemerkt worden als een geprefabriceerd bouwwerk in de zin van tariefpost 9406 met indelingsregel 1 dan wel indelingsregel 2a omdat het product in niet-complete staat niet de essentiële kenmerken van het complete product vertoont. Aan de vraag of het product in het kader van indelingsregel 3b zijn wezenlijke karakter ontleent aan het aluminium of aan het glas/de kunststof, komt de rechtbank vervolgens niet toe. Het product kan dus niet worden ingedeeld onder post 9406. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt is het begrip “de essentiële kenmerken van het complete goed” van indelingsregel 2a niet gelijk aan het begrip “het goed waaraan het werk zijn wezenlijk karakter ontleent” van indelingsregel 3b.
16. Met betrekking tot het beroep van eiseres op Indelingsverordening (EG) 1655/2005 van 10 oktober 2005, oordeelt de rechtbank als volgt. Het product in die Indelingsverordening betrof een niet-gemonteerd artikel in de vorm van een broeikas op schaal, een zogenoemde “minibroeikas”. Het geraamte is vervaardigd van hout, de bodem bestaat uit een metalen rooster en de afdichtende elementen bestaan uit kunststof. Omdat de broeikas zowel bestaat uit het geraamte als uit de kunststof om het af te dichten, is het product niet vergelijkbaar met het product in geschil waarbij het glas/de kunststof ontbreekt. Dat de indeling van de minibroeikas in de Indelingsverordening is vastgesteld op basis van de algemene regels 2a en 3b, doet niet af aan de conclusie van de rechtbank als vermeld onder 15.
17. De rechtbank is van oordeel dat door het samenvoegen van de onderdelen als genoemd onder 14 een constructiewerk van aluminium ontstaat als bedoeld onder GN-post 7610. De rechtbank vindt voor deze indeling steun in de conclusie van de 227e vergadering van het Comité douanewetboek. Daarin staat vermeld dat niet-gemonteerde constructies van kassen van aluminium, die worden aangeboden zonder de glaspanelen, als raamwerken voor kassen onder GN-post 7610 moeten worden ingedeeld. Het product waarop de conclusie betrekking heeft, bestaat uit profielen van aluminium en hulpstukken bestemd voor het bouwen van een kas, inclusief kozijnen voor deuren en ramen van aluminium, exclusief glaspanelen. De rechtbank acht dat product vergelijkbaar met het product in geschil. Dat bij het product in geschil sprake is van drie wanden van aluminium, en bij de kas sprake is van vier wanden, is van ondergeschikt belang.
18. Naar het oordeel van de rechtbank dient het product te worden ingedeeld onder TARIC-code 7610 90 90 92 omdat sprake is van een product dat in een kit is verpakt met de onderdelen die nodig zijn voor de assemblage van een eindproduct zonder dat de onderdelen verdere af- of bewerking moeten ondergaan (“kit voor eindproducten”). Zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, dienen in veel gevallen aanpassingen aan onderdelen van het product plaats te vinden om het passend te maken aan een gevel. Dit kan een ieder doen met behulp van de bij het product gevoegde instructies. Het gaat om geringe aanpassingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een “verdere af- of bewerking” van het product als bedoeld in voormelde TARIC-code.
19. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het product juist heeft ingedeeld in de BTI.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

21. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van haar immateriële schade wegens de lange behandelduur van haar zaak. Voor vergoeding van immateriële schade is aanleiding als de rechtbank niet binnen twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak doet. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 31 januari 2024. Nu de rechtbank uitspraak doet op 21 november 2025 is deze termijn nog niet verstreken en is er dus geen grond voor een schadevergoeding.

Proceskosten

22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades, en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer Hof van Justitie 26 april 2017, C-51/16, Stryker EMEA Supply Chain Services BV, ECLI:EU:C:2017:298, punten 39 en 45.
2.Zie onder meer Hof van Justitie 26 november 2015, C-44/15, Duval GmbH & Co. KG, ECLI:EU:C:2015:783, punt 24.